Lize Spit: „Ik ben nooit de ideale persoon geweest om te leven met iemand die manisch-depressief was. Daarin lijk ik op Leo, mijn hoofdpersoon.”

Foto Wouter van Vooren

Interview

Schrijfster Lize Spit: ‘Mijn verlangen gezien te worden werd een manier van leven’

Lize Spit Deze week verscheen Ik ben er niet, de tweede roman van de Vlaamse schrijver Lize Spit. Weer putte ze uit haar eigen leven. Maar, zegt ze, ‘het is echt een roman en geen autobiografisch boek’.

‘En ook nog iets negatiefs?” vraagt Lize Spit voorzichtig, na van het bezoek een paar complimenten te hebben gekregen voor haar nieuwe roman. Dan komt haar geliefde, schrijver Rob van Essen, tussenbeide met een lach: „Nee nee, dat is niet de goede vraag!” Hij snelt naar haar toe om met een omhelzing haar twijfel te smoren.

Ik ben er niet is er, de tweede roman van de 32-jarige Vlaamse, een kleine vijf jaar na haar succesdebuut Het smelt, waarvan meer dan 200.000 exemplaren zijn verkocht. Haar spanning over de ontvangst is groot – het schrijven was een „worsteling”, vertelt Spit in haar Brusselse appartement waar Van Essen in het lockdownvoorjaar ook introk, en waar zij enkele weken geleden het manuscript voltooide. Het was, vertelt ze, een worsteling met de verwachtingen, met de sluimerende angst een eendagsvlieg te blijken, de vrees dat de messen al geslepen werden. Dat het niet goed genoeg was.

Ze is er niet gerust op. „Ik denk nu sóms dat het misschien mogelijk is dat ik iets heb gemaakt dat goed is. De laatste twee, drie jaar was mijn denken veel negatiever, ik ging ervan uit dat iedereen dacht: ‘Dit wordt niets’. Pas de laatste paar weken, sinds het boek werd aangekondigd en er een stroom verheugde berichtjes op gang kwam, besef ik hoezeer ik heb onderschat hoeveel mensen gewoon zin hebben om mijn nieuwe boek te lezen.”

Ik ben er niet vertelt het verhaal van de afbrokkelende relatie van een Brussels stel van rond de dertig. Dat het ongelukkig eindigt, is vanaf het eerste hoofdstuk duidelijk: dan wordt zij, Leo, opgebeld met de mededeling dat hij, Simon, iets gedaan heeft, iets ergs. Wat volgt is een terugblik op hun liefde en vooral Simons geestelijke ontsporing, in een zenuwslopende psychologische roman, traag als een smeltend ijsblok, wurgend als een strop die steeds meer gaat knellen.

„Het idee stamt al van vóór Het smelt, omdat het thema al in mijn eigen leven speelde”, vertelt Spit, en ze remt zich meteen af: „Het is lastig om over dit boek te praten, want het is echt een roman en geen autobiografisch boek, maar ik heb wel zelf een relatie gehad met iemand die manisch-depressief was. Met het ontwikkelen van die ziekte heeft ook dit boek zich ontwikkeld. Eigenlijk omdat ik dat altijd doe: als er iets ingrijpends of lastigs gebeurt, reageer ik daarop door het als een toekomstig boek te beschouwen. Ik begin zo te kijken en informatie te verzamelen dat ik weet: daar kan ik iets mee doen. Zo kan ik die gebeurtenis verwerken. Dat is troostrijk.”

Ik heb het vermogen om te zorgen dat iets ergs nog iets moois oplevert

Dus terwijl je ‘Het smelt’ schreef, lag dit te rijpen?

„Ja, het overlapt. Een deel van Het smelt heb ik geschreven toen ik in het ziekenhuis zat te wachten op bezoekuren. Mensen vroegen me vaak waarom dat boek zo donker was, tja, deels daarom misschien, dat het verdriet erin gesijpeld is.”

