Recensie

Recensie Muziek

Andriessens May getuigt van een nog kraakhelder muzikaal denkraam

Klassiek Louis Andriessen, Nederlands grootste componist sinds Sweelinck, lijdt aan Alzheimer. Afgelopen weekend ging zijn laatste werk, May, in première in de ZaterdagMatinee.

Louis Andriessen in 2018. Foto Merlijn Doomernik
Louis Andriessen in 2018. Foto Merlijn Doomernik

Eigenlijk had de première in juni al zullen klinken tijdens het Holland Festival. Corona gooide roet in het eten, maar afgelopen weekend ruimde de ZaterdagMatinee alsnog programmatijd in voor May, het langverwachte nieuwe werk voor koor en orkest van Louis Andriessen.

Het zal tevens diens laatste zijn. Nederlands meest gelauwerde componist sinds renaissancereus Sweelinck lijdt aan de ziekte van Alzheimer, maakte zijn vrouw, de violist Monica Germino, vorige week bekend in deze krant. Componeren gaat niet meer, al improviseert Andriessen in de zorginstelling waar hij verblijft nog dagelijks aan de vleugel.

Lees ook: ‘Louis componeerde altijd voor mensen, niet voor instituties’

May, op fragmenten uit Herman Gorters epische gedicht Mei, is een unicum in Andriessens oeuvre. Natuurlijk, de afgelopen jaren schreef hij vaker voor orkest, het medium dat hij ooit met de nodige branie afzwoer, maar historisch instrumentarium, bovendien in combinatie met gemengd koor, dat was ook voor Andriessen nieuw.

Sluipende ziekte

Andriessen componeerde May in opdracht van het Orkest van de Achttiende Eeuw, in 1981 opgericht door boezemvriend, blokfluitist en dirigent Frans Brüggen (1934-2014). Je zou kunnen spreken van een in memoriam, een nagedachtenis aan een dierbare kompaan. Tegelijkertijd laat het stuk dat zo nauw is verweven met Andriessens sluipende ziekte, zich beluisteren als een oefening in herinneren. Een laatste poging om, door zijn kunst, grip te houden op dat wat onherroepelijk verwatert.

May staat bol van de reminiscenties. Aan Brüggen natuurlijk, die in de openingsmaten kort acte de présence geeft in een acrobatische blokfluitsolo (wervelend gespeeld door Lucie Horsch)., maar ook de francofiele klankwereld en kerkmuziek van vader Hendrik en de jazzy lichtvoetigheid van broer Jurriaan zijn dichtbij. Typisch Andriessen: de knipogen naar de muziekgeschiedenis. In een koorkwint weerklinkt Machaut. Een glockenspiel tinkelt van Mozart. In een koddig marsje op hoempa-basjes hoor je een stravinskiaanse lange neus.

Lees ook: ‘Ik ben de strikte regels een beetje ontgroeid’

Beukstukken

Voor een componist die naam maakte als de ijzerenheinige klankarchitect van beukstukken als De Staat en De Materie, heeft May een uitermate ingetogen karakter. Een episodisch karakter ook: hier geen dwingende vorm, meer losse invallen, bijeen gehouden door Gorters verzen, die voor de gelegenheid in het Engels werden vertaald (waarom eigenlijk?).

En toch, Andriessens invallen blijken pareltjes. Neem die stuk voor stuk prachtige koorharmonieën. Die broeierige strijkersakkoorden (zonder vibrato), die uitmonden in brutaal tetterende trompetten. Of die plotselinge sopraansolo, die even abrupt weer de pas wordt afgesneden door een ouderwets klokkende Andriessen-tutti. Op zulke momenten getuigt May van een nog kraakhelder muzikaal denkraam.