Analyse

Het kon niet op in yuppig Amsterdam – tot de bubbel dit jaar knapte

Essay | Vette jaren Jarenlang was het feest in Amsterdam. Nog meer hotels, nog meer toeristen. Nog meer geld. Een stad die high leek van haar eigen succes. Toen kwam corona.
Het rooftop-zwembad van W Amsterdam, een luxehotel aan de Spuistraat, met het Paleis op de Dam als overbuurman.
Het rooftop-zwembad van W Amsterdam, een luxehotel aan de Spuistraat, met het Paleis op de Dam als overbuurman. Foto Novum/Piet van der Meer

Toen Joël Illidge (34) in 2012 afstudeerde, ademde Amsterdam een crisissfeer. Een baan vinden lukte niet, stilgelegde bouwprojecten bepaalden het straatbeeld en in zijn toenmalige buurt – Slotervaart – viel niet veel te beleven.

Maar met de vette jaren van Amsterdam – een periode van onafgebroken economische groei sinds 2013 – veranderde ook het leven van Illidge. Hij eindigde de jaren tien met een vast contract, een appartement op de negenentwintigste verdieping van een nieuwe wolkenkrabber binnen de Ring en een besteedbaar inkomen om een levensstijl vol horeca, reisjes, sporten en uitgaan te financieren. Een levensstijl die in het voorjaar van 2020 met een schok tot stilstand kwam.

In de Amsterdamse lucht hangt het gevoel: een tijdperk is tot een einde gekomen. Iets is geknapt. Zijn het niet de Te Huur-bordjes in de etalages, dan zijn het wel de berichten over een verdubbeling van het aantal beschikbare expatwoningen of de gesprekken die je op straat opvangt van mensen die hun baan kwijt zijn. Amsterdam: wereldstad op zijn retour, kopte Het Parool in augustus. De stad lijkt zijn glans te hebben verloren, schreef stadsjournalist Tracy Metz in een recente column.

Een goed moment om terug te kijken op dit voorbije tijdperk. Van de tijdgeest tot de levensstijl van zijn inwoners: hoe veranderde de stedelijke cultuur van Amsterdam in de vette jaren?

Wat vooral opvalt: hoe yuppig de hoofdstad werd. Rond 2010 was de hipstercultuur nog dominant: een sfeer van tweedehands, ambachtelijk, doe-het-zelf, moestuintjes, dansen in verlaten loodsen. De sfeer was liever, alternatiever, zoals vastgelegd in de NPO-serie A’dam – E.V.A. En de hoofdpersonen (een jonge ambtenaar en reisbureaumedewerkster) hadden ieder een eigen woning.

Ergens halverwege het decennium begon dat Berlijnse, alternatieve gevoel te kantelen: de hipsters werden verdrongen door de nieuwe winnaars van deze tijd: yuccies (succesvolle, creatieve young professionals), expats en Zuidas-types, die hun stempel gingen drukken op de stedelijke cultuur. Een treffende persiflage daarop is VPRO-programma Joardy Season, met het leven van ‘Valentijn’: een vroeg-rijke, onuitstaanbare yup met een vage start-up die in Amsterdam is komen wonen omdat hij het „kankerpittoresk” vindt.

De A’dam Toren aan het IJ, met bovenin een draaiend restaurant.

Foto George Pachantouris

Volgens architectuurcriticus René Boer is deze verandering in stedelijke cultuur een direct gevolg van ontwikkelingen op de woningmarkt. „De huizenprijzen zijn in het afgelopen decennium enorm gestegen. Je moet keihard werken om met zijn tweeën de huur van 1.500 euro op te hoesten.” Een ontwikkeling die al in de jaren negentig in gang werd gezet, met de liberalisering van de woningmarkt en het vrijgeven van tienduizenden sociale huurwoningen.

Boer zag een smooth city ontstaan, een gepolijste, aangeharkte stad, ingericht op een jonge, homogene groep vermogende mensen, die het kunnen betalen om in Amsterdam te wonen. Ook wílden steeds meer mensen hier wonen, zegt De Boer, door de culturele herwaardering van de stad.

Het aanbod in stedelijke consumptie – horeca, sporten, feesten en wonen – richtte zich steeds meer op de vermogende groep

Wie betaalt, bepaalt. Het aanbod in stedelijke consumptie – horeca, sporten, feesten en wonen – richtte zich steeds meer op de vermogende groep. Neem de opening van Soho House, de internationale luxesociëteit met dakzwembad. Of de prijzige sportscholen, ingericht als nachtclub. Een draaiend restaurant, bovenop de A’dam Toren. Vijfsterrenhotels, zoals het protserige W Amsterdam. Een New York-achtige manier van wonen in complexen met conciërge. Toegenomen cocaïnegebruik. Horeca ingericht met marmer en goud. En Biròs, overal Biròs, de zwarte mini-auto’s à 15.000 euro.

