Opinie

Waarborg maximaal onafhankelijk onderzoek bij claims op roofkunst

Roofkunst Een commissie boog zich over de teruggave van naziroofkunst. weegt het rapport en dringt aan op een nóg rechtvaardiger restitutiebeleid.
Wassily Kandinsky: ‘Blick auf Murnau mit Kirche’ (1910). Dit schilderij werd geclaimd door de erven Stern-Lippmann. De Restitutiecommissie wees het in 2018 toe aan de gemeente Eindhoven. Het hangt in het Van Abbemuseum.
Wassily Kandinsky: ‘Blick auf Murnau mit Kirche’ (1910). Dit schilderij werd geclaimd door de erven Stern-Lippmann. De Restitutiecommissie wees het in 2018 toe aan de gemeente Eindhoven. Het hangt in het Van Abbemuseum.

Het rapport van de Adviescommissie restitutie cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog heeft nogal wat losgemaakt in de Nederlandse pers. De door Jacob Kohnstamm voorgezeten commissie had als opdracht het huidige beleid omtrent geroofde kunst uit de Tweede Wereldoorlog te evalueren en te adviseren over mogelijke verbeteringen.

Dit alles staat uiteraard niet los van de kritiek die nationaal en internationaal is geuit op de Restitutiecommissie (RC) die de minister van OCW adviseert over individuele claims op objecten uit de rijkscollectie. Bij die kritiek was een kernvraag in hoeverre de RC het belang van het betreffende kunstwerk voor het museum waar het zich thans bevindt mag afzetten tegen de belangen van de claimanten.

Een dergelijke afweging hanteerde de RC bijvoorbeeld in 2018 bij de behandeling van de claim van de erven Lewenstein op het schilderij ‘Bild mit Häusern’ (1909) van Wassily Kandinsky in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De commissie was duidelijk: de belangen van de rechthebbende erfgenamen kunnen nooit worden aangetast door de belangen van een museum. Een zeer duidelijke en geheel terechte uitspraak van de commissie.

Kohnstamm en de zijnen deden echter veel meer, ze keken of het restitutiebeleid in het algemeen voldoet aan de eisen. De commissie concludeert dat de aanbevelingen van de toenmalige commissie-Ekkart uit 2001 en 2003 nog altijd het beste uitgangspunt vormen en de basis zijn voor de goede reputatie die het Nederlandse restitutiebeleid in de loop der jaren heeft verworven. Een conclusie die uiteraard voldoening geeft aan deze voorzitter van de toenmalige commissie.

Latere beleidsaanpassingen vertroebelden het beeld en stichtten verwarring, zoals de juist genoemde bepaling over de afweging van belangen. Om een en ander te stroomlijnen heeft de Commissie Kohnstamm de basisregels voor het beleid gevat in een nieuw beoordelingskader, bij wijze van aanknopingspunt voor een zorgvuldige en transparante afweging van claims.

Lees ook dit interview met Jacob Kohnstamm: ‘Is er een rechthebbende, dan moet je restitueren’.

Ruime aandacht

Het rapport besteedt ruime aandacht aan het feit dat in Nederland sinds 2007 geen onderzoek meer wordt verricht naar de zogeheten NK-collectie, zoals de nog onder beheer van de Nederlandse staat staande kunstwerken worden aangeduid die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland zijn teruggevoerd. Het rapport Kohnstamm suggereert nu dat er voor vele honderden objecten compleet nieuw onderzoek moet worden verricht.

Maar zo dramatisch is het niet. Het door het Bureau Herkomst Gezocht (BHG) uitgevoerde onderzoek, was op een paar lacunes na in 2007 al afgerond. Via de indertijd opgebouwde database kan gemakkelijk worden nagegaan wat die lacunes zijn. Daarnaast moet de eerder vergaarde kennis worden geactualiseerd aan de hand van intussen beschikbaar gekomen informatie, zoals rapporten van de RC, publicaties en in het buitenland nieuw opgebouwde databestanden.

Er komt maar een gering deel van de NK-collectie in aanmerking voor onderzoek. Een aanzienlijk deel is geen roofgoed maar door de Duitsers gewoon in de handel verworven. Bovendien zit er niets anders op dan ons te realiseren dat er voor een deel van de verdachte objecten geen enkele hoop bestaat om ooit rechthebbenden te vinden. Daarvoor zijn de aanknopingspunten over de herkomst te cryptisch, of ze ontbreken volledig.

