Familie van een aan corona overleden vrouw (86) haalt de urn met as op, op Cementerio Sur, Madrid. Ze stierf in het ziekenhuis zonder naasten om zich heen.

Foto James Rajotte

Reportage

Toen het ijsstadion van Madrid een mortuarium werd

Spanje De Spaanse hoofdstad Madrid werd ongemeen hard getroffen door het coronavirus. Kisten met stoffelijke resten werden het hele land doorgereden. NRC blikt terug met de Madrileense begrafeniswereld.

Op Plaza de Cibeles leggen een jongen en een meisje een bloem neer bij de vlam die flakkert op een zwarte sokkel. Ze maken een selfie met op de achtergrond de beroemde fontein en het imposante gemeentehuis van Madrid.

Het ‘eeuwige vuur’ brandt er sinds mei, voor de 11.500 inwoners van Madrid die het leven lieten door Covid-19.

Dat corona de Spaanse zorgsector zwaar overbelastte, is bekend. Verpleegkundigen werden door de Madrilenen als helden vereerd, weken achtereen was er iedere avond applaus voor hen te horen. Maar hoe zwaar de mensen die werken in het lijkbezorgings- en begrafeniswezen het te verduren hadden tijdens de eerste golf van de pandemie, bleef grotendeels verborgen. Voor hen geen applaus. Geen bloemen. En zelfs geen extra beschermend materiaal. NRC maakte een rondgang in de begrafeniswereld; van het ophalen van een coronaslachtoffer in het ziekenhuis tot het uitstrooien van as over een veld vol rozen.

Ziekenhuis La Paz

José Luís Pérez (45) is groot en sterk. Als chauffeur van het gemeentelijke begrafenisbedrijf kijkt hij al twaalf jaar lang dagelijks de dood in de ogen. Geen type dat zich snel van de wijs laat brengen. Maar als hij zich voor de geest haalt hoe de eerste golf van het coronavirus in Madrid huishield, krijgt zelfs hij het soms te kwaad. „Het ergste was als je overledenen uit hun eigen huis moest halen”, verzucht Pérez voor Hospital La Paz waar hij net een coronadode heeft opgehaald. Hij ademt even in en zegt: „Ik weet nog goed dat ik het lichaam van een oude man meenam, voor de ogen van diens zoon. ‘Dag kampioen’, zei hij, zwaaiend naar zijn vader, in de wetenschap dat hij hem nooit meer zou zien.”

Tijd om zelf te rouwen heeft Pérez tijdens de eerste coronagolf niet. Terwijl de straten van Madrid door de lockdown uitgestorven zijn, is het bij de mortuaria een komen en gaan van lijkwagens. Er zijn dagen dat Pérez vijftig doden naar het lijkenhuis brengt. Hij ziet dingen die hij niet meer van zijn netvlies krijgt. „In sommige ziekenhuizen heb ik hopen lijken op elkaar zien liggen. We haalden ze met een vrachtwagen op. Het leek wel oorlog.” Volgens Pérez was het „echt gekkenwerk”. „We maakten allemaal overuren. We gaven onze vrije dagen op. Maar het was niet genoeg.”

Gemeentelijke begrafenismedewerkers met een stoffelijk overschot onderweg naar het crematorium. Foto James Rajotte

Begrafenis op Cementerio de la Almudena. Foto James Rajotte

Met circa 250 Madrileense doden per dag komen de lijkkisten in zo’n hoog tempo binnen dat de vierhonderd medewerkers – en de ovens – van de gemeentelijke crematoria de toestroom niet meer aankunnen. Maar extra hulp blijft uit. De directie van de Servicios Funerarios de Madrid (SFM) wijst de vraag van de personeelsorganisatie om extra mankracht en de aanschaf van twee extra ovens af. Zulke tijdelijke investeringen zullen waardeloos zijn als de pandemie straks voorbij is, redeneert de directie. Ook politieke overwegingen spelen mee. De conservatieve Volkspartij PP die Madrid bestuurt, wil de begrafenisdiensten zoveel mogelijk privatiseren. En het stadsbestuur weet dat de corona-chaos toch vooral afstraalt op de nationale regering van de sociaal-democraat Pedro Sánchez die tijdens de noodtoestand de regie in handen heeft.

Tot verbijstering van de werknemers van het begrafenisbedrijf dreigt Madrids burgemeester José Luis Martínez Almeida (PP) op 23 maart zelfs het mortuarium aan de ringweg M-30 te sluiten als de nationale overheid niet bijspringt met pakken, mondkapjes en handschoenen. Pérez: „We kwamen beschermingsmiddelen tekort. Daar werd over onze ruggen een politiek spel van gemaakt.”

