Opinie

Het vertrek van De Jonge, Kaags sores: als marketing de inhoud overwoekert

Deze week: het verband tussen de aftocht van De Jonge en de besognes van Kaag. Ofwel: hoe het vertrek van de CDA-lijsttrekker en een #metoo-kwestie bij D66 de kwetsbaarheid van marketing als politiek instrument illustreren.

Ze hadden in de partijtop afgesproken, hoorde ik donderdagmiddag, dat op het CDA-congres dit weekeinde een reeks partijprominenten onvoorwaardelijke steun aan de lijsttrekker zou uitspreken. Samen voor Hugo de Jonge.

Ook Wopke Hoekstra had zijn medewerking toegezegd.

En het typeerde de situatie dat CDA-prominenten, net als trouwens premier Rutte (VVD), donderdag overdag niet wisten dat De Jonge die ochtend, in een gesprek op Volksgezondheid met onder meer partijvoorzitter Rutger Ploum en fractievoorzitter Pieter Heerma, zijn lijsttrekkerschap had neergelegd.

Want rond De Jonge en Ploum dachten ze: nu even geen lekken meer.

Sinds de zomer had het CDA zich tegenover De Jonge opgesteld als klassieke machtspartij: opportunistisch en meedogenloos. Zijn nipte zege op Pieter Omtzigt in de strijd om het partijleiderschap bleek achteraf niet het einde maar het begin van een wreed verzet tegen de legitimiteit van zijn positie.

Onvrede in het kabinet over zijn coronaministerschap vermengde zich daarna met somberte in het CDA over zijn kansen als lijsttrekker. Medestanders van zijn eerdere opponenten, Pieter Omtzigt en Mona Keijzer, noemden hem een dead man walking. De peilingen bewogen niet, corona bleef onvoorspelbaar – en het CDA liet hem vallen volgens het instinct van een machtspartij, dat altijd neerkomt op dezelfde keuze: machtspartij blijven.

Hugo de Jonge werd niet afgeserveerd. Hugo de Jonge werd alleen gelaten.

Collega-CDA-bewindslieden, over wie hij formeel de leiding had, keerden zich begin november in ruziënde kabinetssessies stuk voor stuk tegen zijn coronavoorstellen. Prominente CDA-Kamerleden sloegen zijn verzoeken in de wind. Mona Keijzer zette zich op het laatst openlijk af tegen zijn keuzes. De anonieme kritiek in de kranten ging van kwaad tot erger. De voorzitter kwam vaker bij hem informeren – of het nog ging.

Zo maakte Hugo de Jonge donderdagmorgen zelf een einde aan een leiderschap dat zijn partijgenoten hem allang hadden ontnomen.

Het congres van dit weekeinde werd opgeschort, en je zag ze in de partij hopen dat het niet lang zou duren voordat Wopke Hoekstra toch zijn onvoorwaardelijke steun zou uitspreken – aan zichzelf.

Het was een drama waarbij meer op het spel stond dan alleen het CDA. In de partij merkten ze dit zelf ook.

Het bleek uit contacten die oud-VVD-ministers als Ivo Opstelten, Ed Nijpels en Loek Hermans de laatste maanden namens Mark Rutte legden met CDA-prominenten.

De premier, vertelden de oud-VVD-politici, was er beslist niet op uit het CDA in de campagne kapot te spelen: een uitgekleed CDA dat niet beschikbaar is voor regeren, zoals in 2012, is het laatste, zeiden ze, waar Rutte op uit is. Dat compliceert niet alleen de regeerbaarheid van het land, dat maakt het voor hem ook lastiger een stabiel kabinet te vormen.

Het waren berichten die in het CDA wat rust gaven – maar nooit voor lang.

Mensen die met De Jonge werkten, zagen in hem de domineeszoon die zijn handelsmerk ontleende aan Genesis: ‘En God zeide: daar zij licht! en daar werd licht.’

Hij wilde vooroplopen. De weg wijzen. Als minister het goede zeggen en zo goed coronagedrag afdwingen, in de zorg en daarbuiten.

Maar te vaak waren ze in de zorg, dat gedecentraliseerde werkveld met oneindig veel instellingen en afkortingen, ongeneigd zijn woord te volgen. Te vaak hadden burgers eigen interpretaties van het goede. Te vaak maakte hij zijn eigen woorden niet waar.

