Omscholen klinkt eenvoudiger dan het is. Dit zijn de vier grootste struikelblokken

Knelpunten Mensen moeten zich makkelijker kunnen omscholen, dat is goed voor henzelf én voor de economie. Daar is iedereen het al jaren over eens. Waarom wordt het dan niet makkelijker?

Illustratie Tomas Schats

Stapels rapporten zijn erover geschreven. Politici en werkgevers zeggen al sinds de jaren negentig hoe belangrijk ze een ‘leercultuur’ vinden, met werknemers die kennis en vaardigheden tot aan hun pensioendatum op peil blijven houden en zich gemakkelijk kunnen laten omscholen vóórdat hun huidige baan verdwijnt.

Al jaren zeggen economen hoe belangrijk het is dat Nederland zo’n leercultuur ontwikkelt. Door technologische ontwikkelingen veranderen de functie-eisen van werknemers veel sneller dan vroeger. Sommige banen zullen verdwijnen. Naar andere vaardigheden, bijvoorbeeld rond de energietransitie, algoritmes en kunstmatige intelligentie, zal de vraag toenemen. En in die snel veranderende wereld moeten werknemers zich ook steeds langer staande houden, door de opschuivende pensioenleeftijd.

Daar is veel over gepraat, maar er is weinig veranderd. Vooral omscholing is in Nederland nog lang niet vanzelfsprekend.

Hoe komt dat toch? De initiatieven díé de afgelopen decennia zijn ondernomen, werden vaak teruggedraaid of niet doorgezet, constateerde de Sociaal-Economische Raad (SER), een belangrijke regeringsadviseur, in 2017. De raad sprak van jojo-beleid: „Soms is er intensieve aandacht voor een leven lang leren en andere momenten weer niet.”

In de vorige crisis, die in 2014 eindigde, werden de gevolgen duidelijk: de werkloosheid steeg fors, en vooral oudere werklozen bleven daarna jarenlang werkloos omdat hun kennis of vaardigheden verouderd waren. Dat had een les moeten zijn voor Nederland, zegt Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan Tilburg University. Maar hij ziet dat er weinig veranderd is. „Ik vind dit een brevet van onvermogen van de politiek en sociale partners. We wéten inmiddels hoe belangrijk dit is.”

Welke verandering is nodig om van die leercultuur een succes te maken? Deze vier knelpunten moeten volgens deskundigen verdwijnen.

1 Eigen sector eerst

Illustratie Tomas Schats

 

In Europese vergelijkingen scoort Nederland niet eens zo slecht. Rond het volgen van cursussen en trainingen eindigen Nederlandse volwassenen meestal bovenin de middenmoot. Maar een van de problemen, constateerde de SER in 2017, is dat de meeste scholing gericht is op de huidige functie, het eigen bedrijf en de eigen sector. Bedrijven betalen de cursus doorgaans, dus zij zien het liefst dat hun investering direct iets oplevert: productiever personeel.

Werknemers die zich wél breder ontwikkelen, kunnen hun positie op de arbeidsmarkt verbeteren. Dat is vooral nuttig voor mensen in ‘krimpberoepen’ waar steeds minder vraag naar is. De vacatures voor administratief en ondersteunend personeel drogen bijvoorbeeld langzaam op doordat computers die taken grotendeels overnemen.

Voor bijscholing gericht op de huidige baan is de laatste jaren veel meer aandacht, zegt Andries de Grip, hoogleraar economie en directeur van het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) in Maastricht. „Maar voor omscholing missen we de juiste infrastructuur.”

Soms ontstaan wél mooie omscholingsinitiatieven. Zoals voor KLM-cabinepersoneel dat de afgelopen maanden via een speciaal traject in de ouderenzorg kwam werken. Ook de onderwijs- en IT-sector hebben de afgelopen jaren omscholingsprogramma’s opgetuigd om mensen naar hun sector te lokken. Zodra de personeelstekorten groot worden, willen ze de portemonnee wel trekken. Maar dat zijn steeds tijdelijke initiatieven, zegt De Grip.

2 Kwetsbare groepen blijven achter

Illustratie Tomas Schats

 

Mensen met een tijdelijk contract zijn het meest gemotiveerd om bij te leren. Maar juist zij krijgen daarvoor de minste kansen van hun baas. Werknemers zonder uitzicht op een vast contract hebben bijna 40 procentpunt minder kans om een cursus of opleiding te krijgen dan hun collega’s met een vaste aanstelling, concludeerde het ROA twee jaar geleden na een enquête onder ruim duizend werkgevers.

Dat is onbestaanbaar, vindt Wilthagen. „Stel je de arbeidsmarkt voor als een voetbalteam met elf spelers: vier van hen zijn flexwerker of zzp’er. Zij mogen nooit meetrainen met de rest, maar op zondag moeten ze wel scoren.”

Werkgevers zien een cursus voor flexwerkers vaak niet als investering, maar als kostenpost: werkt diegene over een paar maanden bij een ander bedrijf, dan is het weggegooid geld. Op zich is die redenering logisch, maar voor de economie als geheel zou het beter zijn als werkgevers ruimhartig investeren in ál hun personeel, zegt De Grip. „Nederland kan niet concurreren met de laagste prijzen, maar wel met goede kwaliteit en goed opgeleide mensen.”

