Recensie

Recensie Boeken

Herontdekt: het genadeloze, rauwe werk van Tove Ditlevsen (●●●●●)

Tove Ditlevsen Een halve eeuw na haar dood is het genadeloze, rauwe proza van deze Deense schrijfster herontdekt. En nog altijd is het groots, zoals blijkt uit haar autobiografische trilogie, waarvan nu het laatste deel is vertaald.

Tove Ditlevsen in Kopenhagen. Foto Birthe Melchiors

Tove Ditlevsen in Kopenhagen. Foto Birthe Melchiors

Onlangs, op een etentje met een alle kanten op schietende YouTube-sessie (is zo’n sessie ooit anders?), verscheen er levensgroot een filmpje op de wand van de kamer waarin een jonge Elvis Presley bij The Ed Sullivan Show gitaar speelt, zingt en danst. Het trof hoe verbaasd hij leek, om er te zijn, überhaupt in zijn lichaam en op de aarde. Iemand opperde dat de vreugde die hij leek uit te stralen dicht tegen het wanhopige aanlag. Het trof ook dat er een ongelovige, iets wrede trek over zijn gezicht lag om het effect dat hij sorteerde. Het moment, het publiek, het dansen en het liedje dat hij speelde, hij leek er wel en niet mee verbonden, alsof hij er net buiten zweefde. Het gesprek daarna ging over hoe onweerstaanbaar zijn optreden was. Even later ging het over verslaving en exces, over alle manieren waarop mensen die grote onthechting ervaren die proberen te transformeren. Iemand noemde Amy Winehouse, Janis Joplin. Iemand stelde dat sommige uitzonderlijk gevoelige mensen in zichzelf instrumenten lijken, die iets eeuwenouds kunnen opvangen en doorgeven. We keken er wat ernstig bij en schonken de glazen nog maar eens vol.

Ik moest weer aan dat gesprek denken bij Afhankelijkheid van de Deense schrijfster Tove Ditlevsen (Kopenhagen, 1917-1976). Het is het laatste en hartbrekende deel van haar Kopenhagen-trilogie, die het afgelopen jaar in zijn geheel vertaald verschenen is bij Das Mag Uitgevers. De delen Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid vertellen samen een versie van de levensgeschiedenis van de schrijfster. Ze schreef negentwintig boeken, waaronder romans, korte verhalen en poëzie. Hopelijk worden die ook in vertaling beschikbaar gemaakt, mogelijk door vertaler Lammie Post-Oostenbrink.

Arbeidersgezin

Ditlevsen laat haar memoires in Kindertijd beginnen in een arbeidersgezin in de arme wijk Vesterbro te Kopenhagen, waar het gezin woont in een huurkazerne. Vader, moeder, broer en de jonge Tove leven er met weinig licht en lucht. Armoede, werkeloosheid, verwaarlozing, het is er hard. Haar ouders verdragen de teleurstelling van hun wederzijdse verwachtingen nauwelijks. De stemmingswisselingen van haar moeder die daar een direct gevolg van lijken, zijn niet te pareren. Tegen vaders categorische (zelf)onderschatting kan ze niets beginnen. Via de kunst, maakt Ditlevsen inzichtelijk, weet het lichte, het mystieke in de wereld haar toch te vinden: ‘In mij begonnen lange, merkwaardige woorden als een beschermend vlies over mijn ziel te kruipen. Een lied, een gedicht, iets verzachtends en ritmisch en oneindig melancholieks, maar nooit droevig en triest. Als deze lichte woordgolven door me heen stroomden, was ik er zeker van dat mijn moeder me niets meer zou kunnen aandoen.’

Tove Ditlevsen Foto Gyldendals Billedbibliothek

Via het schrijven van gedichten schept Tove zich een weg naar buiten. ‘Ooit zal ik alle woorden opschrijven die door me heen stromen. Ooit zullen andere mensen ze in een boek lezen en zich erover verbazen dat een meisje toch dichter kan worden.’

