Hartverscheurende brieven aan Splinter Chabot

Redacteur Margot Poll signaleert welke boeken er ook nog zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken. Deze week over een muzikaal genie, ziekenhuisleed en een ranzig kerstdiner.

1. Thomas Bernhard: De onderspitdelver

Van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) is opnieuw een roman meesterlijk vertaald. Met weer die prachtige lange zinnen, die steeds opnieuw in andere volgorde herhaald worden, weer de onzekere tussenkomst van de ik-figuur die steeds dacht ik achter de zinnen plakt alsof hij zich verschuilt achter het feit dat de roman een herinnering aan 28 jaar geleden is. De onderspitdelver is een hommage aan de klassieke pianist Glenn Gould, die een jaar voordat de roman in 1983 verscheen overleed, maar gaat zeker ook over Bernard zelf. Bernard beschrijft hoe Glenn Gould samen met ‘Wertheimer’ en de ik-figuur in 1953 in Salzburg een cursus volgt bij de beroemde pianist Horowitz. Gould is het absolute genie en Wertheimer delft op alle fronten het onderspit. De ik-figuur stopt met pianospelen omdat hij ‘bijtijds tot het inzicht’ zegt te zijn gekomen dat een virtuozencarrière voor hem niet was weggelegd. En aangezien hij in alles altijd alleen maar ‘het hoogste’ nastreeft, gaat zijn Steinway naar de dochter van zijn onderwijzer. Hup weg ermee. Ook Wertheimer, die door Gould meteen al voor een ‘onderspitdelver’ wordt aangezien terwijl de ik-figuur het begrip ‘doodspoorganger’ meer op zijn plaats vindt, breekt zijn carrière als pianist gefrustreerd af. Glenn Gould maakt ondertussen furore met zijn Goldberg Variaties. De ik-figuur werd ‘wereldbeschouwingskunstenaar’ en heeft met zijn filosofische, humoristische stijl van schrijven wederom het hoogste nagestreefd. Bernard is daar – als we in hem de ik-persoon mogen zien – zeker in geslaagd.

Thomas Bernhard: De onderspitdelver. (Der Untergeher). Vert. Chris Bakker. IJzer, 205 blz. € 22,50

2. Chris van de Ven: Multatuli verknipt

Wie was Multatuli, Eduard Douwes Dekker? Was hij de grootse schrijver, de held, de wereldburger, of was hij de larmoyante klager, de armoedzaaier of de overspelige echtgenoot? Het zijn maar een paar van de bijna twintig eigenschappen die Multatuli-kenner en liefhebber Chris van de Ven de schrijver toedicht. Voor Multatuli verknipt ‘las en beleefde’ hij heel nauwkeurig zowel de Verzamelde Werken van Multatuli als het vele biografische werk dat over de schrijver is verschenen en ‘knipte’ daaruit 500 fragmenten die Multatuli thematisch tekenen. Bij Multatuli, de politicus, lees je dat hij ‘geen socialist was, maar wel sociaal bewogen’. Daar legt Van de Ven citaten bij als: ‘Kiezers, ik stel u ernstig voor, U eens te bemoeien met uw ‘zaken’’, of ‘Ziet, kiezers, hoe zou ’t zyn, als ge in plaats van dat alles, eens iemand afvaardigde naar Den Haag, die in ’t bezit was van wat hart?’ Dat Multatuli zelf ‘wat hart’ had blijkt uit hoofdstukken als ‘de kolonialist’ en ‘de weldoener’. Met zoveel verschillende stukjes tekst ontstaat een ‘potpourri’ aan Multatuli-fragmenten, maar dat moet de lezer voor lief nemen. Het engelengeduld van scannen op eigenschap heeft namelijk geleid tot een zeer rijke, soms ook geestige en zelfs didactische bloemlezing.

Chris van de Ven: Multatuli verknipt. Een portret in 500 fragmenten. Boom, 244 blz. € 24,90

3. Esther Shaya en Frank Hemminga: Wacht maar

Het verhaal leent zich voor een filmscript of een roman. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vele honderden Joodse kinderen gered uit een crèche tegenover de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, waar Joden in de oorlog werden samengebracht voordat ze op transport gingen. Die roman is er sinds kort: De crèche van Elle van Rijn. Maar na verschijning ontstond er ophef over het boek. Vrijwel gelijktijdig verscheen Wacht maar, een biografie van Henriëtte Pimentel, de directrice van de crèche, geschreven door Esther Shaya en Frank Hemminga. Aan het begin van de eeuw stond Pimentel aan het hoofd van een ‘fröbelschool’; harde schoolbanken verving ze door stoeltjes en tafeltjes – nog voordat onderwijsvernieuwer Maria Montessori dat deed. En op de tafeltjes stonden vaasjes met verse bloemen. Ook als directrice van de Joodsche crèche zorgde Pimentel goed voor de aan haar toevertrouwde baby’s en kinderen. In de oorlog dronk Henriëtte Pimentel regelmatig ‘een borreltje’ met SS’er Aus der Fünten die verantwoordelijk was voor de deportaties. Niet dat zij met hem sympathiseerde – integendeel – maar het bood de medewerkers van de administratie in de Schouwburg de gelegenheid kinderen te laten ‘verdwijnen’. Via het verzet gingen de kinderen in de onderduik, veel van hen overleefden de oorlog. Zelf ontsnapte Henriëtte Pimentel niet aan deportatie. Ze werd vermoord in Auschwitz-Birkenau.