In ‘Ik ben er niet’ zit Leo ook urenlang in het ziekenhuis te wachten op bezoekuren, omdat Simon is opgenomen. Maar je wilt graag benadrukken dat het niet autobiografisch is, hoe zit dat?

„Nou, een boek begint pas echt wanneer ik me neerzet en ga schrijven, en dat begint bij mij met het zoeken naar een structuur, met daarin keuzes maken. Zo vorm ik het materiaal naar wat de roman nodig heeft en dan raakt de werkelijkheid steeds verder uit beeld. Ik bedacht die structuur met het telefoontje aan het begin en terugkerende scènes van het fietstochtje dat Leo dan van haar werk naar huis onderneemt – dan zit er een tijdsdruk op. En ik bedacht om de ziekte van Simon zich te laten ontwikkelen binnen de tijdspanne van een jaar; in het echt speelde het jarenlang, maar dat werkt in de roman niet, dan blijft die spanningsboog eeuwig op en neer gaan.”

Dat zijn allemaal technische keuzes.

„Ja, ik ben opgeleid als scenarioschrijver en kan heel moeilijk een verhaal níét zo bekijken. Een roman componeren is montage: je hebt een scène en moet kiezen: wanneer knip je? Schrijven is voor mij grotendeels zoeken naar die structuur die maakt dat het meer wordt dan mijn autobiografische relaas.”

„Ik wilde een spannend boek. En tegelijk literair. Ik ben er niet heeft thrillerelementen, maar ik denk dat het een literair boek is, dankzij de taal, de psychologische gelaagdheid. Ik probeer me nu in te dekken, hè? Op die plot in Het smelt kwam wel kritiek – alsof je het met een plot de lezer al te gemakkelijk maakt. Een lezer moet wel iets overhebben voor literatuur, dat idee. Ik snap dat nooit zo goed.”

Foto Wouter van Vooren

Het klinkt alsof jouw schrijven vooral een technische aangelegenheid is. Hoef je dan niet meer na te denken over de personages, hun gevoelens? Ligt dat materiaal in je hoofd al klaar voor gebruik?

„Nee, zeker niet! Dat is de volgende stap: ik bouw eerst een structuur, vul die met dingen die ik ken of verzonnen heb – ik heb veel notities, van dingen die me eens zijn opgevallen, zoals een stugge haarspriet waardoor iemand een soort eenhoorn lijkt, en dat gebruik ik dan voor de haardos van de dokter. Dan kijk ik wat uit dat samengaan ontstaat – dat is het meest ongewisse aan het schrijven. Zo lijkt Leo niet op mezelf, ik heb haar heel gesloten en geïsoleerd gemaakt. Waardoor zij anders in de situatie staat dan ik. Soms moest ik me dan wel afvragen: hoe Leo nu reageert, kán dat? Is dat geloofwaardig?”

Dan was het misschien gemakkelijker geweest als je dichter bij je eigen verhaal was gebleven? Waarom heb je dát eigenlijk niet opgeschreven?

„Omdat ik geen autobiografische boeken schrijf. Tja, omdat dat toch te gevaarlijk voelt? Omdat ik mensen wil beschermen die zich erin zouden kunnen herkennen, en mezelf? Maar ook omdat dat niet per se een goed boek zou opleveren, denk ik?”

Maar je wilt ook laten zien hoe iemand reageert op een manisch-depressieve vriend, neem ik aan? Is dat niet de drijfveer achter deze roman?

„De drijfveer is vooral het opschrijven, omdat ik het dan kan verwerken. Dat is hoe ik in het leven sta, al heb ik daar ook een schuldgevoel over – en dat heb ik ook vrij letterlijk in de roman verwerkt.”

Je bedoelt: Leo gaat columns publiceren over hoe het is om een manisch-depressieve vriend te hebben. Zonder dat Simon daarvan weet.

