Opinie

Hoe de selectieve ‘openheid’ van de premier nog meer argwaan genereert

Deze week: waarom politici uit zeer uiteenlopende partijen klagen over Ruttes hang naar vertrouwelijkheid.

Ofwel: hoe oppositie- én coalitiepartijen samen een thema vonden om de premier persoonlijk te attaqueren.

Campagnes zijn vaak al beslist voordat ze formeel beginnen. Een kwestie van handig voorsorteren, in twee stappen.

Zelf zinspeel je op een stijgende lijn in de peilingen als de laatste weken ingaan. Intussen probeer je de zwaktes van de concurrentie in het hoofd van de kiezers te planten.

In het laatste opzicht is dit een bepalende periode voor de verkiezingen van 17 maart. De Haagse fabriek draait nog op volle toeren, en ieder bedrijfsongeval biedt ook politieke kansen.

Je hoefde de afgelopen weken niet heel goed op te letten om te zien hoe partijen van alle soorten en maten – coalitie, oppositie, groter, kleiner – elkaar vonden in een poging het imago van premier Mark Rutte te verkreukelen.

Een weloverwogen tactisch plan was het niet. Zoals dat gaat: gestuntel en opzetjes en toeval kwamen samen. Intuïtief zag de concurrentie kansen.

Het nettoresultaat: met zijn allen Rutte presenteren als de premier die zaken onder de pet houdt.

Een man die het wheelen en dealen boven inhoudelijke belangstelling voor burgers en volksvertegenwoordigers plaatst. Een eerste minister die belemmert dat zijn tussentijdse opvattingen en keuzes op Algemene Zaken schriftelijk worden vastgelegd. Een politicus voor wie openheid een instrument in plaats van een overtuiging is.

Zo, ongeveer.

„En je merkt binnen de coalitie dat vooral het CDA er alles aan doet Rutte een slagaderlijke bloeding te bezorgen”, zei een bekende coalitiepoliticus deze week.

„Ik heb het zelden zo weinig verhuld gezien.”

Nu zijn ze in de VVD ook niet blind, dus daar groeit de gelatenheid hierover. Iets daarvan kwam dinsdag in beeld toen het VVD-Kamerlid Sven Koopmans, type kalme diplomaat, vlak voor het vragenuurtje het zelfstandige Kamerlid Femke Merel van Kooten-Arissen (oud-PvdD) aansprak.

Van Kooten had zojuist schriftelijke vragen gesteld over de afwikkeling van eerdere berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw over Nederlandse hulp die bij Syrische rebellen belandde.

Een motie uit 2018 van Pieter Omtzigt (CDA), waarin het onder meer ging om „onderzoek” naar die zaak, was niet uitgevoerd, en Trouw meldde vorige week dat Rutte een hernieuwd verzoek om zo’n onderzoek, in november vastgelegd in een motie van Martijn van Helvert (ook CDA), binnen de coalitie persoonlijk probeerde tegen te houden.

Maar met die vragen van Van Kooten was iets, dacht Koopmans. Zij had nooit aan de debatten over deze zaak meegedaan, en het viel hem op dat Van Kooten haar vragen precies had beëindigd zoals Omtzigt dit altijd doet.

„Dus ik vertelde haar dat”, zei Koopmans achteraf.

Van Kooten reageerde verbaasd. „Alsof hij wilde zeggen: heb jij die Kamervragen op verzoek van het CDA gesteld?”, zei ze vrijdag. „Geen sprake van.”

Het gaf een aardig inzicht in de Haagse werkelijkheidsbeleving van dit moment: VVD’ers die coalitie- en oppositiepartijen zien samenspannen tegen Rutte, en coalitie- en oppositiepartijen die de argwaan hierover in het belachelijke trekken.

Evengoed maakte CDA’er Van Helvert in het vragenuurtje een groot nummer van Ruttes verzet tegen zijn verzoek om nader onderzoek.

„Erkent de minister-president dat het parlement zélf bepaalt welk handelen van de overheid wordt gecontroleerd?”

Kritiek waarvan je wist dat die goed past in de beeldvorming over de commissie kinderopvangtoeslagen. Die commissie, geleid door Chris van Dam (ook CDA), rapporteert al over twee weken, 17 december, waarbij ze zich zal beperken tot een feitenbeschrijving.