Met een historische krapte op de arbeidsmarkt was er het gevoel: overal is werk, overal is geld. Wie het slim speelde, pikte een paar kruimels mee.

Een Birò zoals je die ineens overal in Amsterdam zag. Deze staat geparkeerd op de Zuidas.

Foto Olivier Middendorp

Bijvoorbeeld Francesca Louise Smit (30). Als dj, barvrouw én Airbnb-verhuurster beantwoordde haar werk de vraag naar feesten, horeca en toerisme. „In piekmaanden verdiende ik soms wel vier- tot vijfduizend euro”, zegt Smit. Haar leven in de jaren tien voelde soms „als één groot feest, het waren gouden tijden, ik had echt een hedonistische lifestyle”. In de wintermaanden werd ze overgevlogen om te draaien in Zuid-Afrika, Bali of Colombia, in het zomerseizoen stond ze op de gastenlijst van de grootste festivals.

Ook Joël Illidge herinnert zich een ‘wind mee’-gevoel: „Ik vond een baan. Mijn vrienden vonden een baan. Voor ons voelde het als: hè hè, eindelijk is onze tijd gekomen. In de crisistijd hadden we gestruggeld. Eindelijk konden we een beetje comfortabel leven. Een koffie halen zonder op de prijs te letten.”

Maar dat comfortabele leven had wel een prijs, zegt architectuurcriticus René Boer. „De cultuur van keihard werken zorgde ervoor dat de deelnemers aan de ratrace hun vrije tijd supereffectief wilden inrichten. Ze wilden naar de allertofste festivals, naar het allerbeste restaurant. Er was veel minder ruimte voor een beetje lummelen, kunst maken, je tijd verdoen met activiteiten die niet per se productief zijn.” Die druk leidde tot agendahedonisme: de teugels laten vieren op geplande momenten. Illidge: „De mentaliteit ontstond van work hard, play hard. Alles moest gepland worden. Opeens moest je bij alle restaurants reserveren. Sportklasjes. Feesten. Ik moest zelfs mijn rusttijd plannen, anders ging ik maar door.”

De explosie aan festivals en marathonfeesten in clubs, die soms wel 72 uur lang doorgingen, beantwoordden aan de behoefte om gepland – al dan niet in een roes – te ontsnappen aan de constante druk, zoals de opkomst van de yogasnuiver liet zien.

Volgens hoogleraar sociologie Jan Rath was de stedelijke cultuur van Amsterdam in de ban van het neoliberalisme. Ondanks de gigantisch stijgende huren en het vertrek van jonge gezinnen uit de stad, was er „relatief weinig protest” tegen de opkomende ongelijkheid. „Onder het neoliberalisme ben je verantwoordelijk voor je eigen succes. Als je geen goede baan vindt ben je een loser.”

Dichter Florence Tonk beschrijft dit gevoel in haar Wiegelied voor de stad: „Ondertussen in de stad / die zat is / van succes en in een roes leeft (..) / steeds meer haast heeft / geen plek voor wie / het niet verdient, niet genoeg / dus eigen schuld. (..) wie niet past moet uit de ring / anders zonde van de centen, denk toch aan de rendementen.”

De Amsterdamse sportklasjesgekte was hier een uiting van. Het sterke, gespierde lichaam werd het nieuwe ideaal. Via apps als Onefit en Classpass ontstond er een run op sportklasjes in hippe studio’s – van hot yoga tot kickboksen. In de parken zag je overvolle bootcampklassen.

Daarover zei de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe eerder in deze krant: „Je ziet dat mensen heel gezond willen leven om zestig uur te kunnen werken en te kunnen concurreren met anderen.” De opkomst van apps om je eten te laten bezorgen, je rond te laten rijden of schoonmaakhulp in te huren speelde in op die zucht naar een efficiënter stadsleven waarin je zo min mogelijk tijd verspilt aan dingen die níét bijdragen aan je werksucces.

Naast een stedelijke cultuur van keihard werken, sporten en feesten, veranderde er nóg iets: Amsterdam werd internationaler. Hoewel de hoofdstad vergeleken met steden als New York of Londen een dorpje is, kon je wél als internationale stedeling je levensstijl hier moeiteloos voortzetten. Werken bij een van de techgiganten, koffie halen bij een minimalistische bar, uit eten bij een zuurdesempizzeria met natuurwijn, yogales volgen bij een Engelstalige studio, shoppen bij een keten in de Negen Straatjes. Populaire millennialsite Refinery29 publiceerde het gelddagboek van een 32-jarige expat in Amsterdam, die zich rond laat rijden in Ubers en kreeft eet bij Soho House.

Het zwembad op het dak van luxehotel W Amsterdam.