Op 24 maart haalt de stad Madrid het wereldnieuws als het ijsstadion wordt ingericht als noodmortuarium. Ondertussen storten private begrafenisondernemingen zich op de markt – bij hen is een begrafenis of crematie te krijgen, maar dan voor een veelvoud van het gemeentelijke tarief. Pérez is er nog altijd kwaad over. Hij kijkt aan de achterkant van het mortuarium even om zich heen om te zien of niemand hem hoort. „Het is een schande dat de gemeente haar burgers tijdens de moeilijkste momenten de rug toekeerde. Wij als personeel hebben geen seconde aan stoppen gedacht. Het is zeer frustrerend als de privé-sector vervolgens een deel van het werk overneemt dat we zelf hadden kunnen doen. Zelf hadden móeten doen.”

In het voorjaar rijden er koelwagens vol lichamen door Spanje, op weg naar crematoria elders. Zo vervoert het bedrijf van de Andalusiër Filiberto Sosa van 20 maart tot 30 april meer dan vijftienhonderd stoffelijke overschotten uit het Madrileense ijsstadion naar zijn ovens in de zuidelijke provincie Huelva, om ze als as terug te brengen naar nabestaanden in de hoofdstad. Het is big business. Sosa krijgt volgens het online-medium El Independiente van zijn zakenpartners uit Madrid 1.500 euro voor elke rit met een volle bestelbus.

Lees ook deze NRC-reportage uit maart dit jaar: In Madrileens bejaardenhuis ‘liggen de kelders nu vol doden’

Door wildgroei en improvisatie gaat het overzicht verloren. Begrafenisondernemers weten niet altijd meer waar de doden zijn. Nabestaanden hebben er daags na het overlijden van hun naaste soms geen idee van wat er met het lichaam gebeurt. Dat overkomt ook chauffeur Pérez, wiens tante tijdens de eerste piek in de pandemie aan Covid-19 overlijdt. Zijn familie laat de uitvaart via de daarvoor afgesloten verzekering noodgedwongen over aan een privaat bedrijf. Maar deze onderneming laat niets meer over een begrafenis horen. Pérez: „We hadden een tijd lang geen idee waar mijn tante was gebleven.” Na enig onderzoek kwam hij erachter dat ze op een begraafplaats in Móstoles lag, even buiten Madrid.

„Normaal gesproken”, zegt hij, „ben ik degene die dit soort werk, heel zorgvuldig, doet. Als je dan door fouten van anderen wordt geraakt komt dat hard aan.” Pérez haalt uit zijn jaszak een papier met allemaal streepjescodes. Ze horen bij het lichaam van een aan corona overleden patiënt. „Kijk”, zegt hij, „op ieder moment kan met een scanner gelezen worden om wie het gaat en waar zijn resten zich bevinden. Ons systeem is waterdicht. Wij hebben hier jarenlang ervaring mee.”

Mortuarium M-30

De gemeente Madrid beschikt over veertien begraafplaatsen, twee crematoria en twee grote mortuaria. Hoewel het aantal werknemers de voorbije decennia is teruggebracht van ruim zevenhonderd naar vierhonderd, functioneert de publieke dienst onder normale omstandigheden goed. Ook financieel is het een goedlopend bedrijf.

Ana Quintero (43) – een sterke, gedreven vrouw – werkt er al 23 jaar op de commerciële afdeling waar begrafenissen naar de wensen van de klanten worden georganiseerd. Ze heeft heel wat rampen op zich zien afkomen. De 191 doden van de aanslagen op de forenzentreinen bij Atocha op 11 maart 2004. Of het verongelukte toestel van Spanair waarbij op 20 augustus 2008 154 slachtoffers vielen. „Op dat soort momenten is het in korte tijd heel erg druk. Maar bij die crises wist je wel precies waar je aan toe was”, zegt Quintero in de kantine van mortuarium M-30. . „De coronacrisis is anders. Die zagen we in februari vanuit Italië op ons afkomen. Ze kwamen daar al snel aan alles tekort. Het leger werd ingezet om lichamen te vervoeren. Wij zagen de problemen van Italië als een dramatisch voorbeeld, maar de directie sloeg onze waarschuwingen in de wind.”

Naasten weten soms niet waar het lichaam van de pas overledene gebleven is

Quintero, zichtbaar gepikeerd door de passieve houding van haar bazen, kijkt vanachter de tafel even in het rond en zegt dan: „Als de gemeente wél twee of drie ton in twee nieuwe ovens had geïnvesteerd, waren we niet genoodzaakt geweest crematoria in Burgos en León in te schakelen.”

