De danseres zit opgesloten in een wegkwijnend lichaam

Het Meesterwerk Het kunstaanbod is schraal in coronatijd. Waarvan kun je, ook nu, nog wel genieten? NRC-recensenten gidsen je langs werken die afleiding bieden: tijdloos en coronaproof. Aflevering 10. Martha Clarke: Nocturne.

Nocturne gedanst door Sabine Kupferberg in 1993.
Nocturne gedanst door Sabine Kupferberg in 1993. Foto's Joris-Jan Bos

Onhoudbaar, anders valt het niet te omschrijven: eenmaal begonnen, bleven de tranen maar komen. Waarom toen wel en op andere momenten niet, of veel minder? Momenten die óók ontroerend of aangrijpend zijn, of gewoon verschrikkelijk mooi? Waarom is deze herinnering zo sterk blijven hangen?

In 1993 werd ik verrast door de emotie die Nocturne losmaakte, een miniatuurtje van de Amerikaanse choreografe Martha Clarke. Gedanst door Sabine Kupferberg, kernlid van Nederlands Dans Theater 3, dat in het leven werd geroepen voor dansers – de woorden zijn van choreograaf Jirí Kylián – „tussen veertig en de dood”.

Precies over die dood gaat Nocturne, over het proces van aftakeling, de pijn en het verdriet om het onvermijdelijke lot. Niet langer dan een minuut of zeven duurt het, met pianomuziek van Felix Mendelssohn-Bartholdy als subtiele begeleiding. Uit het donker doemt een vrouw op. Niet zomaar een vrouw: een danseres. Haar lange tutu is een verwijzing naar de Sylphide of een van de andere bovennatuurlijke wezens die in negentiende-eeuwse balletten op hun spitzen gewichtloos boven de aarde lijken te zweven.

In Nocturne niets van dat al. Deze geest, of bijna-geest, strompelt en hinkt machteloos op haar blote voeten, niet meer in staat zich, zoals vroeger, te bevrijden van de zwaartekracht. Met een arm bedekt zij haar borsten, die even naakt zijn als haar fysieke verval. De bewegingen van haar vrije arm zijn een verre echo van de rollen die zij ooit danste, maar de vermoeid voorovergebogen figuur – Sylphide, Giselle, Zwanenkoningin – zit opgesloten in haar wegkwijnende menselijke vorm. Met grotesk klapwiekende vleugels probeert ze nog één keer weg te vliegen, tot ze definitief ineen zijgt in een witte wolk van tule. Als symbool voor het leven dat uit haar weg vloeit, rolt ze het rode lint van haar hals. De zak om haar hoofd is een voorbode van de lijkwade die spoedig haar hele lichaam zal omhullen, net als de vergetelheid: wie weet straks nog wie zij was?

Clarke creëerde deze ‘duistere meditatie over de dood’ (zoals The New York Times het omschreef) in 1978 als een hedendaags antwoord op De Stervende Zwaan, de pas seul die Michael Fokine in 1905 maakte voor Anna Pavlova. Zij betoverde met dat nóg kortere meesterwerkje een publiek van Rusland tot in Europa, Australië, Noord- en Zuid-Amerika.

Nocturne is veel minder bekend geworden, al ontving ook deze ‘Stervende Sylphide’ of ‘butoh-ballerina’ veel lovende kritieken. Toevallig kreeg Nocturne onlangs zelf ook een echo. In een filmpje op YouTube is te zien hoe de lethargie oplost van een hoogbejaarde, aan Alzheimer lijdende Spaanse danseres als ze de beroemde klanken van Tsjaikovski’s Zwanenmeer hoort. De armen van deze Marta C. Gonzalez worden zwanenvleugels, in haar ogen verschijnt weer emotie. Waar in Nocturne de herinnering vooral is verbonden met het verval en de vergankelijkheid, komt deze oude ballerina juist tot léven door terug te gaan naar haar rol van weleer – een overtuigender bewijs voor de kracht van kunst is nauwelijks denkbaar. Ook om te huilen zo mooi.