Maar ik begrijp dat men erover denkt de initiërende rol van Rutte als aanjager van fraudeopsporing te schetsen, alsmede de momenten waarop hij actief in het dossier betrokken was.

En hier doorheen sluimert – het zat ook in zijn verhoor – dat de premier binnenskamers in deze zaak lang niet altijd op openheid speelde. Hij sprak „niet in de allervriendelijkste bewoordingen” over Omtzigt, die met Renske Leijten (SP) de affaire op de kaart zette.

En commissielid Attje Kuiken (PvdA) zei dat de premier, afgezet tegen het streven naar een oplossing voor getroffen ouders, erg veel oog had voor zaken als „politiek sonderen”, „politieke risico’s” en „het niet verstrekken van [verzoeken inzake] de (Wob) Wet openbaarheid bestuur”. Veel beeldvorming, weinig inhoud.

Hij was zelfs bereid, zei Kuiken, „een boete” te accepteren voor het niet nakomen van Wob-verplichtingen.

Ook moest Rutte impliciet erkennen dat binnen zijn kabinet onenigheid bestaat over vrijgave van departementale documenten inzake de Wob: waar hij zelf „onderlinge discussies” tussen ambtenaren „en van ambtenaren en bewindslieden” vertrouwelijk wil houden, vinden andere ministers dat ook dat type documenten in principe naar buiten kan.

Het heeft alles te maken, begreep ik, met een door - daar is-ie weer - Omtzigt aangezwengelde discussie in de ministerraad over Artikel 68 van de Grondwet, dat de informatieplicht aan de Staten-Generaal regelt. Wat dit betreft is dit debat wonderlijk gekanteld: waar het gouvernementele CDA traditioneel terughoudend was met openheid, en de liberale VVD vooruitstrevend, is Rutte op de traditionele flank beland.

En je hoorde van alle kanten dat het toeval was, maar het was niet te missen dat uitgerekend deze week Rutte alle interne documenten van zijn ministerie over corona weigerde te openbaren ingevolge de Wob, terwijl Ferd Grapperhaus (Justitie, ook CDA) een hele serie interne documenten op grond van diezelfde Wob wél publiceerde.

Er zat bijvoorbeeld een stuk tussen waarvan BNR-reporter Laurens Boven ogenblikkelijk zag dat het zondagse Catshuisberaad een formele positie in de besluitvorming wordt toegekend. Terwijl Rutte eerder, op vragen van Lodewijk Asscher (PvdA), antwoordde dat dit beraad slechts „informeel en beschouwend” is. En Lilian Marijnissen (SP) kreeg woordelijk hetzelfde antwoord toen ze informeerde naar een intern memo van drie ministeries, beschreven op deze pagina, opgesteld ter voorbereiding van een Catshuisberaad.

Dus Asscher zag donderdag zijn kans schoon om zich in navolging van (impliciete) kritiek uit partijen als CDA, D66 en SP bij het koor van Rutte-critici te voegen: „Waarom openheid zo belangrijk is in deze crisis.”

Zo kwamen deze week contouren in beeld van Ruttekritiek die vermoedelijk nog even zal resoneren. Voor Rutte zelf zit er ook iets zuurs aan: het is een publiek geheim dat de premier in de nazomer veel steun gaf aan tobbende CDA-bewindslieden als Hugo de Jonge en Grapperhaus, mede veroorzaakt door spanningen over de lijsttrekkerskeuze in die partij.

Die kwestie zette volgens enkele ministers de verhoudingen tussen CDA’ers sowieso erg onder druk, en in de VVD hoorde je maanden de klacht dat Rutte „evenveel tijd kwijt is aan het CDA als aan corona”. Nu krijgt hij stank voor dank. „Eerst houd je De Jonge overeind, daarna springt het CDA op je nek.”

Aan de andere kant: dit is de positie waarin alle lang zittende premiers op een dag terechtkomen. Collega’s overeind houden hoort erbij, het omgekeerde ligt minder voor de hand: de prijs van de ervaring.

Dus wie, zoals Rutte, na tien jaar premier wil blijven, moet dit soort aanvallen – er zullen er zeker meer volgen – met vlag en wimpel kunnen doorstaan. Omdat anders vanzelf de vraag rijst of het land wel met hem door moet gaan.