Alleenheerser

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 45: de eerste hengelaar
Dagboek van een visser

De beduusde visser likt zijn wonden in afzondering. Hij is geen gelijke te midden van gelijken: er is hem (ik dus) op ongezouten wijze duidelijk gemaakt dat hij niet moet denken dat hij koning op zee is, al bezit hij een struise kajak en hengel en een Decathlon zwemvest.

De zee is Alleenheerser. Zij geeft wanneer zij wil en zij bepaalt of zij, gelijk martial artist Chabib Noermagomedov, haar armen uitspreidt en alles en iedereen opslokt.

Zo in gedachten verzonken, slenterde ik langs kiezelstranden en rotspartijen, mij nu en dan afvragend: zou de uitgestorvenheid van de Méditerranée misschien niet ook komen doordat de dood al decennialang in haar bodem is verankerd? Omdat al meer dan 30.000 zielen zijn omgeslagen en in haar schoot zijn neergedaald? Het is goed mogelijk dat de vissen zich doodschrokken van al die opgezwollen lijken tussen het koraal en op de vlucht sloegen naar andere zeeën. Vissen zijn tenslotte geen lijkenpikkers.

Nu en dan trok ik m’n broek uit en dook het water in met een snorkel. Snorkelen is de ultieme ontsnapping voor een visser in geestesnood. Ik tuurde naar mijn glooiende voeten onder water, piepjonge koraaljuffertjes schoten langszij, en ik dacht weer aan Santiago, de oude visser uit De oude man en de zee, Hemingways ontzaglijke boek. 84 dagen kwam Santiago met lege handen thuis, maar opgeven deed hij niet. Tot hij op dag 85 geschiedenis schreef door aan te meren met het karkas van de grootste marlijn ooit uit die streek.

Misschien wacht mij daar in de verte toch iets moois, een vraatzuchtig monster met een omlaag hangende bek vol puntige tanden. Ik lag in het warme zand en staarde naar de zakkende zon achter de horizon. De eerste hengelaar op aarde, die poedelnaakte aboriginal van 42.000 jaar geleden, is helemaal niet de eerste hengelaar. Het patent ligt mooi in handen van heel iemand anders: een vis. Fossielen uit het Krijt, 130 miljoen jaar geleden, bewezen dat de zeeduivel toen al in het diepduister op pad ging met op z’n kop een hengel met een glimmend lokkertje aan de top – hap!

Als het erop aankomt hebben wij mensen weinig zelf bedacht. Alles was er al, en nog beter ook. Een kolibrie en libelle zijn betere versies van de meest geavanceerde helikopter en de knapste bouwmeesters vallen in het niet bij die van de honingbij en de republikeinwever.

Hoe haalde ik ’t in mijn hoofd om te mopperen toen ik thuiskwam met drie gupjes in een veel te grote emmer? In één zo’n vinnetje schuilt meer vernuft en wiskunde dan welke gymnast of tv-clown ooit zal vatten. Gewicht, lengte, vechtlust, wat zijn dat eigenlijk voor sukkelige eenheden in het licht van het universum?

Ik viel in slaap en werd in de avond gewekt door een koude wind.