Ook de scholing van laagopgeleiden en 55-plussers blijft ver achter, al lopen de redenen uiteen. Bij oudere werknemers ligt het aan hun eigen motivatie én die van hun baas. Laagopgeleiden zijn vooral zélf minder gemotiveerd om een cursus of training te volgen. „Soms is er sprake van examenangst”, zegt De Grip. „Of denken ze: ik kan dit niet. Als je zo’n cursus dan ook nog deels in je vrije tijd moet volgen, zien ze het al helemaal niet zitten.”

Lees ook: Het meest gemotiveerd, maar geen cursus voor tijdelijk personeel

3 Omscholen is makkelijker gezegd dan gedaan

Illustratie Tomas Schats

 

Er zijn zo’n 7.000 mbo-opleidingen, ruim 4.000 hbo- en wo-opleidingen en meer dan 100.000 bedrijfsopleidingen, cursussen en trainingen. Maar tot welke opleiding heb je toegang met je diploma’s en ervaring? Wat laat zich praktisch combineren met je werk en gezin?

En dan zijn er de kosten: al snel duizenden euro’s, terwijl een op de drie huishoudens minder dan 5.000 euro op de spaarrekening heeft staan, volgens budgetinstituut Nibud. Soms kun je een tegemoetkoming krijgen van de overheid of sectorfondsen, maar ook die informatie is lastig te achterhalen.

Verder zijn mbo-, hbo- en wo-opleidingen niet altijd makkelijk toegankelijk voor werknemers. De publieke onderwijsinstellingen zijn vooral goed toegesneden op kinderen en jongeren, schreef de Onderwijsraad in 2018, en „onvoldoende ingericht” voor mensen in het midden van hun loopbaan. Vaak kent een opleiding onderdelen die een werknemer door werkervaring allang beheerst. Dan is het lang niet altijd mogelijk daar vrijstellingen voor te krijgen, schreef het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar.

4 Werkloze moet metéén weer aan het werk

Illustratie Tomas Schats

 

Gemeenten en uitkeringsinstantie UWV hebben een duidelijke taak: werklozen met een bijstands- of WW-uitkering zo snel mogelijk weer aan het werk helpen. Maar sommige mensen hebben veel meer baat bij een wat langer traject, waarin ze een deels bekostigde opleiding of cursus mogen volgen, schreef de SER vorig jaar in een advies. Denk aan een secretaresse, die veel meer baankansen heeft als ze leerkracht wordt.

Af en toe bieden gemeenten en UWV wel een cursus of training aan. Maar dat is vooral „goedkope, kortdurende, gerichte” scholing, schreef de SER. Een „diplomagerichte opleiding” is bijna nooit mogelijk. Het gevolg? Werklozen die via zo’n „kortetermijnstrategie” aan werk zijn geholpen, krijgen vaker een onzeker tijdelijk contract, een laag salaris en hebben een „verhoogd risico op baanverlies”.

Nederland is hierin een uitzondering, zegt Wilthagen. „In de meeste landen is scholing een vast onderdeel van wat een organisatie als het UWV doet. Wij zeggen: stuur maar vijf sollicitatiebrieven per week.”

Lees ook: SER: te weinig kans op scholing voor mensen met uitkering

Wat nu?

Voor mensen met examenvrees of die aanhikken tegen een terugkeer in de schoolbanken, wordt nu geëxperimenteerd met ‘leerambassadeurs’: collega’s die vertellen wat een cursus hun heeft opgeleverd. Wilthagen: „Dat klinkt misschien soft, maar zo’n persoonlijke benadering lijkt goed te werken.”

Het kan helpen als er één toegankelijk overzicht komt van alle opleidingen, cursussen en financieringsmogelijkheden, schreef de SER vorige maand. Al is er nog geen enkel land dat zoiets al heeft. Bovendien zal het volgens de SER lastig zijn zo’n overzicht met tienduizenden opleidingen actueel te houden.

Regeringsadviseurs pleiten al jaren voor een ‘individuele leerrekening’: een eigen potje waar iedere Nederlander scholing mee kan betalen. En waar de overheid, werkgever en de betrokkenen fiscaal vriendelijk een storting in kunnen doen – mits dat geld alleen naar scholing gaat. Hiermee worden mensen veel minder afhankelijk van hun baas, zegt Wilthagen. „Als je werkgever niet wil helpen, of je hebt geen werkgever, dan heb je nu weinig mogelijkheden.”

Het kabinet is sinds 2018 bezig zo’n leerrekening op te zetten. Maar de Raad van State is niet onder de indruk van de kabinetsplannen. Rutte III geeft beleid rond ‘leven lang ontwikkelen’ „onvoldoende urgentie”, schreef de regeringsadviseur eind vorig jaar. Ook mist de raad „samenhangend beleid” en „duidelijke regie”.

De Grip hoopt dat de coronacrisis daar verandering in brengt. „De overheid pompt enorm veel geld in de economie. Volgens mij beseft iedereen dat het een gemiste kans is als we dan niet tegelijk deze omslag maken.”