„Precies. Een van de omstandigheden waardoor ik in mijn relatie geduld kon blijven opbrengen, was dat ik ook dacht: dit is een verhaal. Dat klinkt wel oneerbiedig voor mijn omgeving, want zij zijn geen experimenten of onderwerpen, maar die dynamiek is er wel. Leo komt op een punt dat Simon haar heel weinig meer geeft, maar dan denkt ze nog: ik kan er tenminste over schrijven, dus ik blijf.”

Omdat die situatie spannend is, omdat Leo, net als jij, het verhaal zoekt waar het pijn doet, waar de menselijke verhoudingen onder druk staan?

„Kijk, het is niet zo dat ik hoop dat Rob een levensbedreigende ziekte krijgt zodat ik er een goed boek over zal kunnen schrijven. Maar als het zover komt, zal mijn allereerste gedachte zijn: ik moet het vastleggen. Dan kan ik het sublimeren, zodat iets ergs nog iets moois oplevert. Die houding heb ik altijd gehad: de wetenschap dat ik in alle ellende kan belanden, maar altijd dat vermogen nog heb.”

Waar komt dat gevoel vandaan?

„Oh, dat heb ik altijd gehad, het is een verdedigingsmechanisme zoals iedereen dat aanmaakt in zijn kindertijd.”

Was zo’n verdedigingsmechanisme dan nódig in jouw kindertijd?

„Oei, nou, dat is een complex proces – ik ben opgegroeid in het cliché van het Vlaamse gezin waar nooit iets werd gezegd, terwijl overduidelijk was dat er dingen scheef zaten. Alsof er een geruststelling zat in het niet-uitspreken. Ik was als tegenreactie altijd heel communicatief, extravert – door eroverheen te praten en de stilte op te heffen. Het was mijn mechaniek om ongemak en angst weg te nemen – en ik was er goed in, ik kan er een vrij groot genoegen in scheppen om een gevoel zo te omschrijven dat andere mensen me begrijpen. Dat maakt een eind aan eenzaamheid.”

Foto Wouter van Vooren

Ondanks de zwijgzaamheid werd je mondigheid aangemoedigd?

„Ja, ik had een docent met wie ik brieven uitwisselde, en leerkrachten die mijn romannetjes wilden lezen. Mijn taligheid was een zaadje dat gevoed werd door die bevestiging, waardoor ik wist: die kant moet ik op groeien. Zo werd het verlangen om gezien te worden dankzij die taligheid een manier van leven. Dit klinkt nu ijdel misschien?”

Misschien zou het ijdel zijn wanneer je de lezer opzadelde met jouw ongefilterde verhaal? Wat je nu omzeilt door een lekker plot te verzinnen.

„Ah, ja, dat het maken van de plot uit angst is om te koketteren. Ja, dat besef ik nu je het zegt. Ik kijk ernaar als een technische aangelegenheid om de ijdelheid niet helemaal te hoeven etaleren.”

Evengoed voel je wel een schuldgevoel, zei je, over het parasiteren op mensen in je omgeving?

„Ja, die verhaallijn over de columns over Simon is ook een klein beetje een schuldbekentenis over Het smelt. Mijn ouders zijn niet zoals de ouders in die roman, maar ik heb hen wel veroordeeld tot de dingen die ik heb verzonnen. Mensen belden bij hen aan, zeiden: ‘We weten nu allemaal wat hier gebeurd is!’ Ze nemen de fictie voor waar aan – dat is het verraad dat een schrijver pleegt, dat je macht krijgt over hoe mensen naar de werkelijkheid kijken. Ook daarom heb ik nu zo veel werk gestoken in het fictionaliseren.”

Los nog van individuen die zichzelf kunnen herkennen: voor lezers die met bipolariteit te maken hebben, lijkt het me niet opbeurend om te zien hoe slecht het gaat met Simon.

