Le Carré confronteerde MI6 met zichzelf

Geheime diensten De boeken van Le Carré waren niet ‘alleen maar fictie’, daarvoor zat er te veel waarheid in.

John Le Carré in zijn huis in Londen in 2008
John Le Carré in zijn huis in Londen in 2008 Foto Kirsty Wigglesworth/AP

Het was een evenementje dat Alex Younger, chef van MI6, in 2017 in de schijnwerpers trad en een brief schreef aan The Economist. „Ik huiver bij de suggestie dat er in de romans van John le Carré morele equivalentie zou zijn tussen ons en onze tegenstanders”, schreef hij. „We zijn niet zo cynisch als we in fictie geportretteerd worden” en „als het publiek beter wist wat we echt doen, zouden ze trotser zijn.”

Aanleiding voor die gewonde reactie was een column (‘Spies like us’), die betoogde dat „de spionageroman typisch Brits is”, omdat het „establishment het moet hebben van geheimen en leugens” en tegelijkertijd de misfits produceert die spion worden en „elke regel breken, maar getolereerd worden omdat ze lid zijn van de club”. Zie een Sir Anthony Blunt, conservator van de koninklijke schilderijen én een Russische spion.

John le Carré toonde aan dat spionage onze illusie van imperiale grandeur in stand houdt, terwijl de boel in werkelijkheid permanent op instorten staat, schreef het blad. Hij verschilde daarin trouwens niet van Ian Fleming, schrijver van de James Bond-romans, Graham Greene en Somerset Maugham, die ook hun brood verdienden als spion.

De geprikkelde reactie van MI6 illustreerde precies waarom je Le Carré’s verhalen niet kunt afdoen als „alleen maar fictie”. Hij loog de waarheid. Hij had kennis van binnenuit en zijn uitgangspunten waren goeddeels gebaseerd op feiten.

In de nasleep van ‘Irak’ (2003) bleek de tunnelvisie waaraan de Britse inlichtingendiensten hadden geleden. Informatie die wees op het ontbreken van Iraakse massavernietigingswapens werd als onwelkom terzijde geschoven. In plaats daarvan rapporteerden ze – in Londen en Washington – om hun politieke bazen te gerieven, is uit verscheidene openbare onderzoeken gebleken.

Sir Percy Cradock, een eerdere spionnenchef, schreef dat „analisten geen hovelingen moeten worden”. Hun enige juiste rol is „om zonder fear or favour hun bevindingen te rapporteren, hoewel die bijna altijd onwelkom zijn.” Toch waren ze juist uit die rol gestapt. De toenmalige premier Blair beschouwde de diensten „niet als leverancier van onpartijdige analyse, maar als een gewone overheidsdienst, zoals een ministerie, die politieke orders moet uitvoeren”, zei Phillip Knightley, de journalist die een reeks spionageschandalen onthulde, tegen NRC. „Hij wilde de oorlog in Irak. De diensten moesten het materiaal leveren om die te rechtvaardigen.”

Le Carré kende de Britse inlichtingendiensten van binnenuit

Le Carré’s woede over zulke praktijken, en de verwoeste levens van wie zich daartegen verzette, heeft grootse romans opgeleverd als A Most Wanted Man (2008) en Absolute Friends (2003). Ze hielpen het beeld te scheppen waartegen de diensten nu nog protesteren, misschien omdat ze ervan hebben geleerd. Hoop je. Het klopt, „we break the rules, maar niet de wet”, schreef MI6-chef Younger. Om er in dezelfde adem het rolbevestigende beeld aan toe te voegen van dat kleine dappere land dat zijn voorsprong op de tegenstanders houdt, „juist door onze creativiteit, innovatie en listigheid.”

Necrologie: Spionage-auteur zonder de James Bond-glamour

Kwader trouw

Le Carré was niet blind voor dreigingen, van terrorisme tot cyber. Maar dat Russen en Chinezen te kwader trouw zijn, maakt het westen niet per definitie moreel superieur. Zo was zijn fictie misschien een homeopatisch geneesmiddel voor het Britse inlichtingen-establishment. Vlak voor zijn afscheid als MI6-chef erkende Younger dat de facto alsnog. Tegen de Financial Times zei hij dat Poetins Rusland weliswaar elke dag uit is op het destabiliseren van het Westen, maar dat hij „de dingen die ons verdelen niet heeft verzonnen – dat hebben we zelf gedaan.”