Opinie

Voor verzoening is meer nodig dan erkenning alleen

Paul Scheffer

Thorbecke had een rooskleurig beeld van zijn land: „Nederland deelt niet in de naijver en de onderlinge vete van de grote Rijken. Het zal dus op den duur minder door een bijzondere vijandschap verblind en misleid worden in het voorstaan van het algemene recht en belang. De Nederlandse Staatkunde, zelve vrij van heerszucht, is de billijkste oordeelaarster over de heerszucht van anderen”.

Hij schreef deze woorden in 1830, naar aanleiding van de afscheiding van België. Maar in datzelfde jaar eindigde een van de bloedigste oorlogen die Nederland ooit heeft gevoerd: de Java-oorlog. Daarin kwamen vermoedelijk tweehonderdduizend mensen om – meer mensen dan tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.

In het beeld dat Thorbecke schetste, herkennen we de illusies van het gidsland. Het verklaart iets van de moeizame verwerking van het koloniale verleden. Nederland is het land van Hugo de Groot, met Den Haag als hoofdstad van het internationale recht. Zo werd de neutrale rol in Europa losgemaakt van onze machtsaanspraken ver weg.

De Belgische schrijver David Van Reybrouck stelt in zijn nieuwe boek Revolusi dat we met onze verwerking van dat koloniale verleden achterlopen bij andere landen. Niet dat het aan historisch onderzoek heeft ontbroken, zeker niet: „Toch lijkt zoveel jaar rijkgeschakeerde en dikwijls uitmuntende geschiedschrijving relatief weinig impact op de publieke beeldvorming te hebben gehad.”

Een van de verklaringen ligt in het zelfbeeld van een land, dat uit een beperkte macht een morele meerwaarde dacht te destilleren. Zo kras als Thorbecke is het de afgelopen vijftig jaar niet verwoord, maar het idee dat Nederland in een kwetsbare positie verkeerde op het Europese continent heeft bijgedragen aan de verdringing van onze koloniale machtspolitiek.

Dat zag je aan de herdenkingscultuur: de jaren van de bezetting werden losgemaakt van de neutraliteitspolitiek tegenover Hitler die eraan voorafging en de dekolonisatieoorlog die er direct op volgde. Maar wie de lange oorlogsjaren tussen 1933 en 1949 als een geheel ziet, begrijpt de wisselende rol van toeschouwer, slachtoffer en dader beter. Die morele halfhartigheden hadden meer aandacht kunnen krijgen.

De laatste decennia is er zeker wat veranderd in het zelfbeeld. Met de postkoloniale migratie is een kritischer bewustzijn gegroeid. In de historische canon staat sinds kort de Surinaamse schrijver Anton de Kom. Al eerder was in die canon het kolonialisme opgenomen. En nog eerder, in 2002, verrees een slavernijmonument in Amsterdam.

Toch wordt er meer gevraagd. Dat merkte ik in gesprekken die ik afgelopen maanden had met Arthur Kibbelaar, afkomstig uit Curaçao en werkzaam als diplomaat. Ik legde hem voor dat ik me niet in directe zin verantwoordelijk voel voor de daden van verre voorouders, maar dat ik me wel zeer verantwoordelijk voel voor de herinnering aan die daden. Vandaar dat ik inging op de uitnodiging om ‘ambassadeur’ te worden van het slavernijmonument.

Uit zijn reactie bleek dat hij meer verwacht: „Als ik eerlijk ben: je woorden raken me nog niet.” Hij sprak over ‘erkenning en berouw’ als voorwaarden van verzoening: „Als we een nationale commissie hadden gehad van verzoening of een waarheidscommissie à la Zuid-Afrika dan hadden we het koloniale verleden misschien verwerkt.” (De Groene Amsterdammer, 11 november). Ik zei van alles terug – hoe oprecht kan berouw zijn na al die jaren? – maar hij raakte een gevoelig punt.

Al eerder schreef oud-parlementariër Kathleen Ferrier, samen met anderen, over een Waarheids- en Verzoeningscommissie: „Er zijn geen directe, nog levende schuldigen aan te wijzen, hooguit vertegenwoordigers van hen. Wij dragen echter de verhalen met ons mee, de pijn is nog steeds voelbaar. [...] Pas als er geluisterd is, komt er ruimte voor verzoening.” (NRC, 31 oktober).

Natuurlijk, dat verleden gaat nooit meer weg, zulk onrecht verjaart niet, maar ik begrijp het verlangen van Ferrier naar een sluitstuk: „De bijeenkomst van verzoening zou bij voorkeur plaatsvinden op de Nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in het hart van onze democratie, de Ridderzaal aan het Binnenhof.”

Wie deze stemmen tot zich laat doordringen weet dat de tijd is gekomen om ruimhartiger dan tot nog toe de balans van het koloniale verleden op te maken. Voor verzoening is meer nodig dan erkenning alleen. Het is uiteindelijk geen verlies om in het land van Thorbecke dit verleden voluit te laten spreken. Integendeel: het verruimt onze horizon. En dat is winst.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies (Tilburg).