Foto Frank Ruiter

Interview

Ype Driessen: ‘Heel optimistisch zijn vind ik altijd wat naïef’

Wat maakt het leven de moeite waard? Ype Driessen is voor van alles bang. Hij durft niet te vliegen, geen auto te rijden, is bang om oud te worden, durft geen hond, geen kinderen te nemen. „Ik ben alweer bang dat dit heel zwaar op de hand klinkt. Je moet af en toe maar tussen haakjes ‘hahaha’ schrijven.”

Nee, sinds zijn boek komen mensen niet voortdurend hun eigen angsten aan hem opbiechten. „Van dingen die ze herkennen zeggen ze wel: dat heb ik ook”, vertelt Ype Driessen (41) in zijn kantoorruimte in de Amsterdamse Jordaan, die hij met anderen deelt, maar die nu vrijwel leeg is. „Maar ze komen niet met heel andere dingen: ‘Ik ben bang voor berggeiten’, ofzo.”

Driessen, fotostripmaker, is voor van alles bang. Centraal in zijn eerste autobiografische fotoroman (tevens „’s werelds eerste autobiografische fotoroman”) Het nadeel van de twijfel staat zijn angst om te vliegen. Zijn vriend Nico gaat naar een wetenschappelijk congres in de Verenigde Staten en vraagt hem mee voor een daaraan vastgeplakte vakantie. Ype vindt dat eng.

Foto Frank Ruiter

In het boek krijgt hij een week om te beslissen of hij meegaat en in die week komen tientallen van zijn angsten en nachtmerries voorbij. Ype durft geen auto te rijden, is bang om oud te worden, durft geen hond en geen kinderen te nemen. „Dan ben ik alleen nog maar bezig met de angst ze te verliezen”, laat hij zichzelf in de strip zeggen. Er is een pagina waarop Nico losjes twintig van Ypes angsten opsomt, en dat zijn ze dan nog niet allemaal. Maar Ype wensdroomt ook, hij wil volop leven.

Het nadeel van de twijfel is een prachtig boek. Persoonlijker en ontroerender dan de fotostrips van vier plaatjes die Driessen al jaren voor onder meer Het Parool en New Scientist maakt, maar met dezelfde nerdy humor en beeldtaal. En veel van de ongemakkelijkheden die hij beschrijft zijn een feest van herkenning en plaatsvervangende schaamte. Wie heeft nooit om koetjes en kalfjes verlegen gezeten als hij een bekende tegenkwam? Of is nooit een heel klein stukje omgelopen voor wild ballende jongens in een park?

Zulke dingen zijn ook herkenbaar voor wie niet het leven leidt van een homoseksuele kunstenaar van begin veertig met een semi-open relatie – die tijdens een bezoekje aan zijn moeder nog op Grindr een seksdate probeert te scoren. „Sommige mensen zeiden tegen me dat ze weleens op Funda zitten te zoeken bij hun moeder”, zegt Driessen. „Dat seksuele van een datingapp als Grindr geeft het een extra laagje, maar Funda is óók erg.”

Maar vraag Driessen welke angsten mensen in zijn omgeving het meest herkenbaar vonden en hij noemt een scène die voor de meeste hetero’s niet zo herkenbaar zal zijn, de pijnlijkste scène in het boek. Loodgieter ‘Van der Puin’ komt bij Ype thuis de cv-ketel repareren, en begint meteen over afritten en parkeerproblemen. „Niet zeggen dat je geen rijbewijs hebt”, fluistert het duiveltje boven Ypes rechteroor, „dat is gay.”

„Wat?! Hoezo is dat gay?”, zegt het engeltje boven zijn linkeroor geïrriteerd. Dat engeltje verliest. Ype praat autotaal mee, legt een lijstje met een verliefde foto van zichzelf en Nico plat, en zoekt een zo hetero mogelijke strip als de loodgieter om een voorbeeldje van zijn werk vraagt. Het is een strip waar Ypes zus in figureert. „Lekker ding, zeg”, kwijlt de loodgieter. „Lijkt me niet verkeerd om die voor je camera te hebben.” „Dat kun je wel zeggen!”, antwoordt Ype schijnheilig. „Daar heb ik maar mooi mazzel mee.”

Foto Frank Ruiter
Foto´s Frank Ruiter

De wereld is vanzelfsprekender voor hetero’s

Een schokkende scène. Natuurlijk weet ik dat homo’s nog steeds gediscrimineerd worden, gepest, in elkaar geslagen. Natuurlijk weet ik dat we in 2020 nog een minister van Onderwijs hebben (Arie Slob, ChristenUnie) die het aanvankelijk prima vond dat reformatorische scholen ouders vragen een homoseksuele levenswijze schriftelijk af te keuren. Maar dat het kan gebeuren dat iemand in zijn eigen huis in Amsterdam niet voor zijn homoseksualiteit durft uit te komen, dat had ik me niet gerealiseerd.

