Leven in de musea der natuur

Boek Fred de Ruiter weet de collecties van natuurhistorische musea levend te houden voor een groot publiek.

Mondkapjesvrij naar het museum, zonder aanmelding of anderhalve meter afstand: het is in deze tijd niet voor te stellen. Toch geeft het boek Natuurschatten je dat heerlijke gevoel van ronddwalen door museumzalen, met krakende vloeren en vitrines vol fossielen en opgezette dieren. In het boek komen alle 24 natuurhistorische collecties in Nederlandse musea aan bod, van het Haarlemse Teylers (dat in 1784 opende en daarmee het oudste museum van Nederland is) tot Het Natuurhistorisch in Rotterdam en het recentelijk vernieuwde Naturalis in Leiden.

De foto’s zijn fraai en bieden een inkijkje in de historie van de musea: hoe medewerkers van het Natuurhistorisch Museum Groningen bijvoorbeeld de collectie steeds van het ene gebouw naar het andere moesten verhuizen – in 1969 liepen ze met een opgezette alligator over straat.

In de teksten gaat Fred de Ruiter (stedenbouwkundige en al zijn hele leven een groot liefhebber van natuurhistorische musea) uitgebreid in op de totstandkoming van de collecties. Zoals die van het Rijksherbarium in Leiden, dat in de negentiende eeuw talloze gedroogde planten kreeg uit Nederlands-Indië en Japan: „Resultaat van expedities die niet alleen de floristische rijkdom van de koloniën in beeld moesten brengen, maar die ook het economische nut van het plantenmateriaal onderzochten.”

Tegelijkertijd laat De Ruiter (in prettig leesbare, soms wat zakelijk geschreven teksten) zijn licht schijnen over de verschuivende functie van dergelijke collecties. „In de eerste decennia van het Herbarium was het nog heel gebruikelijk dat collectiemateriaal werd uitgeleend aan botanici voor hun onderzoek.” Dat is inmiddels wel anders. „Het grote publiek kan het zeker vergeten om daar ooit nog binnen te komen, maar ook voor wetenschappers zal het niet meevallen.” Het ‘browsen’ in de collectie zou in strijd zijn met een zo efficiënt mogelijke opslag, schrijft De Ruiter: „[...] maar een verzameling waarin niet regelmatig gewerkt kan worden, die leeft niet meer.”

Gelukkig is dit boek een geslaagde poging om de collecties levend te houden voor een breed publiek.