Wie Gertjan Verbeek in huiselijke sferen ziet, kan zich moeilijk voorstellen dat hij al decennia als ‘hork’ en ‘mopperkont’ door het leven gaat.

Foto Sake Elzinga

Gertjan Verbeek: ‘Veel trainers zouden tekenen voor wat ik heb bereikt’

Interview Gertjan Verbeek (58) heeft de reputatie van een hork. Maar in zijn blokhut in Dalfsen laat de clubloze voetbalcoach een andere kant van zichzelf zien. „Ik ben een andere vader dan mijn vader.”

Bij een blokhut in Dalfsen, aan het eind van een kronkelig bospad, doemt Gertjan Verbeek vanuit het niets op in de avondschemering. Handen diep weggestopt in de zakken van zijn spijkerbroek, daaronder sokken in badslippers. „Kom je van ver?”

Nog in de deuropening vertelt hij hoe hij de plek ontdekte, tijdens een motortocht tien jaar geleden. Met vrachtwagens liet hij boomstammen uit Fins Lapland aanrukken, om vervolgens zelf de klus te klaren. Pas toen hij vrouw en kind kreeg, betrok hij de riante boshut.

Verbeek (58) gaat voor naar de keuken, waar Sabine aan tafel zit. Een geboren Friezin, dertien jaar jonger dan hij. Ze vertelt dat ze heeft moeten wennen aan het bos, maar dat ze geniet van de lichtval op de bomen en de bedrijvigheid van haar man. „Van de week stoorde Gertjan zich aan de rondslingerende laarzen voor het huis. In no time timmerde hij een schoenenrek in elkaar.”

Wie Verbeek in huiselijke sferen ziet kan zich moeilijk voorstellen dat hij al decennia als ‘hork’ en ‘mopperkont’ door het leven gaat. De oud-trainer van onder meer Heerenveen, Feyenoord, Heracles, AZ en FC Twente serveert cappuccino met chocolaatjes, maakt het haardvuur aan en voert zijn dochter Sinne (3) met engelengeduld een prakje.

Sinds hij in april zijn contract bij het Australische Adelaide United opzegde – zijn salaris werd stopgezet door de coronacrisis – is zijn leven ingrijpend veranderd. Voor het eerst staat zijn gezin centraal. En dat is heel wat voor iemand die getrouwd was met zijn werk. „Ik was mijn werk”, zegt hij als we in de leren fauteuils bij het haardvuur plaats hebben genomen. „Ik deed waar ik zin in had, hoefde weinig rekening te houden met anderen. Nu vind ik het vooral belangrijk dat mijn gezin zich veilig en prettig voelt. Ik voel een grote verantwoordelijkheid.”

Opeens begrijp je beter wat oud-Heerenveen-voorzitter Riemer van der Velde bedoelde met zijn uitspraak in het onlangs verschenen boek Gertjan Verbeek. Recht voor z’n raap. „Gert is een geweldige vent”, zei hij. „Goudeerlijk. Sociaal. Loyaal. Betrouwbaar. Een man van zijn woord. Iemand op wie je kunt leunen. Maar je hebt ook Jan. Dat is een eigenwijze hork. Nors, nukkig, weinig diplomatiek. Een bemoeial. Een betweter. Van afstand zie je al met wie je te maken hebt.”

Dat het Gert-deel van hem in de beeldvorming niet bestaat, komt volgens Verbeek doordat mensen in hokjes worden gestopt, zeker als ze wat bekender zijn. „Als een imago eenmaal is gevestigd, wordt alles door dezelfde bril gezien. En geef nou toe, het is interessanter om te schrijven over iemand met een randje dan over een grijze muis.”

Toch valt dat horkerige in de praktijk wel mee, zegt hij. Zijn band met spelers is over het algemeen goed, hij onderhoudt nauwe contacten met hen en kreeg veel appjes bij de verschijning van het boek. Dat alleen zijn aanvaringen met voetballers de publiciteit halen, komt doordat hij discreet is. Zo was nooit naar buiten gekomen dat oud-Heerenveen-speler Orlando Smeekes een paar jaar bij hem inwoonde, als die daar zelf niet in een interview over was begonnen. Smeekes lijdt aan psychische problemen en was een tijd dakloos.

Je was een vaderfiguur voor hem. Heb je meer voetballers zo intensief begeleid?