De ene week een routekaart voor coronabeleid, een paar weken later: routekaart achterhaald. De ene week vaccinatie vanaf 4 januari, de volgende: vaccinatie vanaf 4 januari achterhaald.

Het gaf zijn tegenspelers binnen het CDA zuurstof, en dat was niet alleen machtsspel. Ook CDA’ers die De Jonge ter wille waren, merkten dat zijn centralistische kijk op de zorg voorbijging aan klassieke CDA-opvattingen. Want als één sector volgens christen-democratische principes is gebouwd, is het de zorg: het idee dat de maatschappij zelf, niet de overheid, bepaalt hoe zij wordt ingericht, dicht bij mensen, in hun eigen domein – alles volgens CDA-kernbegrippen als soevereiniteit in eigen kring, subsidiariteit en decentralisatie.

Het pijnlijke was: bezorgde partijprominenten vroegen zich af of De Jonge zich dit realiseerde. Ze citeerden onderling Ernst Hirsch Ballin, oud-minister van Justitie, die vaak klaagt dat politiek, ook CDA-politiek, te veel om marketing en te weinig om inhoud gaat. En nu had de partij zelfs een leider die de eigen kernwaarden op basis van beeldvorming, slogans en hypes overboord leek te gooien.

De vrees werd in het najaar versterkt door discussies over de zorgparagraaf in het verkiezingsprogramma: De Jonge bleek, begreep ik, amper in staat de commissie van zijn opvattingen over de zorg te overtuigen. De slotsom: de commissie nam zijn woorden maar meestal niet zijn standpunten over, met een „onbruikbare tekst” als resultaat, aldus een betrokkene.

Hugo de Jonge schakelde ook zichzelf uit.

En het was puur toeval, maar deze week had ook een lijsttrekker van een andere middenpartij problemen: Sigrid Kaag (D66).

Zij zeilde eerder moeiteloos naar het partijleiderschap. Maar in grote debatten is ze onzichtbaar, en zij spreekt vaker in algemeenheden („de waarden”) dan over ideeën. Dat heeft al veel van politiek als marketing.

Het wordt ongemakkelijk als haar aanhang in de campagne het belang van haar sneakers benadrukt, en zijzelf in socialemediaposts erg weinig affiniteit met het normale leven toont. Een poging jonge vrouwen tot gewaagde keuzes te stimuleren met een herinnering aan haar eigen dilemma uit 1985 (naar de universiteit in Oxford, Cambridge of Exeter?) is misschien niet effectief. Armoedebestrijding begin je niet in Wassenaar.

En dan was er de pijnlijkste kwestie deze week: Kaag besloot na een anonieme melding tot #metoo-onderzoek naar partijprominent Frans van Drimmelen. Een vooraanstaande lobbyist met uitstekende contacten in de huidige en de vorige partijtop (Alexander Pechtold, Ingrid van Engelshoven), en jarenlang talentscout van de partij. Zelf schudde ik Kaag voor het eerst de hand op een borrel van Van Drimmelen, die zich al voor Pechtolds vertrek beijverde voor haar als zijn opvolger.

Het zou natuurlijk vreemd zijn een vrouwelijke leider #metoo-misdragingen van mannen te verwijten. Maar nu onderdelen van de melding tegen Van Drimmelen zijn bevestigd door een D66-betrokkene, en Kaag vrouwen aanspoort andere #metoo-meldingen te doen, dreigt D66 te worden opgezadeld met een pijnlijke keerzijde van de eigen vakkundige marketing: als #metoo zich vaker voordeed in een partij die zich zo nadrukkelijk voorstaat op het belang van vrouwenrechten, kan de schade nogal in de politieke papieren lopen.

Een land dat zijn middenpartijen verliest loopt het gevaar naar Angelsaksisch voorbeeld politiek in tweeën te splitsen. Het soort radicalisering waarvan alleen mediatycoons als Rupert Murdoch profiteren. Dus dit gaat over meer dan alleen het CDA of D66: dit gaat over de politiek-culturele inrichting van het land.

Nu hebben middenpartijen de interessante eigenschap dat hun basis versmalt maar hun electorale potentie groot blijft. Het CDA toonde dit ettelijke malen aan. Toch liet de week wel zien dat deze partijen, met hun soms te gretige omarming van marketing als politiek instrument, voortreffelijk in staat zijn zichzelf serieus te verwonden.