„Ja, het boek belicht het dieptepunt en is daarom vrij hard en negatief – ook omdat het eerste jaar na de diagnose sowieso lastig is, je vindt niet meteen de juiste medicatie, et cetera. Maar Leo is niet wie ik ben, ik heb er een milder zicht op.”

Maar wat de roman vertelt is vrij somber: Simons ziekte drijft hen onherroepelijk uit elkaar.

„Voor hen onherroepelijk, maar niet voor iedereen. Ik denk dat dat samenhangt met wat voor mensbeeld je hebt, hoe je in het leven staat. Daarom heb ik ook de verledens van die personages uitgewerkt, om te tonen: Leo en Simon hebben beiden een ouder verloren en geen veilige basis, waardoor ze er niet op vertrouwen dat alles goedkomt. Leo heeft verlatingsangst, ze voelt zich al in de steek gelaten door een vriendin die zwanger raakt, ze klampt zich vast aan Simon en hij aan haar.

„En om het persoonlijk te maken: ik ben, geloof ik, ook nooit de ideale persoon geweest om te leven met iemand die manisch-depressief was. Daarin lijk ik op Leo: ik ben iemand die niet een ander kan geruststellen, maar gerustgesteld moet worden. Mijn reactie op de ziekte van mijn ex-partner is ook in het boek beland: helemaal in de zorgende rol kruipen. Het eerste wat ik hem ’s ochtends vroeg was: ‘Hoe is je hoofd?’ Meteen informatie inwinnen, controle pakken. Vrienden confronteerden me eens ermee dat ik ieder kwartier aan hen vroeg of het wel ging. Erop vertrouwen dat het wel ging vond ik ontzettend moeilijk – laat staan in een relatie waarbij een ziekte opduikt die nooit meer overgaat en plots weer uit de hand kan lopen. Zelfs op het moment dat het goed gaat, gaat het niet goed, want het kan weer slechter worden – zo dacht ik. Ik wil nog eens benadrukken dat het met mijn ex nooit zo slecht is gegaan als met Simon, maar Leo’s reactie is uit het leven gegrepen: dat hij zich goed voelde, maar ik hem met argwaan bleef bekijken.”

Dat komt door verlatingsangst, zeg je?

„Ja, en dan niet op het niveau dat je bang bent dat je partner vreemdgaat, maar dat alles bepaald wordt door de angst om verlaten te worden. Als ik een berichtje heb gestuurd naar beste vrienden, denk ik tot ze geantwoord hebben: shit, ik heb iets fout gedaan, ze gaan me minder graag zien. Altijd ga ik uit van het ergste.”

Je hebt geen ouder verloren, toch?

„Nee, maar ik heb wel altijd de angst gehad dat ze uit het leven zouden stappen. Ik wist dat het leven niet gemakkelijk was voor mijn ouders, er hing verdriet in huis, worsteling. Als je dat als kind oppikt en er wordt niet over gesproken, vergroot zich dat uit en ga je je ernaar gedragen. Elke ochtend als ik opstond ging ik alle kamers langs om te kijken of iedereen nog veilig in bed lag. Toen ik later in een zwangerschapskledingwinkel werkte en ’s ochtends de kleedhokjes moest stofzuigen, had ik nog steeds de schrikreflex om achter het gordijn iemand levenloos te vinden.”

En zo’n vorming maakt je ongeschikt voor een relatie met iemand met een bipolaire stoornis?

„Ja, mij wel. Het is niet dat mensen die een onstabiele geest hebben niemand kunnen vinden, maar dat moet iemand zijn die een basaal vertrouwen heeft in de wereld en in de ander. De verdrietige conclusie is dat ik dat niet gehad heb. Ik ging volledig voor hem zorgen, maar dat was niet wat hij nodig had. Zo maakte ik hem onbewust afhankelijker. Ik heb dat pas veel te laat begrepen. En ik weet niet of ik op die eigenschap ooit echt grip ga krijgen.”