Quintero gaat voor in de hal van het reusachtige mortuarium waar tientallen groepjes rouwenden bij afgescheiden zaaltjes staan. Er heerst een klinische sfeer. Een geur van verwelkte bloemen vult het vertrek. „We hebben talloze lichamen van hier naar de begraafplaatsen gebracht, terwijl de familie thuis in een lockdown zat”, vertelt Quintero. „We konden ze alleen een tijdstip van een begrafenis geven zodat vlak daarvoor de naam van de overledende nog kon worden gecontroleerd. En later kregen ze het nummer van een graf of een urn met as. Dat ging in tegen alles waar we normaal gesproken voor staan. Je wilt in ons vak dat mensen in ieder geval een waardig afscheid van hun naasten kunnen nemen.”

Begraafplaats Zuid

Voor Manuel Carmona (59) hoort de dood bij het dagelijks leven. Hij begon in 1988 als grafdelver, studeerde op kosten van het gemeentelijke begrafenisbedrijf rechten en staat nu, als voorzitter en woordvoerder van het comité dat opkomt voor de rechten van het personeel, tegenover de directie.

Onder zijn leiding eist het personeel de inzet van meer werkkrachten, tot dusver vergeefs – terwijl er nog altijd op meerdere afdelingen grote gaten vallen. „De leiding is van een andere politieke kleur dan toen ik hier begon. Vroeger was het wat socialer”, zegt Carmona met een glimlach op het parkeerterrein van Cemeterio Sur. De forse Spanjaard stelt voor te voet over de gigantische begraafplaats te gaan. Er rusten tienduizenden doden, soms in rijkversierde praalgraven, meestal ingemetseld in sobere muren. Een enkele bezoeker dwaalt over het lege wegennet dat zich langs de graven kronkelt. De begraafplaats is zo groot dat er een autoweg is, met verschillende bushaltes van stadslijn SE702, die van Plaza Elíptica via het Mortuarium Zuid naar Cementerio Sur rijdt.

„In principe weten alleen de medewerkers van de begraafplaats en de nabestaanden of iemand aan corona overleed of niet”, vertelt Carmona vanachter zijn mondkapje. „Daar is op de grafstenen verder niets van te zien. Dat is normaal. We leggen bij een vliegtuigongeluk ook niet alle doden bij elkaar.”

Bij één van de muren met bovengrondse graftombes is dat anders, wijst Carmona. Een bloemenvaasje met een strik van de regio Madrid verwijst naar de doodsoorzaak van dit vijftigtal in sectie 22B. Het zijn coronaslachtoffers van wie het lichaam niet is geclaimd. „Deze lichamen blijven hier liggen voor het geval dat er ooit toch iemand bijvoorbeeld naar zijn overleden vader komt vragen.”

Lees ook dit NRC-artikel van eind juli: ‘In ‘familieland’ Spanje stierven duizenden ouderen eenzaam in tehuizen’

Midden op de begraafplaats ligt het crematorium. In maart ziet Henar Ferrero (54) vanuit haar werkhokje de lijkwagens filerijden. Eén of twee familieleden krijgen een paar seconden de tijd om door de ruit van een auto te kijken naar de kist, waarop een briefje ligt met de naam van de overledene. Dan gaan de stoffelijke resten via de achterdeur naar het steeds vollere magazijn van het crematorium. Naast de lijkkisten staan kasten met vele groene urnen, te wachten om te worden opgehaald. Er zijn papiertjes opgeplakt met de namen van de doden. In de ruimte ernaast branden de twee ovens vrijwel constant.

„Het was soms net een horrorfilm”, zegt Ferrero, die nu acht jaar als een soort gastvrouw in het crematorium werkt. „De nabestaanden zitten vol schok en verdriet, maar konden dat niet kwijt. Sommigen begonnen uit wanhoop tegen mij te schelden, anderen fluisterden verwensingen en velen barstten in huilen uit. Dan huilde ik vaak spontaan met ze mee.”

Tijdens de piek van de eerste golf werkt Ferrero zonder mondkapje of handschoenen. „Dat was volgens de directie niet nodig”, zegt ze. „Als je daar nu aan terugdenkt was dat natuurlijk absurd.” Ze herinnert zich het onophoudelijk rinkelen van de telefoon. „Steeds maar weer belden mensen die wanhopig op zoek waren naar hun nabestaanden. Maar we hadden hier een wachtlijst met meer dan driehonderd namen. Een antwoord geven was meestal simpelweg niet mogelijk. Al was het maar omdat er tegelijkertijd weer een dode binnen werd gebracht.”