Esther Shaya en Frank Hemminga: Wacht maar. Het veelbewogen leven van Henriëtte Pimentel. Amphora Books, 271 blz. € 22,50

4. Rinke van den Brink: Ik ben er weer

Wat gebeurt er met de onwetende patiënt in het ziekenhuis die om hulp roept maar geen arts te zien krijgt? Waarom kun je beter niet in het weekend met spoed in het ziekenhuis belanden? Het zijn vragen waarop NOS-redacteur gezondheidszorg Rinke van den Brink het antwoord weet nadat hij zelf een ‘traumatisch verlopen ziekenhuisopname’ meemaakte en daarna psychisch in elkaar stortte. In Ik ben er weer beschrijft hij alles wat er volgens hem mis is gegaan bij en na de blindedarmoperatie tot en met de nazorg en vooral de uitgebreide welles-nietes-correspondentie met het ziekenhuis, waarbij hij zich niet gehoord heeft gevoeld. Hij zet het verslag van zijn eigen lijden in de tweede helft van het boek in breder perspectief om een antwoord te vinden op bovenstaande en andere vragen. Tevens probeert hij met het boek het taboe op psychiatrische ziekten te verminderen. Want ook die tijd was zwaar – ook voor zijn vrouw en kinderen blijkt uit de woorden van zijn zoon Sam: „Je zei toen allemaal rare dingen, op andere momenten kon je niet praten, je had je ogen steeds dicht, dat was beangstigend. Het voelde ook als een soort noodsignaal dat het misging.”

Rinke van den Brink: Ik ben er weer. Zwaar ziek, gered door de psychiater. De Geus, 376 blz. € 21,50

5. Splinter Chabot: Roze brieven

In reactie op zijn autobiografische debuutroman Confettiregen over zijn worsteling om zichzelf te kunnen zijn, kreeg Splinter Chabot talloze brieven waarvan hij een aantal bundelde in Roze Brieven. Chabot sloot zichzelf daarvoor op in een vakantiehuisje in Zweden met een groot ‘gelig pakket’ vol brieven. Die zijn stuk voor stuk hartverscheurend en zullen wederom bij veel jongeren voor herkenning zorgen. Chabot bleef ‘versuft en verward’ achter. In de verbindende stukken van hemzelf valt hij terug op zijn eigen herinneringen, want een echt antwoord aan de schrijvers heeft hij niet. Want wat kun je zeggen tegen een achttienjarige in transitie van wie de ouders niets meer willen weten terwijl hun kind hunkert naar ouderliefde: ‘Zo. Fucking. Graag.’ Of tegen de jongen van wie een vriend door zijn ouders bont en blauw werd geslagen toen hij vertelde dat hij homo was. Met deze verzameling lijkt Splinter misschien nog wel het meest de ouders te willen bereiken van een kind dat zijn eigen weg baant naar volwassenheid maar dat niet kan zonder de onvoorwaardelijke steun van ouders. Dat dit misschien niet altijd gemakkelijk is blijkt ook uit de brief die de eigen moeder van Chabot instuurde: „Tot mijn nog immer grote verdriet kon ik je niet voldoende opvangen tijdens je moeilijke zoektocht, op de middelbare school, en ook later.”

Splinter Chabot: Roze Brieven. Spectrum, 168 blz. € 14,99

6. Jacco Metselaar: Het Kerstdiner

Ook de autobiografische novelle Het Kerstdiner van Jacco Metselaar is net als De onderspitdelver van Bernard, een herinnering aan zeker 28 jaar geleden. Voor een aantal (oud-) studenten is het verhaal misschien herkenbaar maar voor de meeste lezers zal het een bevestiging zijn van het beeld dat zij hebben van corpsstudenten. ‘Bakkie’, zoals Metselaars bijnaam in zijn studentenhuis luidt, begon nog wat onzeker aan zijn lidmaatschap van Minerva, maar nadat hij een jaar president van de commissie van de sociëteit is geweest, denkt hij dat het in zijn vierde jaar alleen nog maar leuker wordt en dat het hem aan populariteit niet zal ontbreken. Op het uitgebreide kerstdiner, bij veel Minerva-huizen een traditie, valt dat nogal tegen; hij heeft eerst al moeite met het vinden van een tafeldame en tijdens het diner slaat hij de plank dronken geheel mis. Zijn moeder spreekt op de omslag van ‘een behoorlijk ranzig verhaal’ en – voorop gesteld dat de jongens echt van koken hielden en wel degelijk om elkaar gaven – ben ik dat volkomen met haar eens.

Jacco Metselaar: Het Kerstdiner. Homo Ludens, 110 blz. € 12,50