Haar broer neemt ze in vertrouwen over haar verlangen. Hij wordt haar eerste lezer en zegt dat ze ‘liegt dat ze barstte’ in haar gedichten. Dit vervult haar met trots. Dit eerste deel is in de grond een wordingsgeschiedenis van een schrijver. Terugkijkend op haar twaalfjarige zelf ziet ze haar kindertijd als ‘die bibliotheek van het gemoed, waaruit ik voor de rest van mijn hele bestaan kennis en ervaring zal opdiepen’.

Het tweede deel Jeugd laat Ditlevsen beginnen als ze rond de vijftien is en van school af moet om te werken. Tove huurt kleine koude kamers en heeft verschillende baantjes op verschillende kantoren. Groot geluk arriveert in de vorm van een typemachine. Tegen die tijd woont ze in bij een theatrale, nazistische hospita in kimono, mevrouw Suhr. Er is meer onafhankelijkheid dan ooit met een eigen kamer en een eigen typemachine: ze schrijft en het schrijven bezit haar volledig. Drie gedichten stuurt ze naar Viggo F. Møller, een redacteur van een literair tijdschrift, wiens bestaan een bron van hoop is. En ze sluit vriendschap met een meisje van het platteland, Nina. Tove ontmoet haar nadat ze reageerde op een advertentie in de krant waarin amateurgezelschap Succes op zoek is naar een actrice.

Geen klap beter dan je moeder

Nina intussen twijfelt of ze wel moet trouwen met haar verloofde, die boswachter is op het platteland. Tove kan Nina niet altijd bijhouden in haar zoektocht naar feestelijke vrijers die haar twijfel over het huwelijk kunnen doen verdwijnen. Ze is ook graag alleen op haar kamer bij mevrouw Suhr: ‘„Ik ga naar huis om wat te tikken”, zeg ik. „Als die heks maar niet wakker wordt.” „Je bent van de regen in de drup terechtgekomen”, vindt Nina. „Ze is geen klap beter dan je moeder.”’

Maar Tove hoort het niet meer, want ze droomt over Viggo F. Møller en het toekomstige leven waarvan hij een sleutel in handen houdt.

Zo schrijft ze hem: ‘Ik ben ook niet van plan mijn hele leven bij mevrouw Suhr te blijven wonen. Zelfs je jeugd is tijdelijk, broos en vergankelijk. Je moet erdoorheen, want verder heeft het geen nut.’

Møller schrijft terug. ‘Twee van uw gedichten zijn op zijn zachtst gezegd niet best, maar met de derde kan ik wel wat: “Voor mijn dode kind.”’ Ook over dit gedicht stelt haar broer Edvin: ‘Maar je liegt nog steeds dat je barst [...] je hebt immers nog nooit een dood kind gekregen.’

Tove slaat de uitnodigingen van haar hospita af om samen onder het portret van Hitler naar zijn toespraken te luisteren. ‘Ik zit te vernikkelen in mijn jas en ik kan me er niet toe zetten te schrijven, omdat Hitlers stem zo luid door de muren klinkt dat het lijkt alsof hij vlak naast me staat.’ De dag erop valt Duitsland Oostenrijk binnen.

Dreigende wereld

In de in alle opzichten dreigende wereld is de oudere Møller een rustpunt. Na zijn schrijven dineert ze met hem. Zij is achttien, hij begin vijftig. Nog weer later zijn ze bij hem thuis. ‘Teder legt hij zijn arm om me heen, een gloeiende hitte jaagt door mijn lichaam. Is dit liefde?’ En verderop: ‘„Je lijkt op een kind,” zegt hij vertederd, „een kind dat zich nog niet echt staande weet te houden in de wereld van de volwassenen.”