Ik voelde me daar erg dom door.

„Heel veel mensen in Nederland denken dat homoseksualiteit geen issue meer is. Ook veel homo’s of mensen met een andere seksuele geaardheid denken dat – ik heb het zelf misschien ook een tijd gedacht. Maar aan kleine dingen, zoals met zo’n loodgieter, merk je dat de wereld vanzelfsprekender is voor hetero’s. Of als je in een nieuwe buurt gaat wonen. Wij zijn twee jaar geleden verhuisd en dan denk je toch: kan ik hier hand in hand over straat? Je leest over homo’s die het mikpunt worden van ellende. Niet dat je sidderend en bevend in je nieuwe huis trekt, maar het zit toch in je achterhoofd. Ik wil niet dramatisch doen, maar het is altijd aanwezig. Als heterokoppel heb je dat niet.”

Hij vertelt over De Eeuw van de Amateur, een filosofische podcast „over alles” die hij samen met Botte Jellema en (vaak ook) Paulien Cornelisse presenteert. Daarin bespreken ze onder meer heel particuliere alledaagse ervaringen, die toch herkenbaar zijn (zoals ezelsbruggetjes om links en rechts uit elkaar te houden of verkeerd ingeschatte sociale situaties). In 2017 muntte luisteraar „Bas” er de term „awkward mini-coming out”, voor situaties zoals die met de loodgieter in Driessens boek.

Met één keer uit de kast komen ben je er als niet-hetero nog niet, is het idee: dat is pas je éérste coming out. Daarna zit het leven nog vol momenten waarop je moet kiezen of je voor je geaardheid uitkomt. Als je baas je voor een feest uitnodigt, en zegt: „Neem je vriendin mee”, als de kapper zegt: „Straks moet je de meisjes van je af slaan” en als de taxichauffeur zegt dat hij niet van homo’s houdt. Of je je geaardheid op zo’n moment nou verdoezelt of niet, ongemakkelijk is het sowieso.

Al dan niet uit de kast moeten komen is geen enorme angst van Driessen, maar wel een van de vele sociale gevoeligheden die in zijn boek aan de orde komen. Zomaar een praatje moeten maken vindt hij ook ongemakkelijk, met kennissen in de supermarkt of met enthousiaste fans. Zelfs bij zijn kleine nichtje voelt hij zich onhandig. In het boek is het Nico die haar op zijn schouders neemt of haar voorleest. „Dan hoop ik dat ik iets in de keuken kan doen. Dat is wel erg, ja”, lacht hij. „Ik ben ook een beetje een monster, vind ik, als ik het teruglees.”

In het boek zit ook een droom waarin Ype als enig overgebleven mens op aarde samenleeft met robotstofzuiger Chupi, door Nico aangeschaft als hond- en kindvervanger.

Lees ook: Boris van der Ham: ‘Ik ben een clubjesman’

Die droom is geen nachtmerrie, hè? Je vindt het wel lekker, zo alleen.

„Eh, ja. Ik trek me heel veel aan van wat anderen vinden. Ik denk vaak: wat zou ik doen als ze er niet waren? Ik ben een workaholic. Ik richt mijn leven in alsof het maken van dingen het leven de moeite waard maakt. Ik heb een enorme behoefte aan zelfexpressie, maar is al dat maken een middel of een doel? Heb je een goede ontvangst nodig, zou je zonder publiek nog fotostrips maken? Nee, natuurlijk.

„En als je het hebt over andere mensen… Dit klinkt misschien een beetje raar of pretentieus, maar ik denk vaak: er moet mij niks overkomen, anders vind ik het zo’n domper voor mijn ouders, snap je? Ik vind het leven leuk, maar ik heb ook de hele tijd mogelijke rampen in mijn hoofd, en dan denk ik: dat moeten we niet hebben. God, ik ben alweer bang dat als dit interview op papier staat, het heel zwaar op de hand klinkt. Je moet af en toe maar tussen haakjes ‘hahaha’ schrijven.”

Wat vond je moeder trouwens van die scène waarin jij op Grindr zit?

„Daar hebben we het nog niet over gehad. Mijn moeder had meer moeite met die scène bij de psycholoog.”

