Brief van Jules Schelvis uit nazi-kamp na 75 jaar bezorgd

Holocaust Jules Schelvis schreef vlak na zijn bevrijding uit het kamp een urgente brief aan zijn familie in Nederland. Die kwam nooit aan.

Foto David van Dam

Het trauma was nog rauw toen Jules Schelvis op 7 mei 1945 potlood op papier zette om een brief te schrijven aan familie in Nederland. Nazi-Duitsland zou pas een dag later capituleren, maar Schelvis bevond zich in de ziekenbarak van een reeds bevrijd kamp. Hij had de doodsfabriek Sobibor overleefd en wilde zijn familie laten weten hoe het met hem ging. De man aan wie hij de brief meegaf, zou het tweezijdig beschreven velletje echter nooit afleveren. Pas deze zondag, ruim 75 jaar later, kreeg Schelvis’ neef Karel Stroz, een van de geadresseerden, het historische document eindelijk bezorgd. Onderzoeker Jos Sinnema van Verzetsmuseum Amsterdam ontdekte de brief onlangs stomtoevallig. „Ik viel letterlijk achterover in mijn stoel toen ik zag wat ik in mijn handen had”, zegt hij.

De Joodse Jules Schelvis (1921-2016) was een van de bekendste Holocaust-overlevenden van Nederland. In juni 1943 werd hij vervoerd naar vernietigingskamp Sobibor, waar hij aan onmiddellijke vergassing ontsnapte omdat hij buiten het kamp te werk werd gesteld. Zijn vrouw en haar ouders werden wel meteen vermoord. Schelvis overleefde een helletocht langs zeven kampen voor hij in april 1945 in Kamp Vaihingen bij Stuttgart werd bevrijd, doodziek van de vlektyfus. Na zijn pensionering legde hij uitvoerig getuigenis af van wat hem in de oorlog overkomen was, in schoolklassen, op tv en op papier. In 1993 publiceerde hij het standaardwerk Vernietigingskamp Sobibor.

‘Zeer slechte mededelingen’

Zo ver was het nog niet toen begin mei 1945 de Nederlander Nico Staal, zelf afkomstig uit concentratiekamp Dachau en op weg naar huis, zich aan Schelvis’ bed meldde. Jules schreef snel een brief aan zijn tante, oom en neef Annie, Isaac en Karel Stroz. „Helaas heb ik, zoals je misschien wel op de hoogte zult zijn, zeer slechte mededelingen. Van onze zeven huisgenoten (...) moet ik schrijven dat naar ik kan aannemen, alleen ik ben overgebleven. De anderen zijn, helaas moet ik je het mededelen, niet meer in leven. Er moet wel een wonder gebeurd zijn, als één van hen terug komt. [Ze zijn] naar ik aanneem voor 99%, direct bij aankomst in het SS SONDERLAGER – SOBIBOR, bij Lublin, vergast.”

Even verderop verontschuldigde Schelvis zich voor zijn toon: „Ik schrijf dit alles zo koud, daar het vele, wat ik heb gezien en zelf heb meegemaakt, mij hard heeft gemaakt. Het zal je wel pijn doen, dit alles te lezen, maar ik moet het je toch schrijven.”

Schelvis had geen idee hoe hij de oorlog had overleefd, schreef hij. „Ikzelf ben als door een bovenmenselijke macht in leven gebleven, vele malen stond ik voor de dood. Vele beslissingen heb ik moeten nemen, beslissingen die leven of dood betekenden. Doch steeds was het lot mij gunstig.”

Helaas voor Schelvis’ familie kwam deze brief dus nooit bij hen aan, vertelt Jos Sinnema van het Verzetsmuseum. Hij ontdekte het document toen hij onderzoek deed naar de legendarische verzetsman Pim Boellaard, die in Dachau heeft gezeten. „Ik kwam erachter dat niet Boelaard, maar Nico Staal als eerste gevangene in Nederland was aangekomen om hulp te vragen voor de mannen die nog in Dachau zaten. Bij Staals zoon mocht ik thuis de papieren van zijn vader bestuderen. Die zoon had er nooit in gekeken, omdat het oorlogsverleden van zijn vader geen prettige herinnering voor de familie was.”

Veilig op anderhalve meter afstand nam Sinnema de stapel papieren door. De meeste brieven en kaarten waren afkomstig van mensen die Staal vroegen om informatie over familieleden die naar Dachau waren afgevoerd. Opeens stuitte Sinnema echter op een brief waarin in grote letters SOBIBOR geschreven stond. „Ik dacht: wat is dit nu? Van de 34.000 Nederlanders die naar dit kamp zijn afgevoerd, hebben er maar achttien de oorlog overleefd. Dit was dus een zeer belangrijk tijdsdocument. Ik draaide de brief om en zag de handtekening van Jules Schelvis staan. ”

Jules Schelvis. Foto David van Dam

Sinnema heeft geen idee waarom Staal deze belangrijke brief nooit bezorgd heeft. „Schelvis had er drie adressen op geschreven, voor het geval de familie Stroz ook de oorlog niet overleefd had. Staal werd na thuiskomst overspoeld met vragen van familieleden van gevangenen uit Dachau. Misschien is hij de brief gewoon vergeten.” Neef Karel (90) wilde de brief graag alsnog lezen, maar vond dat zo’n bijzonder document meer op zijn plek was in een museum, zegt Sinnema. „De brief van Jules Schelvis wordt daarom vanaf maandag tentoongesteld in de entreehal van Verzetsmuseum Amsterdam. We zijn heel verheugd om deze brief in collectie te kunnen hebben, ook vanwege de hechte band die het museum met Jules Schelvis had. Het museum biedt al jarenlang plek aan de jaarlijkse Sobibor-bijeenkomst van Stichting Sobibor, die door Jules is opgericht.”

Sinnema is erg onder de indruk van de brief van Schelvis. „Ik lees veel boeken over de Holocaust, maar hiervan heb ik echt een nacht niet goed geslapen. Je zit zó dicht op de verschrikking van de oorlog. Je bent echt even dicht bij hem.”