Pap en soep in Duitse sprookjes

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: sprookjes zijn altijd landsgrenzen overgestoken. Dan ging er weleens wat verloren. Zoals lekker eten.

De gelaarsde kat bij de koning, die weldadig eet. Het sprookje is bekend geworden in de versie van de Fransman Charles Perrault. De tekening is van Gustave Doré.
De gelaarsde kat bij de koning, die weldadig eet. Het sprookje is bekend geworden in de versie van de Fransman Charles Perrault. De tekening is van Gustave Doré.

Van Roodkapje weten we dat ze bij Charles Perrault in 1695 een koek en een potje boter naar haar zieke grootmoeder moest brengen en dat de gebroeders Grimm haar een eeuw later met koek en wijn het bos in stuurden. Ein Stück Kuchen und eine Flasche Wein. Zelfde verhaal, maar ander eten. De elf sprookjes die Perrault verzamelde zijn bekend geworden als de verhalen van Moeder de Gans. Vijf ervan komen ook bij Grimm voor.

Zo blijken het Franse Klein Duimpje met zijn broers en de Duitse Hans en Grietje nauw verwant. Het zijn arme houthakkerskinderen die onder een voorwendsel in het bos worden achtergelaten en daar een menseneter ontmoeten. Maar met frappante verschillen. De heks die Hans zou opeten besloot hem na het slachten te koken, de Franse reus die zijn zinnen had gezet op Klein Duimpje wilde hem na het slachten en versterven liever braden en eiste er een goede saus bij.

Jacob en Wilhelm Grimm dachten oer-Duitse sprookjes te verzamelen toen ze daar in 1805 mee begonnen maar deden dat uiteindelijk niet. Er bestáán nauwelijks echte Duitse sprookjes, de meeste hebben een veel wijdere verspreiding dan alleen het Duitse taalgebied. Daarbij hadden de Grimms de pech dat de Kasselse familie Hassenpflug, die veel mooie sprookjes aanleverde, uit Frankrijk kwam en te goeder trouw Franse verhalen als Duits verkocht.

Ook langs andere weg zijn Franse sprookjes in de Grimm-collectie terecht gekomen. Dat is wat sprookjes nu eenmaal deden: ze staken ongezien de grens over en veranderden daarbij van vorm zonder dat de inhoud verloren ging. Onder het dóórvertellen ging dat verder. Wie weet nog dat ons mannetje Piggelmee, dat in 1920 onder een Keulse pot belandde, is afgeleid van Grimms mannetje Timpe Te dat al eeuwen in een pispot woonde? Het onderzoek naar de betekenis van sprookjes loopt vaak vast in het onderzoek naar hun herkomst.

Een tijdrovend karwei

Afgelopen week is voor de aardigheid wat onderzoek gedaan naar de culinaire verschillen tussen de sprookjes van Perrault en Grimm, een tijdrovend karwei want de definitieve Grimm-verzameling van 1857 kent 210 sprookjes en je kunt ze niet in vertaling lezen. Bedenk dat Brunnen steevast met ‘bron’ vertaald wordt terwijl het ook ‘waterput’ kan zijn. Zijn er Franse trekjes te vinden in het eten dat bij Grimm genoemd wordt? Dat was de vraag.

Het antwoord is: nee. Er komt veel en vaak eten ter sprake bij de Grimms, want hun verhalen behandelen de essentie van het menselijk bestaan, maar het meeste valt onder ‘eenvoudig doch voedzaam’ en lijkt eerder Europees dan Frans of Duits. Broodsoep, melk met brokken, zoete gierstepap, soms pannenkoeken en aardappelballetjes (Klösse). Dit alles tegen een achtergrond van brood, worst, spek, boter, kaas, erwten, bonen, kolen, rapen en bier. En verrassend veel wijn.

Af en toe is er een buitenissigheid als rapunzel en schorseneren of soep met stukjes raaf en warm bier met boter. Ontroerend is de eenzame kolenbrander (Köhler) die elke dag Kartoffeln mit Salz ohne Schmalz eet, aardappelen met zout maar zonder reuzel.

Ook in het woud van Perrault zit een kolenbrander, een charbonnier. Hij eet roggebrood met kaas, pain noir avec du fromage, en heeft een alibi-rol in een obscure uitbreiding van het sprookje over de Schone Slaapster waarin diens schoonmoeder zich ontpopt als menseneetster. De behoefte aan mensenvlees, in het bijzonder kindervlees, was wonderlijk wijdverbreid onder de vele sprookjesfiguren. Het ging zover dat de kinderen van de reus die Klein Duimpje c.s. zou opeten zelf alweer graag babybloed dronken. En het schort niet aan details. De stiefmoeder van de zevenjarige Sneeuwwitje, dit is weer even Grimm, gaf opdracht een bouillon te trekken van de lever en longen van het knappe meisje. Het versgebraden vierjarige dochtertje van de Schone Slaapster moest per se met Robertsaus worden opgediend. Sauce Robert is een bewerkelijke saus op basis van boter, gehakte uitjes, witte wijn, mosterd, peper en zout en een scheut demi-glace, zie aldaar. Hij werd vaak bij rood vlees geserveerd.

Een recept voor liefdescake

Bij Perrault eet je beter, zou je zeggen. De koning die door de Gelaarsde Kat (Le Chat Botté) wordt bedonderd eet met smaak konijn en patrijs. Het sprookje Peau d’Âne (Ezelsvel) over een meisje dat met haar vader moet trouwen, ze zit als Allerleirauh ook bij Grimm, geeft zelfs een recept voor liefdescake: dubbelgebuilde bloem, verse eieren, boter en zout. Er ging ook een ring bij.

Afgezien van een enkele bloedworst ontdekken we niets van de Franse culinaria bij de Grimms, zelfs geen sinaasappel of citroen. Toch is het daar niet allemaal pap en soep wat de klok slaat. Er zijn die Kuchen, waaronder Eierkuchen, en verder is er verbazend veel aandacht voor brood en boterhammen: Weissbrot, Raspelbrot, Käsebrot, Butterbrot, Kommisbrot, Gänsefettbrot en Zuckerbrot.

Maar Franse invloeden zie je daar niet zomaar terug, dat kleine inzicht heeft de exercitie opgeleverd. ’t Kan zijn dat de vele bronnen van Jacob en Wilhelm Grimm alles wat Frans leek maar alvast weghaalden, net zo waarschijnlijk is dat Grimms zelf net zo lang aan de verhalen knoeiden tot ze Duits genoeg waren. Dat lijkt eigenlijk wel zeker.