In die scène vertelt Ype dat hij zich als kind zo anders voelde dan anderen, omdat hij verliefd werd op jongens. En dat hij dacht dat hij alleen dáárdoor al aids had en dood zou gaan. „Mijn moeder schrok daarvan, ze zei: ik dacht dat je een gelukkig kind was. Ik heb geprobeerd haar gerust te stellen, heb gezegd dat niet mijn hele jeugd één groot tranendal was. Ik denk dat veel kinderen sombere gedachten hebben, maar zwart op wit is dat niet zo leuk voor een ouder.”

Er moet mij niks overkomen, anders vind ik het zo’n domper voor mijn ouders

Juist die zorgen hebben zijn creativiteit gestuurd, vertelt Ype. „Ik ging tekenen en toen ik merkte dat andere kinderen daar enige bewondering voor hadden, ben ik ermee doorgegaan.” Op zijn tiende begon hij strips te tekenen voor een Amsterdams buurtkrantje via „twee, toen vond ik het heel oude mannen, misschien waren het twintigers”, die hij op vakantie ontmoette. Zelf kwam hij uit Rotterdam en was hij nog nooit in Amsterdam geweest. Ze hebben geen contact meer. „Maar dat was wel een leuk beslissend moment in mijn leven.”

Daarna begon Driessen ook voor andere blaadjes te tekenen. Later ging hij over op fotostrips, omdat hij het idee had dat hij zich daar meer in kon ontwikkelen – en in het genre ook. „Het is zo’n tof medium en er werd áltijd hetzelfde mee gedaan: romantische fotostrips.” In 2007 begon hij met korte autobiografische fotostrips. „Vooral om praktische redenen: ik wilde elke dag een strip maken en dat kon eigenlijk alleen met mezelf, want ik had mezelf als model altijd bij de hand.”

Het gekke is dat Driessen veel dingen eng vindt, maar zichzelf en zijn privéleven de wereld ingooien via zijn strips helemaal niet. „Ik heb eraan kunnen wennen en ik vind het fijner als mensen veel van me weten, dan dat ze een beetje weten en de rest erbij verzinnen, snap je?”

Soms vindt hij het zelfs jammer als hij iets uit zijn privéleven niet kan gebruiken. Zo heeft Nico onlangs een dochtertje gekregen, als donorvader. „Dat speelt natuurlijk een grote rol in ons leven, maar de moeders willen haar liever niet in de fotostrip. En dat begrijp ik ook wel. Dan is die vorm heel ongeschikt. Als je schrijft of tekent, heeft het ook gevoeligheden, maar je hoeft mensen in elk geval niet op te laten draven voor datgene waar ze geen zin in hebben. Ziekte en narigheid lenen zich er dus ook moeilijk voor.”

Maar toen tien jaar geleden zijn relatie met Willem uitging, met wie hij een aantal bundels korte fotostrips had gemaakt (Ype + Willem), maakte Driessen daar wél een reeks korte strips over, gebundeld in het boek Uit. „Ja, en toen was het juist handig dat hij weg was. Ik heb nog drie fotostrips gemaakt waarin ik alleen hem getekend had, waarmee ik de verwijdering wilde laten zien, maar de meeste strips gingen over: ik zit opeens alleen. Dat kon dus heel goed.”

Mijn angsten hoeven niet zo nodig over te gaan

Die korte stripjes over liefdesverdriet waren zijn eerste droevig-persoonlijke werk. „Maar het is grappig: hoe persoonlijker je iets maakt, hoe herkenbaarder voor mensen. Bij Het nadeel van de twijfel heb ik dat meer gehoord dan ooit, terwijl ik tijdens het maken bang was dat dingen zo particulier waren dat mensen zouden afhaken.” Integendeel dus. Dat hij zijn angsten en neuroses vorm kan geven in zijn fotostrips, helpt anderen én hemzelf.

Niet dat hij door het boek minder angstig is geworden. „Ik heb er misschien meer zicht op gekregen. Maar mijn angsten hoeven niet zo nodig over te gaan. Heel optimistisch zijn vind ik altijd een beetje naïef. Mijn angst stuurt mijn creativiteit. Het is ook niet iets wat mijn leven volledig beheerst. Ik moet er vaak juist heel erg om lachen.

„De loodgieter is een goed voorbeeld: die scène is echt 100 procent zo gebeurd. Ook dat van mijn zus op het einde. Zodra die man over de goede afrit begon en ik dat niet afkapte, wist ik: nu ben ik verloren. Als het zich dan zo ontvouwt, amuseert mij dat ook wel weer. Oh Ype, denk ik dan zo’n beetje hoofdschuddend, je kan niet meer terug. Dan is het bijna een beloning als hij over mijn zus zegt: dat is een lekker ding. Dan heb ik het spel zo goed meegespeeld dat hij dat óók nog zegt!”