Fors-fors-fors!

Woordhoek

Sinds ik onlangs bekendmaakte dat deze rubriek zou stoppen, ben ik overspoeld met vragen en taalobservaties van lezers. Een paar actuele vragen heb ik al beantwoord, maar het zijn er te veel om allemaal te behandelen, dus hier een greep. Volgende week meer.

Waarom worden in netelige buitenlandse politieke situaties ambassadeurs op het matje geroepen? „Ligt er ergens in politiek Den Haag”, vraagt een lezer, „een speciaal matje waarop de vertegenwoordiger van het boosdoenende land staat terwijl hij/zij vermanend wordt toegesproken?”

Teleurstellende antwoord: de herkomst is niet precies bekend. Waarschijnlijk gaat het om rechtbanktaal. In verslagen van oude rechtszaken zien we vanaf het begin van de twintigste eeuw dat verdachten in een rechtszaal op een matje moesten staan, ergens voor de rechter(s). Dan zou het dus inderdaad om een soort strafmatje gaan.

Dit brengt me op iets heel anders, namelijk dat er nog zo ongelooflijk veel over onze taal te ontdekken valt. Het aantal studenten Nederlands is de afgelopen twintig jaar gedaald van ruim zeshonderd tot net boven de tweehonderd per jaar. Zoals bekend heeft de Vrije Universiteit de studie zelfs geschrapt. En dat terwijl het aantal (digitale) bronnen om goed, degelijk, nieuw en interessant taalonderzoek te doen in diezelfde periode explosief is gestegen. Ik zou jongeren wel willen toeroepen: kies Nederlands als vak! Of op z’n minst als belangrijk bijvak. De ontdekkingen liggen voor het oprapen.

Observatie van een lezer: we zijn steeds meer aan het verdubbelen. Voor iets dat extra wit is, zeggen we: „wit-wit”. Erg harde muziek klinkt „hard-hard”. Een heel zacht kussentje „zacht-zacht”. Was me ontgaan, is een onderzoek waard, lijkt mij iets dat zich vaker voordoet in de spreektaal dan in de schrijftaal.

Een andere lezer schreef: „Sinds de coronacrisis is alles ineens ‘fors’. Vroeger hoorde je dat woord eigenlijk alleen van dokters: een forse zwelling, een forse ontsteking, een forse temperatuurverhoging. Maar nu is er een forse afname van het cafébezoek, een fors aantal nieuwe besmettingen en ga zo maar door. Zou het komen omdat er nu in de media zo vaak artsen aan het woord zijn?”

Ik zocht eerst naar de verdubbeling fors-fors. En verdomd, die bleek te vinden, samen met het trio: fors-fors-fors. Twee zinnetjes van Twitter: „Ze mogen dan wel de afdeling vegetarisch fors fors gaan uitbreiden.” En: „Ik vind het vrij bizar om naar landen te wijzen die fors, fors, fórs lagere sterftecijfers hebben.” Een directe relatie met artsen zag ik niet, maar ook hiervoor geldt: studenten Nederlands, dit lijkt me een aardig onderwerp voor een onderzoekje, in de spreek- én schrijftaal. Mocht een van jullie dit echt gaan doen en zijn de uitkomsten interessant, dan zal ik er te zijner tijd graag melding van maken.

Een andere lezer observeert een opmars van het woord ‘recentelijk’. „Ik heb de indruk dat dit toeneemt ten koste van ‘recent’, mogelijk door het Engelse recently, maar gevoelsmatig vooral uit ‘interessantdoenerij’. Klopt mijn waarneming over een verschuiving? Het zou leuk zijn als je daar aandacht aan kunt besteden, maar nog leuker als dit het niet haalt en ik mij nog jaren ongefundeerd kan ergeren aan gebruik van dit woord.”

Deze lezer kan zich ongefundeerd blijven ergeren, althans voor NRC, want daarin wordt ‘recent’ de afgelopen jaren juist vaker gebruikt dan ‘recentelijk’.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.