„Velen. Niet dat ze bij mij inwoonden, maar ik heb hele persoonlijke gesprekken met ze gevoerd. Over hun gok- of alcoholverslaving, gescheiden ouders, financiële schulden. Omdat het me aangreep, maar ook omdat ik besefte dat iemand die niet goed in z’n vel zit, niet naar vermogen kan presteren op het veld. Er zijn voetballers die het verschil niet kennen tussen bruto en netto. Als ze een kwart ton op hun rekening gestort krijgen, geven ze een kwart ton uit. Als trainer kan je daar niet je ogen voor sluiten. Ik herinner me dat we zelfs een leugentje om bestwil hebben verteld toen een speler zó veel bekeuringen achter z’n naam had staan dat hij twee weken de gevangenis in moest. We hadden net een trainingskamp in het buitenland, dus ja, wat moet je dan? Uiteindelijk hebben we maar gezegd dat zijn opa was overleden.”

Toch gek dat geen speler die kant van jou ooit benoemd heeft.

„Omdat ze moeite hebben zich kwetsbaar op te stellen. De meesten schermen hun privéleven af. Waarom is er nog geen voetballer uit de kast gekomen? Dat is toch gek? Ik heb nooit met spelers over hun geaardheid gesproken, maar had wel zo mijn vermoedens. Je snijdt zo’n onderwerp als coach niet aan, dat moet de persoon in kwestie zelf doen. Hetzelfde geldt voor mentale problemen. Dat Gianni Zuiverloon [ADO-verdediger] laatst opmerkte dat 80 procent van de voetballers daaraan lijdt, vind ik heel bijzonder.”

Meerdere mensen in het boek zeggen: Verbeeks karakter is zijn kracht én zwakte.

„Mijn gedrevenheid slaat soms om in fanatisme. Daardoor luister ik slechter en verlies ik mijn geduld. Ben ik te veel aan het woord. Met als gevolg dat mensen afhaken. Mijn fanatisme is mijn valkuil.”

Heeft het je wel eens opgebroken?

Hij denkt lang na. „Opbreken is een groot woord, maar bij Twente werd het wel een probleem. Het was een club in nood toen ik in 2017 coach werd. Ze stonden er slecht voor. Ik merkte vanaf dag één dat mensen vastzaten in hun denken en apathisch reageerden. Het stond op hun voorhoofd geschreven: daar héb je weer iemand die ons uit de penarie wil helpen. Naarmate de weerstand groeide, werd ik fanatieker. Hoe dat eruit ziet zag ik laatst bij Fox sports, waar ze beelden uit die tijd lieten zien.”

Wat zag je?

„Een coach die snel praatte en agressief reageerde op vragen van journalisten. En dat terwijl de wedstrijd nog moest beginnen. Ik denk dat ik me te makkelijk liet triggeren door journalisten.”

Bij Twente werd je ontslagen na vijf maanden, bij Feyenoord na zeven. Zie je parallellen?

„Beide clubs hadden financiële problemen en voldeden sportief niet aan de verwachtingen. Als trainer word je dan al snel de kop van Jut. Iemand moet de schuld krijgen. Er ontstaan krachtenvelden die je niet kunt controleren. In het geval van Feyenoord vind ik dat de directie en ik beter hadden moeten communiceren naar spelers en supporters.”

Nog even over dat fanatisme. Zat dat altijd al in je?

„Ik had dat druistige als kind al. In deze tijd zouden ze het waarschijnlijk als ‘ADHD’ hebben gediagnosticeerd. Mijn moeder zei ooit: ‘Ik hoop dat als jij kinderen krijgt, er een tussen zit die net zo is als jij. Dan weet je wat ik heb doorgemaakt.’”

Is het ook niet rusteloosheid voor een deel?

„Ik ben een doener, wil iets creëren. Een dag niets gecreëerd is een verloren dag. Het geeft mij levenszin. Gelukkig heb ik werk gevonden waarin ik dat kwijt kan. Maar ik had net zo goed aannemer of timmerman kunnen worden.”

Gertjan Verbeek met dochter Sinne. Foto Sake Elzinga

Gerrit Jan Alfons Verbeek is de oudste van drie kinderen. Zijn vader was vertegenwoordiger in sanitair, zijn moeder verpleegkundige. Hoewel hij zich nooit eenzaam heeft gevoeld als kind, kan het geen toeval zijn dat zijn favoriete jeugdboek Alleen op de wereld is, van de Franse schrijver Hector Malot. „Het jongetje Remi moet het alleen opknappen”, zegt Verbeek. „Hij gaat zijn eigen gang. In die zin lijken we op elkaar.”

De kleine Gertjan was een vrijbuiter. Hij trok zich van niemand wat aan en werd al op de kleuterschool naar huis gestuurd omdat hij de kerstboom omver had getrokken.

