Opinie

Het lijkt net of er minder te vertellen is

Marjoleine de Vos

‘Heb jij verder nog iets?” „Nee, ik weet niets meer.” Mensen klagen dat ze hun vrienden, elkaar, mij, niet zoveel te vertellen hebben, want we maken niets mee. We gaan nergens heen. Er gebeurt niets. Raar, zeggen we tegen elkaar. Praatten we hiervoor dan almaar over wat we meemaakten? Dat kan ik me niet herinneren (En wat máákten we dan mee? Kan ik me ook al niets van herinneren). En toch lijkt het net of er minder te vertellen valt. Liggen de gedachten dan stil?

Ik loop naar buiten. Stilte, kilte, weinig zicht, de klei ligt kalm te glanzen. Geen mens te zien, precies zoals ik het graag heb. In de verte de kerktoren van Eenum, er is al een verlichte kerstversiering bij opgesteld. Oh de vitale versierlust van de mensen! Ik vraag me af waar we dan vroeger over spraken, en over wat je eigenlijk wél nog weet van wat-dan-ook van vroeger. Annie Ernaux roept in haar roman De jaren allerlei herinneringen op, soms heel gedetailleerde, inclusief de uitdrukkingen die ‘je’ toen gebruikte (en die Rokus Hofstede echt briljant naar Nederlandse uitdrukkingen heeft omgezet). Als je dat leest, denk je dat je zelf ook stikt van de herinneringen. Maar probeer het maar eens.

Achter een raam zie ik een vrouw aan de ontbijttafel in die typische krantenleeshouding, hoeveel mensen lezen nog een papieren krant? Het lijkt zoveel gezelliger dan iets digitaals.

Ernaux schrijft over de verandering die de televisie in de jaren zeventig teweegbracht: „Ze schonk ons een uitentreuren vernieuwd vermogen om gebeurtenissen en nieuwsfeitjes te citeren.” Zou er in elke tijd iets ontstaan wat de mensen zo’n vermogen schenkt? De kranten, de radio, de televisie, internet, de sociale media. Feitjes en nepfeitjes genoeg, maar daar ben je toch ook over uitgepraat. Zou iedereen zich altijd in toenemende mate oppervlakkiger zijn gaan voelen?

Als je nu Renate Rubinstein leest, denk je al snel: toen dachten de mensen nog veel beter na. Komt misschien doordat zoveel niksigheid en verveling uit je geheugen wegvallen. Je wéét wel dat je je toen ook weleens verveelde, maar de ervaring ervan is weg, waardoor het net lijkt alsof die verveling nauwelijks plaatshad. Achteraf zal dit jaar ook wel om gevlogen zijn, want we herinneren ons er niets van. Omdat er niets gebeurde en we het nergens over hadden.

Echte mensen hebben wél gesprek. Ik weet het zeker.

Intussen zijn de gedachten alweer afgedwaald naar de geur van de Parijse metro die ik even echt denk te ruiken, naar het bestaan van goden (net Stephen Fry over Troje gelezen) en ik vraag me af of na de Trojaanse oorlog de goden voorgoed uit de wereld van de mensen zijn verdwenen. Ja lijkt me wel, Orestes die zijn moeder Klytaimnestra vermoordde is de laatste heldenfiguur die met de goden te maken kreeg, toch? Einde van de mythische tijd.

H.J. de Roy van Zuydewijn schreef in het voorwoord van zijn Ilias-vertaling over hoe het gedrag van Achilles verandert in dat ene oorlogsjaar dat Homerus beschrijft. Details, daar gaat het om, je moet niet zeggen: ‘Oorlog is van alle tijden en dat laat Homerus ons zien’. Ja, dat laat hij misschien ook zien, maar de rijkdom van dat werk zit in heel andere dingen. In de zinnen over krijgsmanseer die een denkwereld onthullen die zo anders is dan de onze, juist níét direct herkenbaar, maar wel sterk verbonden aan de menselijke sterfelijkheid en daar raken we nooit over uitgepraat.

Hé! Een onderwerp! Of nee, toch maar niet.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.