‘Pak oorlogsmisdadigers steviger aan’, zegt de ervaren aanklager

Stephen Rapp In Nederland verblijven mogelijk tientallen handlangers van het Syrische regime. Dat zorgt voor dreiging in de samenleving.

Aanklager Stephen Rapp in een rechtszaal in de Senegalese hoofdstad Dakar in 2015: „Ik weet zeker dat honderden verdachten die zich inlieten met misdaden namens het Syrische regime, in Europa zijn.”
Aanklager Stephen Rapp in een rechtszaal in de Senegalese hoofdstad Dakar in 2015: „Ik weet zeker dat honderden verdachten die zich inlieten met misdaden namens het Syrische regime, in Europa zijn.” Foto Seyllou/AFP

Nederland zou oorlogsmisdadigers „agressiever” moeten benaderen, zegt Stephen Rapp. Ruimere wetgeving. Meer capaciteit. Rechters die oorlogsmisdaden en bewijs wellicht anders wegen. En meer betrokkenheid van de Syrische gemeenschap.

Rapp was aanklager bij grote internationale tribunalen voor bijvoorbeeld Rwanda en Sierra Leone en diende als topadviseur van de Amerikaanse oud-president Obama. Nog altijd adviseert hij nationale aanklagers over de hele wereld over het opsporen en berechten van oorlogsmisdadigers, ook het Openbaar Ministerie en het Team Internationale Misdrijven in Rotterdam.

Ook hielp hij nabestaanden vinden van de Syrische martelslachtoffers die de gevluchte regimefotograaf ‘Caesar’ vastlegde. Vanuit zijn huis in Washington spreekt Rapp via beeld over de aanpak van oorlogsmisdadigers, naar aanleiding van de bevindingen van NRC deze week over de handlangers van Assad. Er blijken in Nederland mogelijk tientallen te wonen.

Verbaasde u dat?

„Nee. Handlangers van het regime zijn Syrië ontvlucht wanneer de oppositie delen van het land veroverde, of dreigde dat ze aan het front moesten vechten. Ik weet zeker dat honderden verdachten die zich inlieten met misdaden namens dit regime, in Europa zijn. En dat terwijl Europese aanklagers aan hooguit een tiental van dit soort zaken werken.”

Hoe doen andere landen dat?

„Ik heb in Koblenz de rechtszaken tegen twee regimehandlangers bijgewoond en was onder de indruk. Duitsland heeft achthonderdduizend vluchtelingen en dus een grote groep aan mogelijke Syrische oorlogsmisdadigers, slachtoffers en getuigen. Duitsland bouwde aan zaken nog voor het wist dat de hoofdverdachte er verbleef. Sinds kort hebben ze niet één, maar twee teams om oorlogsmisdadigers op te sporen. Ook Frankrijk en Zweden hebben veel onderzoek gedaan, en in Zweden komen er zaken tegen handlangers aan. Ik weet dat Nederland op zoek is naar een goede zaak.”

Zou het helpen als het OM de Syrische gemeenschap meer betrekt?

„Ik denk van wel. De grote klacht van slachtoffers en getuigen is dat hun informatie in een black box gaat en ze niks meer horen. Aanklagers hebben de neiging om te zeggen: ‘we willen een direct slachtoffer van deze man, op die en die dag. Zo niet: bedankt’. Zelfs directe getuigen krijgen zeer beperkt de kans te vertellen wat hun overkwam. Het voelt voor hen alsof aanklagers ongeïnteresseerd zijn. En hun vertrouwen in autoriteiten is al niet groot. In Duitsland bleek de actieve betrokkenheid van slachtoffers en getuigen vitaal. Ze werden door een non-profit-organisatie geselecteerd en kregen ondersteuning van advocaten en slachtoffergroepen. Zodra ze onderdeel waren van een zaak kregen ze toegang tot het dossier en hielpen ze nieuwe getuigen te vinden. Dit kan in Nederland ook.”

Lees hier het onderzoeksverhaal over hoe de handlangers van het Syrisch regime in Nederland vrij rondlopen.

Is de aandacht te veel uitgegaan naar Syrische terroristen?

„Jazeker. Counterterrorisme-eenheden in alle landen hebben veel meer capaciteit dan de teams voor oorlogsmisdadigers. Terwijl die zaken ingewikkelder zijn en moeilijker te bewijzen. De Nederlandse afdeling voor oorlogsmisdaden van het OM heeft een IS-strijder veroordeeld gekregen voor terrorisme én oorlogsmisdaden. Dat is fantastisch, maar het betekent ook dat het nog minder tijd heeft voor regimeaanhangers.”

Waarom zijn handlangers van het regime zo moeilijk te vervolgen?

„Het Syrische regime is verantwoordelijk voor vrijwel alle martelingen in het land, de chemische wapens, de aanvallen op ziekenhuizen, de gearresteerde en verdwenen kinderen, noem maar op. Van nog 130.000 Syriërs is onbekend wat met hen gebeurde. Maar het Internationaal Strafhof in Den Haag kan geen rechtspreken, omdat Syrië het niet erkent.

„Alle hoop is nu gevestigd op de casussen per land. Alleen, de nationale rechtssystemen weerspiegelen de praktijk van oorlogsmisdaden en genocide niet goed. Rechters eisen een traditionele manier van bewijsvoering: een dader moet rechtstreeks verbonden worden aan een misdaad. Zoals Duitsland in de jaren zestig nog moest aantonen dat een SS-officier in Auschwitz betrokken was bij een specifieke moord op een zekere dag. Het OM moet zaken dus heel goed kunnen documenteren. Tegen de Nederlandse zakenman Van Kouwenhoven in Liberia of tegen Rwandese verdachten lukte dat, de regeringen daar waren behulpzaam. Maar in Syrië heb je geen toegang tot de regering of de plaats van misdaad.”

Wat moet Nederland met de shabiha, de mannen die niet in het leger, maar in knokploegen en milities voor Assad streden?

„In criminele regimes worden de ergste misdaden altijd gepleegd door groepen als de shabiha. Ze worden informeel aangestuurd en dus kan het regime altijd zeggen ‘o, het is tuig, we hebben niets met ze te maken’. Maar vervolging is mogelijk.”

Hoe moet dat dan?

„De shabiha kunnen aangemerkt worden als criminele organisatie. Dat vraagt om een extreem hoog niveau van expertise in een land. We proberen het nu in Spanje. Daar stellen we: deze persoon is slachtoffer van door de staat gesponsord terrorisme.”

Wat heeft Nederland nodig om handlangers beter te vervolgen?

„Nederland heeft aanvullende tools nodig. In Amerika, bijvoorbeeld, is liegen bij de immigratiedienst strafbaar. Voor serieuze leugens over zaken als lidmaatschap van een politieke of militaire organisatie kun je tien jaar krijgen. Zo zijn onze meeste Rwandazaken gevoerd. Rechters zouden ook meer oog moeten hebben voor de dreiging van oorlogsmisdadigers voor de samenleving. Dat levert langere straffen op.”

Verwacht u veel van minister Blok die Syrië aansprakelijk wil stellen voor martelingen?

„De Syrische regering ontkent alles en denkt dat niets hen raakt. En dus zal deze procedure zonder twijfel eindigen in een rechtszaak, met succes. Het bewijs van marteling door het regime is onaantastbaar. Er zijn foto’s van fotograaf Caesar, video’s van vreedzame demonstranten die door een vleesmolen worden gehaald. De zaak krijgt geen daders in de cel, maar voorkomt dat het regime ooit genormaliseerd raakt.”