Analyse

Rechtsstaat slaat wonden in Unie

Europa De Europese regeringsleiders vonden een uitweg uit de begrotingscrisis. Eindelijk moesten ze een keer praten over de rechtsstaat.

Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, en Angela Merkel, de Duitse bondskanselier en tijdelijk EU-voorzitter, vrijdag in Brussel.
Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, en Angela Merkel, de Duitse bondskanselier en tijdelijk EU-voorzitter, vrijdag in Brussel. Foto Johanna Geron/EPA

Discussies in Brussel verlopen wel vaker fel en hard. Maar gaat het over de rechtsstaat, dan wordt het al snel heel ongemakkelijk. Je zag het aan de manier waarop bondskanselier Angela Merkel vrijdag, na een lange EU-top, aarzelend sprak over een „moeizaam thema” dat tot „diepe verwondingen” had geleid. Maar, zei ze ook: „Om meningsverschillen kan je niet heen blijven praten, zeker niet als het om rechtsstaat gaat.”

Lees ook over het akkoord dat op de EU-top werd bereikt

Het was de slotsom van een aantal weken waarin het ongemakkelijke onderwerp plots aan de oppervlakte kwam. Voor het eerst bereikte het gesprek over de afbreuk van de rechtsstaat in Europa het allerhoogste politieke niveau en werd het onderdeel van een breed publiek debat. Het werd besproken in televisiejournaals, talkshows, nationale parlementen.

Dat gebeurde de afgelopen jaren nog niet eerder op deze schaal. Af en toe klonken er wel bezorgde geluiden, uit Brussel of andere hoofdsteden, over de ontwikkelingen in met name Polen en Hongarije. Een Artikel 7-procedure, de noodprocedure waarmee een lidstaat stemrecht kan worden ontnomen, zette het onderwerp in Brussel blijvend op de agenda. Maar in de Europese politiek waren er altijd andere thema’s die urgenter waren – omdat dat beter uitkwam. Elkaar aanspreken op iets wat toch vooral een nationale bevoegdheid is – het rechtssysteem – is in Europa eigenlijk not done. Rechtssystemen vergelijken is bovendien lastig. Een jij-bak ligt steeds op de loer.

‘Die Nederlandse gast’

Op het niveau van de regeringsleiders werd het onderwerp ‘rechtsstaat’ zelfs nooit besproken. Het werd overgelaten aan de Commissie, of aan ministerraden op een ‘lager’ niveau. Pas tijdens de ‘marathontop’ afgelopen juli, waar regeringsleiders vier dagen en nachten onderhandelden over een gigantisch begrotingspakket, ontspon zich op een late zaterdagavond voor het eerst een discussie. Het bleef niet gezellig. De zondagochtend erna haalde de Hongaarse premier Viktor Orbán voor draaiende camera’s hard uit naar „die Nederlandse gast” die het in de discussies op hem gemunt zou hebben. Orbán: „Ik weet niet waarom hij mij haat!”

De uitkomst was toen een formulering voor nieuwe rechtsstaatvoorwaarden die zo vaag was dat iedereen het kon uitleggen als een overwinning. Daarmee was de crisis van later dit jaar eigenlijk al ingebakken. Maar in Brussel was er tot het laatste moment hoop dat Orban en zijn Poolse collega Mateusz Morawiecki uiteindelijk wel zouden toegeven als ook hun EU-fondsen in gevaar kwamen.

Escalatieladder

Dat de twee landen daadwerkelijk bereid waren de begroting in gijzeling te nemen, schudde velen in de EU daarmee ruw, zij het behoorlijk laat, wakker. Zo hoog was de escalatieladder inmiddels beklommen. De blokkade, en de dreigende financiële consequenties, trok de rechtsstaatdiscussie zo wel naar het hart van de Europese politiek. Ook bondskanselier Merkel moest het nieuwe instrument openlijk verdedigen en benadrukken dat de rechtsstaat „het fundament van het Europes project” is.

„De grootste miscalculatie van Orbán en Morawiecki was dat ze dachten dat zij de enige landen zouden zijn waar deze discussie in de binnenlandse politiek zou opspelen”, zegt Daniel Hegedus, als rechtsstaat en Centraal-Europa-deskundige verbonden aan The German Marshall Fund. „Ze dachten: andere landen vinden het makkelijk dit te offeren. Dat bleek een vergissing. Ook in landen als Nederland en Finland, maar zelfs Duitsland, werd dit een belangrijk thema.”

Makkelijk is het eindresultaat niet te beoordelen. Met veel nauwelijks te ontcijferen zinnen zijn door regeringsleiders extra toezeggingen gedaan over het nieuwe instrument. Belangrijkste afspraak is dat met de eerste sancties wordt gewacht op een oordeel van het Hof. Het betekent feitelijk dat er nóg een extra juridische procedure aan de nieuwe juridische procedure wordt vastgeplakt – klassieker krijg je een Europees ‘geitenpaadje’ niet.

Aan de tekst over het instrument is geen letter veranderd, terwijl de twee dwarsliggers tot enkele dagen geleden nog pochten er nooit, onder geen enkele voorwaarde, mee te zullen instemmen. De druk vanuit Duitsland, dat openlijk speculeerde op een alternatief herstelfonds zonder de twee landen, speelde daarbij een grote rol. Zo lieten de afgelopen dagen ook zien wat er gebeurt als Duitsland de duimschroeven richting Boedapest en Warschau echt aandraait.

Maar of het ook betekent dat regeringsleiders elkaar vanaf nu ook vaker gaan aanspreken op het inperken van grondrechten? Dat toch weer niet, aldus premier Mark Rutte vrijdag. Hij verwees naar de rol van de Europese Commissie. „Ik heb niet de macht om tegen de Poolse premier of de Franse president te zeggen: je moet nu dit of dat anders doen. Daarom is het goed dat we nu dit nieuwe systeem collectief hebben afgesproken. Dan kan er echt iets gaan veranderen.”

Lees ook: Gaat Merkel een EU-crisis voorkomen met een inlegvelletje?

Cynici zien iets anders. Namelijk dat regeringsleiders de rechtsstaatdiscussie nu wéér naar Luxemburg hebben geschopt, waar het Europees Hof van Justitie misschien wel meer dan een jaar nodig heeft om tot een oordeel te komen. De moeizame discussie en het mistige compromis laten volgens hen alleen maar zien hoe weinig de EU nog altijd bereid is echt door te pakken.

„Er is in Europa de neiging om steeds naar nieuw gereedschap te zoeken om autocraten aan te pakken”, zegt Laurent Pech, hoogleraar Europees recht aan de Middlesex-universiteit in Londen. „Maar dat kost alleen maar tijd en leidt de aandacht af. We moeten politieke energie steken in het gebruiken van de instrumenten die we al hebben.”