Het schone en nietsontziende van Ditlevsens memoires – de dubbele grondtoon van alle drie de delen – is dat haar antwoord hierop is: ‘Ik kende ooit iemand, […] die zei dat iedereen wel iets van iemand anders wil. Ik wil dat jij me helpt mijn gedichten te laten uitgeven.’ Zo geschiedde. Haar debuut Pigesind (Meisjesgeest) verschijnt. Als de auteursexemplaren in een doos op haar stoep verschijnen leidt de ervaring van de werkelijkheid van haar debuut tot een kalm inzicht. Ze heeft iets van het onzegbare een vorm gegeven via haar gedichten. Dat onzegbare is daarmee niet opgeheven, het schuift eerder met haar mee op in de tijd. Ze overweegt het debuut mee naar buiten te nemen en trots te tonen, maar besluit: ‘Vanavond wil ik er in mijn eentje tijd mee doorbrengen, want er is niemand die echt begrijpt wat voor wonder dit voor me is.’

Het laatste en verbluffende deel handelt in de kern over de liefdesrelatie en de schokkende gevolgen van verregaande symbiose. Tove is getrouwd met Viggo F. Møller. Wat bedompt aanvoelt. ‘Ik ben nog maar twintig, maar het voelt alsof het leven buiten deze groene kamers voor andere mensen voorbijvliegt als op de klanken van trommels en pauken, terwijl de dagen zo onopgemerkt als stof op me neerdalen, de ene dag precies zoals de andere.’ De wereld heeft zich tegelijk meer geopend. Ze richt een gezelschap op dat De Club voor Jonge Kunstenaars heet. Ze ontmoet vele ‘beroemdheden’ bij wie ze eet samen met haar man, die over haar praat alsof ze er niet bij is.

Verslaving

Via de bewondering van een ander ontsnapt ze aan dit huwelijk. Ze wordt verliefd op Jan, scheidt van Møller en breekt haar hart als Jan gevlogen blijkt. Het jachtige verlangen naar liefde zwelt aan. Ze trouwt met Ebbe, een jonge student. Als hun eerste kind geboren wordt: ‘Nu zijn we vader, moeder en kind […] een doodgewoon, normaal gezin.’ Er wordt nog een kind geboren. Tove lijkt wel en niet verbonden met haar geliefden, alsof ze er net buiten zweeft. ‘Soms […] denk ik dat ik niet van iemand kan houden. Het is alsof ik alleen mezelf op de wereld zie.’

Tove Ditlevsen

Foto Mogens Berger/Ritzau Scanpix

In het tweede deel van Afhankelijkheid verandert de leeservaring in wat een roepend kind voor een poppenkast ervaart: een vorm van wanhoop die intrinsiek lijkt aan verhalen over verslaving. Tove laat zich aanbidden door Carl, een arts, herstellende van ernstige wanen. Ze krijgen een kind. Hij laat haar kennismaken met pethidine, een pijnstillende drug, die geïnjecteerd wordt. Vanaf het moment dat ze daar de uitwerking van ervaart, verschuift haar aandacht naar het herhalen van deze uitwerking. Het bezit haar volledig. Ze verzint een ooraandoening om het medicijn te bemachtigen. Er ontstaat een routine, waarin zij haar arts smeekt, hij het haar toedient en agressieve seks met haar heeft in haar lappenpoppenstaat.

De weg uit die vijf jaar durende hel verloopt via de liefde en toewijding van haar huishoudster Jabbe en haar artsen. Als een nieuwe aanbidder zich aandient hoop je dat die aan haar voorbij mag gaan. Hierover schrijft ze, opnieuw dankbaar voor de kracht die ze uit de aanbidding put: ‘[...] en langzaam leerde ik te leven in het bestaan zoals het was.’ Op den duur houdt het huwelijk geen stand. Leven in het bestaan zoals het is ‘ontleert’ ze weer.

Het ‘beschermende vlies om haar ziel’ dat het schrijven haar verschafte, de magische ‘lichte woordgolven’ hebben haar allicht niet alleen beschermd. Maar ook afgeschermd. Niet lang daarna sterft Tove Ditlevsen aan een overdosis.