Voor Ferrero verglijdt het voorjaar in een roes van overweldigende spanning en werk, waaruit ontwaken moeilijk is. „Op een dag reed ik met mijn auto de garage van mijn huis in, zoals altijd. Ik hoorde een vreemd geluid, maar besteedde er verder geen aandacht aan. ‘Mam, wat heb je nou gedaan?’, riep mijn zoon. Bleek dat ik de hele zijkant eraf had gereden.”

Het crematorium op de begraafplaats in het zuiden van Madrid, Cementerio Sur.
Foto James Rajotte
Bloemen op de Cementerio de la Almudena, in het oosten van Madrid.
Foto James Rajotte
José Luis Sáinz-Diez, priester bij het crematorium op de begraafplaats in het zuiden van Madrid, Cementerio Sur.
Foto James Rajotte
Foto James Rajotte

Priester in kazuifel

In de lege aula van de begraafplaats bereidt priester José Luis Sáenz-Díez (74) zich voor op een crematie. Op de houten bankjes zijn stickers geplakt op de plaatsen die onbezet moeten blijven. Naast een preekstoel hangt een beeld van Jezus aan het kruis. Ook als de priester loopt houdt hij zijn hoofd steeds ietsje gebogen. Het standaardgebed van zeven minuten kent hij uit zijn hoofd. „Ik heb de tel niet bijgehouden, maar in maart en april moeten er wel veertig diensten per dag zijn geweest”, zegt hij. „Vrijwel allemaal overleden ze door Covid-19, maar in de gebeden noem ik nooit de doodsoorzaak. Ik probeerde mijn emoties in de woorden te leggen. En als er geen familie aanwezig was, deed ik het gebed stil van binnen.”

Ook nu, met in Madrid zo’n twintig coronadoden per dag, is Sáenz-Díez nog druk met het regelen van begrafenissen en crematies. „Er mogen nu gelukkig weer mensen bij en er is meer tijd”, vertelt hij met een gebedenboek in zijn handen. „Er komt zo een dienst met prachtige muziek”, zegt hij fluisterend, terwijl hij een paarse kazuifel aandoet.

Aan het begin van de middag komen de nabestaanden van María Suárez Lorca met z’n zessen naar Cementerio Sur. Een Madrileense arbeidersfamilie. Een dag eerder hebben ze met een korte dienst van moeder afscheid genomen. Nu, 24 uur later, komen ze de urn halen om de as uit te strooien op het veldje met rode rozen. Bij haar blauwe naamplaatje op de ‘herinneringsmuur’ leggen ze bloemen. Minuten achtereen blijven ze roerloos staan.

De dochter van María Suárez Lorca – die op 86-jarige leeftijd alleen in het ziekenhuis aan corona is gestorven – krijgt het na het sobere ritueel te kwaad. „De laatste maand mochten we niet eens meer bij haar”, zegt ze met tranen in de ogen. „We hebben steeds gedacht dat corona ons niet zou treffen. Pas nu weten we hoe erg het is. Ik ben er doodsbang voor geworden.”

Ex-grafdelver Carmona kan er met zijn hoofd niet bij dat er in Madrid binnen een paar maanden een nieuw, ‘pandemie- ziekenhuis’ voor 100 miljoen euro uit de grond is gestampt, terwijl ‘zijn’ mensen met hun beperkte middelen moeten blijven worstelen om slachtoffers een waardig afscheid te gunnen.

„Pas op hè,” zegt hij terwijl we verder wandelen over de begraafplaats. „Het is nog niet voorbij. Met de winter voor de deur is de kans groot dat het aantal doden weer sterk stijgt. In Italië is dat al gaande. Het lijkt me dat we onze les toch wel hebben geleerd? Of gaan we het risico lopen dat de doden zich weer opstapelen?”

Het was Carmona die het personeel opriep op 1 november – Allerheiligen – een dag het werk neer te leggen. De actie van ‘de stakende doodgravers’ werd breed uitgemeten in de Spaanse media, maar de directie veranderde niet van mening. Carmona maakt zich grote zorgen over zijn collega’s. „Als je dit werk doet, dan stomp je op een gegeven moment af. Zelfs toen ik mijn eigen ouders moest begraven, huilde ik niet”, zegt hij al lopend. Hij houdt zijn pas in. „Wij staan er hier helemaal alleen voor. Therapie voor een begrafeniswerknemer is er niet.”

Graftombes van coronaslachtoffers wier lichaam door niemand is ‘geclaimd’.Foto James Rajotte
Strooiveld voor as op Cementerio de la Almudena, Madrid.Foto James Rajotte
Begraafplaats Cementerio de la Almudena.Foto James Rajotte