Werkloos worden is ‘niet zo’n ding’ voor de Denen. Hoe is dat zo gegroeid?

Flexicurity Soepel ontslag én een royaal sociaal vangnet – hoelang kan de staatskas dat trekken? Heel lang, bewijzen ze in Denemarken. Het Deense model voor de arbeidsmarkt is al een eeuw modern.

Inpakkers in glasfabriek Holmegaard in Fensmark, Denemarken, in 1954.
Inpakkers in glasfabriek Holmegaard in Fensmark, Denemarken, in 1954. Foto Willem van de Poll/Nationaal Archief

Hoe stimuleer je dynamiek op de arbeidsmarkt? Simpel, door ontslagbescherming beperkt te houden. Dat doen ze in Denemarken inmiddels al ruim een eeuw. Je bent er zo je baan kwijt.

Waarom behoren Denen dan toch tot de gelukkigste werknemers ter wereld? Nou, áls ze hun baan kwijtraken, wordt het salaris door de overheid maximaal twee jaar tot aan 90 procent doorbetaald. En is er een breed palet aan opleidingen beschikbaar die je voorbereiden op een nieuwe baan – niet zelden in een compleet andere sector.

Dat is, in een notendop, het Deense model. Søren Kaj Andersen, onderzoeker en arbeidsmarktexpert aan de universiteit van Kopenhagen, kan enig chauvinisme niet onderdrukken. „Toen de wereld begin jaren negentig drastisch veranderde door onder meer de val van de Sovjet-Unie, werd vaak gezegd: die arbeidsmarkten in Noord-Europese landen gaan dat niet overleven.”

Een te royaal sociaal vangnet, een van de pijlers onder het Deense model, zou de concurrentiepositie van het land te zeer ondergraven. Het moest wellicht allemaal soberder. „Maar zie, het is er nog steeds en we zijn als land nog altijd concurrerend.”

Andersen – modieuze jaren-70-bril boven een rossige baard – maakt een opgewekte indruk. Dat komt ook door de aanwezigheid van zijn collega Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan Tilburg University, in deze online interviewsessie. Ze kennen elkaar al geruime tijd en vinden het leuk elkaar weer eens te zien, ook al is het op een laptopscherm.

Lees ook: Het goede voorbeeld komt altijd uit Scandinavië

Als Andersen over Wilthagen spreekt, klinkt daar respect in door. Immers: het was de Tilburgse hoogleraar die de Denen er rond de millenniumwisseling op wees dat zij een bijzonder model in handen hadden. Wilthagen bedacht er zelfs een term voor, die de Denen tot op de dag van vandaag gebruiken: flexicurity. Destijds waren onderzoekers, aangemoedigd door de EU, op zoek naar best practices waarin arbeidsflexibiliteit én een stevig sociaal vangnet goed aan elkaar werden gekoppeld. In Denemarken bleken ze dat allang te doen, ontdekte Wilthagen.

„Wat grappig is”, glimlacht Andersen, „is dat wij ons model destijds helemaal niet als vooruitstrevend en flexibel zagen. Het was in een eeuw tijd zo gegroeid, dus nooit vooraf zo bedacht. Het was er gewoon. Ton zette het in internationaal perspectief en toen gingen onze ogen open.”

Twee paarden

De geringe ontslagbescherming komt oorspronkelijk voort uit het feit dat de Deense economie vooral uit midden- en kleinbedrijf bestond. Die ondernemers hadden geen middelen om boventallige werknemers voor langere tijd te ondersteunen. Dat snapten de vakbonden daar ook goed, dus kwam de staat om de hoek voor overbrugging. En in een dergelijk kleine economie als de Deense, is het vaak onmogelijk om in dezelfde sector weer een baan te vinden. Dus was het noodzaak om bij- of herscholing sectoroverstijgend te maken.

Wat Wilthagen en een aantal van zijn collega’s deden, was de Deense aanpak begin deze eeuw wél tot een model bombarderen. Als andere Europese landen op zoek waren naar meer arbeidsmobiliteit, moesten ze ten noorden van Duitsland gaan kijken.

De garantie op werk is belangrijker dan de garantie op een baan

Ton Wilthagen hoogleraar arbeidsmarkt

Wilthagen: „Uiteindelijk keek iedereen naar Denemarken, maar ook naar Nederland trouwens. Dat waren de twee paarden waarop werd gewed voor vernieuwing. Met het verschil dat in Nederland flexibele banen een opstapje moesten zijn naar een vaste baan, terwijl in Denemarken die vaste baan dus juist flexibeler is.”