Zijn gedrag strookte niet met de strenge hand van zijn vader, die van niemand tegenspraak duldde en geregeld van tv-zender veranderde als de rest van het gezin naar een mooie film zat te kijken. „Het was zíjn huis, zíjn tv, zíjn stoel. In mijn puberteit ging dat steeds meer schuren.”

In het boek wordt beschreven hoe je vader en jij letterlijk tegenover elkaar kwamen te staan. ‘Of híj de deur uit, of ik’, zei je vader tegen je moeder.

„Mijn vader heeft nooit fysiek geweld gebruikt. Hooguit gooide hij een pantoffel. Die dag – ik was zeventien – had ik voor het eerst het gevoel dat hij me een klap ging verkopen. ‘Als je me gaat slaan, sla ik terug’, zei ik.”

En je zat in die tijd op boksen.

Hij grinnikt. „Dat zei mijn vader: je denkt zeker dat je sterker bent omdat je op boksen zit. Ik antwoordde dat ik het er niet op aan wilde laten komen. Toen zette hij mijn moeder voor het blok. Die keuze wilde ik haar niet aandoen. Ik ben naar boven gelopen en heb mijn tas ingepakt.”

Best ingrijpend voor een jongen van die leeftijd.

Hij haalt zijn schouders op. „In het begin kwam ik alleen thuis als mijn vader er niet was. Of ik dronk snel een kop koffie en was weer weg. Ik had geen zin in problemen. Pas later, zo rond mijn vierentwintigste, stelde ik mezelf de vraag: wil ik een band met mijn vader of niet? Het antwoord was ja, dus moest ik hem accepteren zoals hij was. Niet dat ik veel met hem deelde, maar de verstandhouding werd wel stukken beter.”

Toen hij dement werd heb je hem zelfs verpleegd.

„Dat heeft met loyaliteit te maken. Wat ik heb bereikt heb ik deels aan mijn vader te danken. Voor hem was het nooit goed genoeg. Een zes had een zeven moeten zijn. Vielen er drie goals, dan begon hij over de slechte balaanname in de 86ste minuut. Daardoor kreeg ik een enorme geldingsdrang. Ik wilde laten zien dat ik wel degelijk iets waard was.”

Heeft het je aan het denken gezet over je eigen rol als vader?

Verbeek drukt zich op uit zijn stoel, loopt naar de haard en pookt die op. „Ik ben een andere vader dan mijn vader”, zegt hij. „Ik heb veel meer geduld, meer aandacht voor mijn kind. Mij zal je niet horen zeggen: dit is mijn huis, mijn stoel, mijn tv. Wat niet wegneemt dat ik mezelf in mijn vader herken. Misschien wel meer dan mij lief is.”

Verbeek geniet van zijn nieuwe leven. Hij verdeelt zijn tijd tussen zijn gezin, het bouwen van huizen en analyse-werk voor de televisiezender Fox Sports. „Bij mij is het elke dag zondag”, zegt hij. „Ik hoef niks.”

En toch is hij nog niet klaar met voetbal. Daarvoor is hij nog te jong en bevlogen. Een jaar of negen kan hij nog wel mee. „Dan is Sinne twaalf en gaat ze naar de grote school. Met wat geluk ben ik dan nog fit en ga ik genieten van mijn oude dag.”

Foppe de Haan en Johan Derksen zien je als directeur van een voetbalclub. Jij zelf ook?

„Het is geen doel, maar een ambitie. Ik heb veel kennis en ervaring opgedaan in de loop der jaren. Maar coach worden bij een club met leuke mensen en een heldere visie zie ik ook best zitten. Het niveau maakt mij niet uit, keukenkampioen of Eredivisie.”

Volgens Derksen is de subtop je plafond als coach. Voor een topclub had je flexibeler moeten zijn, zegt hij in het boek.

„Ik denk dat veel trainers zouden tekenen voor wat ik heb bereikt. Ik was al acht jaar hoofdtrainer voor ik mijn eerste ontslag kreeg.”

Vind je het grievend?

„Grievend niet. Als coach ben je ook afhankelijk van de omstandigheden, van toeval. Neem Ronald Koeman. Die werd ontslagen bij Valencia en AZ, maar stapte op het goede moment in bij Feyenoord. Had de club toen nog in de shit gezeten, dan was hij waarschijnlijk nooit bij het Nederlands elftal terechtgekomen. Dan was het verhaal Koeman finished. Goede timing is in voetbal niet onbelangrijk, maar die kun je lang niet altijd naar je hand zetten.”

Eddy van der Ley: Gertjan Verbeek. Recht voor z’n raap. Uitgeverij Inside, 272 blz. € 22,99