Tegenspreken

Dit zijn nuanceringen op de conclusies van de commissie, maar op één punt is er reden om de aanbevelingen tegen te spreken. De commissie stelt terecht dat er bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een helpdesk moet worden ingericht, die wordt belast met de informatievoorziening over het Nederlandse restitutiebeleid. Die helpdesk dient ook de traditionele taken van het Bureau Herkomst Gezocht over te nemen en alle belanghebbenden te ondersteunen en wegwijs te maken bij hun zoektocht. Datzelfde steunpunt zal ook contact opnemen met mogelijke rechthebbenden om hen te wijzen op hun eventuele rechten. Het algemene herkomstonderzoek voor de databases én voor de opsporing van rechthebbenden is echter door de commissie neergelegd bij het Expertisecentrum Restitutie (ECR) van het NIOD. Daar wordt ook het formele herkomstonderzoek voor de Restitutiecommissie verricht.

In de ogen van Kohnstamm zijn beide soorten van onderzoek blijkbaar hetzelfde, maar dat is een ernstige misvatting van de praktijk. De opstelling van een herkomstrapport voor de RC is de opbouw van een dossierstuk, waarbij het uiterste wordt gedaan om alle potentieel bestaande informatie boven water te krijgen over vroegere eigenaren en over de vraag of zij een kunstwerk vrijwillig of onvrijwillig zijn kwijtgeraakt. Het herkomstonderzoek kan, gezien de aantallen kunstwerken die moeten worden onderzocht, nooit tot een dergelijke diepte worden uitgevoerd. Soms komt een complete eigendomsgeschiedenis tevoorschijn, maar niet zelden moet na gedegen onderzoek toch worden geconstateerd dat er geen of te weinig gegevens te vinden zijn. De incomplete gegevens worden gepubliceerd, in de hoop dat ze informatie opleveren die bij het eigen onderzoek niet gevonden konden worden.

Ik zie ernstige bezwaren tegen een combinatie van deze twee soorten onderzoek bij dezelfde onderzoeksgroep. Die zijn deels praktisch van aard maar vooral principieel. Praktisch, aangezien bij het gewone herkomstonderzoek niet zelden contact met familieleden van vroegere eigenaars leidt tot een doorbraak in het onderzoek of in ieder geval tot nieuwe inzichten waarmee de onderzoeker verder kan komen. Maar in het commissievoorstel ontbreekt ruimte voor direct contact tussen onderzoekers en potentiële rechthebbenden.

Lees ook: Erven beschuldigen commissie van ‘partijdigheid’ bij teruggave oorlogskunst

Maximale onafhankelijkheid

Belangrijker is het principiële punt dat het onderzoek voor een bij de RC neergelegde claim een maximale onafhankelijkheid vereist. De onderzoeker heeft de beschikking over de resultaten van het eerdere onderzoek en ook over de gegevens die door de partijen in die zaak zijn aangeleverd. Al die gegevens worden door de onderzoeker gewogen en met elkaar vergeleken.

Daarna wordt bekeken wat er nog aan informatie ontbreekt en moet worden gezocht. De betrokken partijen hebben er recht op dat de betreffende onderzoeker niet dezelfde is als die verantwoordelijk was voor het eerdere in de database opgeslagen onderzoek. En hij moet ook niet aan een bureau zitten naast dat van degene die dat onderzoek heeft uitgevoerd. Sinds de oprichting van de RC in 2001 is juist een dergelijke scheiding gehanteerd en is altijd nadrukkelijk elke verdenking van achterkamertjespolitiek vermeden.

Om deze garantie te handhaven is het noodzakelijk dat het basisonderzoek ten behoeve van de databases wordt uitgevoerd door de bij RCE gevestigde helpdesk, die daarbij vrij is om informatie in te winnen bij mensen die eventueel belanghebbenden zijn. En het spreekt vanzelf dat dan ook het beheer van de database waarin de resultaten van het onderzoek worden opgeslagen, samen met de resultaten van eerder onderzoek wordt gesuperviseerd door de helpdesk.

De onderzoekers van het NIOD kunnen uiteraard uit die database alle voor hun werkzaamheden noodzakelijke informatie krijgen, maar moeten bij het begin van hun onderzoek blanco tegen de materie aan kunnen kijken.

Wanneer de minister bij het overnemen van de adviezen van de Commissie Kohnstamm rekening houdt met de hier bepleite zorgvuldige scheiding van taken, lijkt niets meer de weg naar een rechtvaardig en moreel verantwoord restitutiebeleid in de weg te staan.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.