Hoewel Wilthagen de afgelopen twee decennia onvermoeibaar ambassadeur is geweest van de Deense aanpak, is de belofte van dit model in Nederland nooit ingelost. Opeenvolgende crises sinds de tweede helft van de jaren negentig maakten juist dat vakbonden en wetgevers er alles aan deden vaste banen vaster te maken.

‘Flex’ kreeg volop de ruimte en vervolgens een negatieve bijklank door het explosief groeiend aantal flexwerkers. Grote bedrijven zijn steeds vaker geneigd zelf cao’s af te sluiten, waardoor de arbeidsvoorwaarden van groepen werknemers – vooral aan de onderkant – vaak verslechteren. Intussen is gemiddeld nog zo’n 16 procent van de Nederlandse werknemers lid van een vakbond.

Wilthagen: „Dat alles overziend, kun je zeggen dat wij juist veel verder zijn afgedreven van het idee van flexicurity. In Denemarken hebben ze het gewoon veel beter gedaan en standgehouden. In Nederland zie ik zoiets niet meer van de grond komen.”

Arbeidswetgeving

Andersen herkent wat Wilthagen zegt. In Denemarken werden de wenkbrauwen bijvoorbeeld gefronst toen ze hoorden dat werkgevers in Nederland twee jaar moeten doorbetalen bij ziekte. Ondanks de sociaal-democratische wortels van de samenleving, met circa 70 procent vakbondsleden, zou een dergelijke ingreep in de Deense verhoudingen ondenkbaar zijn. De lasten komen dan te veel op de schouders van één partij, wat de collectieve verantwoordelijkheid ondergraaft. „Zowel werkgevers, werknemers als de overheid geloven nog altijd dat met samenwerking dynamiek en flexibiliteit kan worden bereikt. Dat doet er echt toe”, zegt Andersen.

Grappig: wij zagen ons model helemaal niet als vooruitstrevend en flexibel

Søren Kaj Andersen arbeidsmarktexpert

In Denemarken is dan ook veel minder arbeidswetgeving dan in Nederland. Met flexicurity als basis worden de meeste afspraken over arbeidsvoorwaarden vastgelegd in collectieve afspraken tussen werkgevers en bonden. Andersen: „Daarbij is onderling vertrouwen heel belangrijk.”

De overheid verstrekt niet alleen uitkeringen, maar is met cao-partijen ook verantwoordelijk voor scholingstrajecten. Zo biedt ze een breed scala aan omscholingscursussen die vergoed worden. In Nederland zit het geld daarvoor vaak vast in sectorale potjes. Dat maakt het minder gangbaar dat werknemers van de ene bedrijfstak naar de andere overstappen.

Lees ook: Pandemie verdiept sociale kloof in flexland Nederland

Natuurlijk is ook het Deense model niet honderd procent perfect. Zo is voor hogergeschoolden de terugval in inkomen vaak relatief groot, omdat vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt de uitkeringen worden aangevuld tot 90 procent. Daardoor is er voor mensen met hogere salarissen ook een particuliere verzekeringsmarkt ontstaan, om al te grote klappen op te vangen bij ontslag. Verder zorgt de instroom van Oost-Europeanen voor discussie: in hoeverre ondergraven zij de positie van Deense werknemers?

Andersen: „We zien hier ook een toename in het aantal flexwerkers, maar dat is op een heel andere schaal dan in Nederland.”

Dat beaamt Wilthagen: „In ons land bestaat 40 procent van de werkgelegenheid uit flexbanen en zzp’ers. Dat heeft voor banengroei gezorgd, maar die is nooit duurzaam geworden. In Nederland is het simpelweg niet gelukt het vaste contract aantrekkelijker te maken voor iedereen, dus ook voor werkgevers.”

Garantie op werk

In Denemarken hebben ze dat probleem niet. Ondanks het hoge aantal vaste contracten verandert ongeveer een derde van de Deense beroepsbevolking jaarlijks van baan. Allemaal dankzij die ‘gouden driehoek’ van geringe ontslagbescherming, een stevig sociaal vangnet en scholing. In Nederland draait vooral de flexwerker op voor die dynamiek.

Hoewel Wilthagen een grootschalige switch naar het Deense model niet meer ziet gebeuren, zegt hij dat er nog altijd veel zaken zijn waarvan we van de Denen kunnen leren. „Werkloosheid is daar voor werknemers gewoon niet zo’n ding. Dat geloofde ik ook niet, totdat ik het daar zag. Dat toont maar aan dat de garantie op werk belangrijker is dan de garantie op een baan. En daar moeten wij, met Denemarken in het achterhoofd, over blijven nadenken.”