Knaltraditie met een luchtje

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: carbid kreeg in 1892 een praktische toepassing. Alleen agrarisch knallen is nog over.

Carbidschieten in Hardenberg, Overijssel. Het jaartal is onbekend.
Carbidschieten in Hardenberg, Overijssel. Het jaartal is onbekend. Foto Historische Vereniging Hardenberg

‘Jongens mogen graag een vuurwapen afschieten op Nieuwjaarsdag, en waar men veiligheidshalve deze buiten hun bereik houdt, zoeken ze andere middelen. Thans is ’t het doen ontploffen van een beetje carbid in een bus. ’t Geeft een knal en dat is voldoende voor hen.” Aldus een bericht in het Nieuwsblad van Friesland van 6 januari 1912 dat beschrijft hoe een potje carbidschieten bij Drachten door de marechaussee werd afgebroken. Het is het oudste voorbeeld van carbidschieten dat delpher.nl boven water kreeg.

Waarschijnlijk is het carbidschieten nog wat ouder, want al vanaf 1910 worden ongelukken met carbid genoemd: knapen liepen brandwonden op, kregen hun kaak verbrijzeld of moesten ogen missen. Meestal in Gelderland, Drenthe en Friesland, want dat carbidschieten typisch Twents zou zijn is onzin. Het is typisch agrarisch.

Met dank aan Otto Beaujon

Ouder dan 1898 kan het carbidschieten ook weer niet zijn, want vóór die tijd kon je in Nederland geen carbid krijgen. Carbid, formeel: calciumcarbide, werd in 1862 voor het eerst gesynthetiseerd door Friedrich Wöhler. Wöhler was de briljante Duitse chemicus die in 1828 liet zien hoe een stof als ureum ook buiten het dierlijk lichaam te synthetiseren viel, dus dat daarvoor geen ‘levenskracht’ noodzakelijk was. Hij bereidde calciumcarbide (CaC2) door een alliage van calcium en zink met koolstof te verhitten en stelde en passant vast dat het carbid in een reactie met water het brandbare gas acetyleen (ethyn, C2H2) opleverde. Praktische toepassing bleef uit.

Tot commerciële inzet van carbid kwam het pas na 1892 toen de Canadese uitvinder Thomas L. Wilson tamelijk zuiver carbid produceerde in een vlamboogoven waarin hij ongebluste kalk en koolstof liet reageren. Al in 1895 verschenen er in Europa carbidfabrieken met fabrikanten die actief de boer opgingen (Algemeen Handelsblad, 29 juni 1895). Want kon het simpeler? Je druppelde water op het grauwe carbidgruis en er borrelde vanzelf acetyleen omhoog. In een wip had je een ‘acetyleengenerator’ geplaatst die gas leverde aan een bedrijf of kleine stad. Het acetyleen brandde met een lichtgevende vlam en kon afhankelijk van de omstandigheden aardig concurreren met het lichtgas dat bij kolenvergassing vrijkwam.

Stoffige zomerwegen

Binnenshuis was acetyleenverbranding overigens geen feest. Omdat het carbid niet zuiver was, was ook het acetyleengas onzuiver. Het verbrandde met een onaangename knoflookgeur. „Carbid stinkt”, schreef de Berlijnse correspondent van De Tijd in januari 1920. „Het ontwikkelt taaie, onaangename luchtjes, die herinneren aan den een of anderen stoomtram op stoffige zomerwegen.” Hij nam het waar in Berlijnse koffiehuiszalen die overschakelden op acetyleenverlichting zodra de stroom uitviel.

Carbidverlichting voor fietsen, auto’s, schepen en in mijnen werd een succes. Fietsenmakers hadden altijd carbid in voorraad, net als smeden trouwens, want acetyleen kwam ook van pas bij het autogeen lassen. Tot in de jaren dertig. Toen gingen fietsers over op elektrische verlichting met dynamo’s en gloeilampjes en kreeg de smid acetyleen in cilinders aangevoerd. „Maar nog tot in de jaren negentig heb ik in Oost-Duitsland acetyleengenerators voor lasinstallaties in gebruik gezien”, zegt Otto Beaujon. „Als wasmachines zo groot.”

Het voorgeschreven Duitse verduisteringskapje: Meteor Gesetzlich genehmigt. Met dank aan Otto Beaujon

Beaujon was erbij gehaald omdat hij als lid van de Vereniging De Oude Fiets publiceerde over carbidlantaarns. Misschien had hij antwoord op de vraag die al decennia in de vragentrommel lag: waarom zetten Nederlanders tijdens de oorlog weer carbidlantaarns op hun fiets? Schortte er opeens wat aan de dynamo, waren er geen gloeilampjes meer, of wat?

Twee dingen, denkt Beaujon. De rubberbanden uit die tijd gingen snel achteruit en als ze werden vervangen door hout of touw liep de dynamo niet goed meer. En er was het Duitse verduisteringsvoorschrift om de elektrische installatie af te schermen. Daarvoor werden speciale voorzieningen verkocht, ook door Philips, maar die vonden velen te duur. En de oude carbidlantaarns vielen buiten het voorschrift.

Zo zat het dus. Buiten de industrie wordt carbid tegenwoordig niet veel meer gebruikt. Een enkele fruitteler laadt er zijn carbidkanon mee en hier en daar zie je er nog zonderlingen mollen mee bevechten. Verkoop aan particulieren is er bijna uitsluitend voor het carbidschieten. Het carbid van de Holwerdse Handelsonderneming Venema komt volgens woordvoerder Venema uit Polen. Eén kilo is goed voor 300 liter gas. De carbidverkopers van een eeuw geleden noemden vaak 270 à 320 liter als opbrengst. De hbs’er rekent op zijn sigarendoos moeiteloos uit dat een kilo zuiver carbid maximaal 350 liter acetyleen kan leveren. ‘Technisch carbid’ bevat vaak maar 85 procent zuiver carbid.

Hoeveel carbid zou er eigenlijk nodig zijn om in een melkbus van 40 liter een goede explosie op te wekken? Dat wil je ook wel eens weten. Lucht bevat 21 procent zuurstof dus er past 8,4 liter zuurstof in de bus. Dat komt overeen met 0,375 ‘mol’ zuurstof want een mol gas (elk gas) heeft bij nul graden een volume van 22,4 liter. (Vind de ‘mol’ bij Wikipedia.) 0,375 mol zuurstof kan het acetyleen verbranden uit 0,15 mol zuiver carbid, dat is 9,6 gram. Zeg 12 gram voor onzuiver carbid. Meer is niet nodig. Meer is zelfs ongewenst want een gasmengsel met een te hoge acetyleen-zuurstofverhouding ontbrandt niet. Wat je natuurlijk niet weet is hoe snel en volledig het carbid zijn acetyleen produceert. Daar kom je alleen achter door het te proberen.