Myriam Everard in haar werkkamer in Leiden. „Er zijn natuurlijk meer onderzoekers die pleiten voor een ruimere blik op de rol van vrouwen in de geschiedenis.”

Foto Sake Elzinga

Interview

Zat de vrouw altijd thuis? Verre van

Myriam Everard | onafhankelijk onderzoeker Vanaf de 19de eeuw gold het ideaal dat de man de wereld introk en de vrouw thuisbleef. Maar dat is nooit de praktijk geweest.

Een onafhankelijk onderzoeker loopt een aantal zaken mis. Het vanzelfsprekende dagelijkse contact met collega’s. De kennisuitwisseling tussen de bedrijven door. De eisen die aan het werk worden gesteld en die je scherp houden. Het schouderklopje, af en toe, van de baas...

Die schouderklopjes heeft onafhankelijk onderzoeker Myriam Everard nu met terugwerkende kracht gekregen. Dit najaar kende de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen haar de De la Courtprijs toe, die bestaat uit een medaille, oorkonde en 7.500 euro. Daarmee bekroonde de Akademie het oeuvre dat Everard de afgelopen veertig jaar zelfstandig heeft opgebouwd. In boeken, lezingen en wetenschappelijke publicaties bracht zij de maatschappelijke bijdrage van vrouwen over het voetlicht, en liet zien hoe pluriform die was – waarbij ze steeds keek naar de Nederlandse situatie van eind achttiende tot halverwege de twintigste eeuw.

Everard, opgeleid tot klinisch psycholoog, rolde daar min of meer als vanzelf in, zegt ze. Toen zij in Leiden haar proefschrift over vrouwenliefde in de achttiende eeuw wilde schrijven, kreeg ze daarvoor geen subsidie. Vervolgens dacht ze: dan doe ik het zelf. Zo kwam van het een het ander.

Vaandels

Achteraf bezien hielp het dat de Amsterdamse vakgroepen homo- en vrouwenstudies, waarmee Everard veel contact had, ernaar streefden om onderzoek ook „buiten de universiteit te brengen”. Dat maakte het makkelijker om goede banden met de universitaire wereld aan te houden. Fijn was verder dat haar broer Patrick de Historische Uitgeverij leidt en een handelseditie van haar proefschrift publiceerde. Zo had Everard van meet af aan een eigen onderzoekshabitat.

Beledigend, die veronderstelling dat vrouwen zich zomaar bij die huiselijkheidscultus zouden hebben neergelegd

Pas in de loop van dat onderzoek werd het Everard duidelijk hoezeer historici vrouwen „hadden ingemetseld”. Dat hangt samen met een ideaal dat vanaf 1800 ook in Nederland werd verbreid. In 1866 vatte dichter-dominee Ten Cate dit huiselijkheidsideaal bondig samen als ‘hem de wereld, haar het huis’. Maar toen deze leuze vanaf halverwege de twintigste eeuw óók de lens werd waardoor veel historici naar de geschiedenis keken, leidde dat tot blikvernauwing, aldus Everard. Vrouwen, die schijnbaar toch maar hadden thuisgezeten, werden zo over het hoofd gezien.

Aanvankelijk was Everard zich hier niet zo van bewust, zegt ze. Maar toen het tot haar doordrong, vond ze het „beledigend, die veronderstelling dat vrouwen zich in het verleden zomaar bij die huiselijkheidscultus zouden hebben neergelegd – zonder verzet en zonder discussie”. Haar ongeloof hierover werd daarna de rode draad in haar werk. „Ik dacht: dat zullen we nog weleens zien. En het was heel bevredigend als ik weer iets vond dat er niet mee strookte.”

Een klein, „vermakelijk” voorbeeld zijn de vaandels die vrouwen in de Patriottentijd aan zogeheten Wapengenootschappen schonken. De mannen hielden geregeld parades waarbij ze, fraai uitgedost, ook deze vaandels droegen waarvan als vanzelf werd gedacht dat ze door de donatrices thuis geborduurd waren. „Maar ze waren van zijde, en beschilderd! Zeker twee welgestelde vrouwen hebben trouwens ook kanonnen geschonken. Heeft iemand ooit aangenomen dat ze die ook zelf in elkaar hadden gezet?”

Kon Everard zulke veelzeggende details opmerken omdat zij zich als onafhankelijk onderzoeker niet naar heersende paradigma’s hoefde te voegen? „Het is verleidelijk om dat achteraf zo te stellen”, zegt ze. „Maar er zijn natuurlijk meer onderzoekers die pleiten voor een ruimere blik op de rol van vrouwen in de geschiedenis. Nog iets: als onafhankelijk onderzoeker heb ik niet de autoriteit die een universitaire positie met zich meebrengt, en dat merk je. Hoe graag ik zelf dat paradigma van de huiselijkheidscultus ook wil loslaten, toch wringen veel historici zich nog steeds in bochten om feiten als deze ermee in overeenstemming te brengen.”

Naaisters en uitgeefsters

Het gaat natuurlijk om meer dan vaandels. In een reeks artikelen beschrijft Everard de politieke invloed van vrouwen. Neem Eva Hoitsema-Ten Cate die als uitgeefster van de Groninger Courant laat in de achttiende eeuw openlijk de kant van de patriotten koos. Zij staat voor een veel grotere groep uitgeefsters en boekverkoopsters die de publieke opinie beïnvloedden.

Of neem de vrouwen die vanaf het einde van de negentiende eeuw voor het vrouwenkiesrecht streden. Dat waren niet louter elitaire dames voor wie deze strijd een soort hobby was, zoals lang is gesuggereerd. De Vereniging voor Vrouwenkiesrecht bestond in elk geval in Amsterdam uit vrouwen uit alle geledingen van de maatschappij – van arbeidsters tot verpleegsters, van de in armoede opgegroeide Wilhelmina Drucker en de naaister Henriette Cohen tot domineesdochter en uitgeefster Annette Versluys-Poelman en de welgestelde Rosa Manus.

Tal van vrouwen werkten buitenshuis. Vaak deden ze loodzwaar werk

Wat bovendien niet vergeten mag worden, zegt Everard, is hoeveel vrouwen buitenshuis werkten, en vaak loodzwaar werk verrichtten. Turftonsters versjouwden tonnen vol turf; keetvrouwen roerden in zoutziederijen dag en nacht in pannen kokend pekelwater; jaagsters trokken trekschuiten door vaarten en kanalen, en diamantmolendraaisters duwden lange dagen de slijpschijven in de diamantindustrie voort. Dat zulke arbeid rond 1830 verdween, was niet wegens het huiselijkheidsideaal, betoogt Everard, maar doordat voortaan paarden werden ingezet. De vrouwen zelf vonden intussen ander werk, zoals diamantroosjes snijden. Ze moesten wel, om niet tot armoede te vervallen.

Zo kenden veel vrouwen het huiselijkheidsideaal hooguit als gelegenheidsargument om hen bij laagconjunctuur van de arbeidsmarkt te verdrijven, zegt Everard. En ook in de vroeg-twintigste eeuw werd het ideaal niet eenstemmig gedragen. Socialisten en confessionelen vonden weliswaar dat mannen genoeg moesten verdienen om een gezin te onderhouden, en dat vrouwen tegen zo’n beetje alle arbeid buitenshuis beschermd moesten worden, maar veel feministen bepleitten juist gelijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen. Eén ding staat voor Everard vast: wie naar het verleden kijkt door de lens van de huiselijkheidscultus, doet vrouwen en de geschiedenis onrecht.