Foto Novum/Piet van der Meer

Paradoxaal genoeg leidde de internationale populariteit van Amsterdam tot een stedelijke monocultuur. De wijken binnen de Ring begonnen steeds meer te lijken op elkaar én op veryuppende buurten in andere wereldsteden. Dat zag je aan de opkomst van horecaketens, waarvan de klonen zich over de stad verspreidden, met een esthetiek die je in elke grote stad ter wereld vindt: van de Spaghetteria tot Juice Brothers, van de Vegan Junkfood Bar tot de Avocado Show. Maar ook de exclusieve sportscholen openden meerdere vestigingen en identieke, steriele Airbnbs vond je in elke buurt. Amsterdam werd steeds meer een decor waar anywheres – kosmopolitische stedelingen, een term gemunt door Brit David Goodhart – hun inwisselbare levensstijl konden uitoefenen, om na een paar jaar weer te verkassen naar een nieuwe locatie.

Volgens hoogleraar Jan Rath was het gemeentebeleid om internationale ondernemers en bedrijven naar Amsterdam te lokken met belastingvoordelen én een stedelijke cultuur waarin expats goed gedijen, om zo te concurreren met andere Europese steden. „De stad heeft de afgelopen decennia de loper uitgerold voor expats en hoogopgeleiden, als aanjagers van de economie.”

Terwijl de stad doorfeestte, ontstond rond 2019 het gevoel van een luchtbel. Jaar na jaar van economische groei sinds 2013. Nog meer hotels. Nog meer toeristen. Nog meer geld. Een stad die high leek van haar eigen succes, en alsmaar sneller en groter leek te worden. Jan Rath: „Het wiel was wel érg hard gaan draaien. Té hard.” René Boer: „De economie ging in een overdrive.” Joël Illidge: „Het voelde alsof er iets ging barsten. Jaar na jaar werden we rijker, maar hoe lang nog?”

In één keer viel mijn gehele inkomen weg. Ik heb een uitkering aangevraagd en stond een week later bij de voedselbank

Francesca Louise Smit dj, Airbnb-verhuurster

Voor Francesca Louise Smit eindigden de vette jaren abrupt. „In één keer viel mijn gehele inkomen weg. Al mijn draaiklussen als dj, al mijn shifts in de horeca, al mijn boekingen via Airbnb. Ik heb een uitkering aangevraagd en stond een week later bij de voedselbank.”

Tijdens de lockdown kwamen de muren op haar af. „Ik werd opeens heel erg geconfronteerd met mezelf: heb ik mijn jaren als twintiger weggefeest? Al mijn zzp’ende vrienden waren hun baan kwijt. Het was een duistere tijd, ik voelde me doodongelukkig. Dat had ik nooit verwacht in mijn eigen stad.” Van de buffer die ze nog had kocht ze een vliegticket: enkeltje Bali. „Voor mij was er in Amsterdam geen enkel financieel vooruitzicht meer.” Ze heeft het surfen opgepakt en hoopt binnenkort weer te kunnen draaien – op het eiland zijn de clubs nog open. Voorlopig komt ze rond van haar spaargeld.

Hoe zal het nu verder gaan met de stedelijke cultuur van Amsterdam? Is de coronacrisis één grote reset van de levensstijl die voortkwam uit de vette jaren? René Boer is daar nuchter over; hij ziet momenteel een verdoofde stad die zo weer tot leven kan komen. „De geoliede machine is tot stilstand gekomen, dat is zo. Je hebt nauwelijks toeristen meer, de horeca is gesloten, veel expats vertrekken, voor het eerst zie je weer leegstand. Maar je zag het deze zomer al, toen de maatregelen werden versoepeld: het plooide vrij snel terug naar de oude situatie: veel toeristen, volle horeca. Als in de loop van het jaar alles weer open kan zal de oude situatie voor een groot deel terugkeren.”

Een uitgestorven Rembrandtplein op vrijdagavond, november 2020.

Foto Olivier Middendorp

Boer denkt dat voor echte verandering van de stedelijke cultuur een ander gemeentelijk beleid nodig is, waardoor de stad ook aantrekkelijk is voor bewoners met een lager inkomen of ander opleidingsniveau. De stad is in de vette jaren gegroeid, maar niet voor de middenklasse. De groep mensen met een middeninkomen slonk afgelopen jaar met drie procent, terwijl de groep mensen met een hoog inkomen inmiddels een derde van de bevolking uitmaakt, schreef Het Parool begin november. Jonge gezinnen, starters, arbeiders, creatievelingen: voor hen en vele anderen werd het prijskaartje van het Amsterdamse leven te hoog.

Joël Illidge is door het oog van de naald gekropen: vlak voor de crisis toesloeg tekende hij een vast contract bij de GGD. Doordat hij ook de vorige crisis meemaakte, beleefde hij de afgelopen jaren heel bewust. „Ik dacht: laat ik er nu maar van genieten, ik weet niet wat er straks komt. En dat heb ik gedaan. Al denk ik ook: had het feest nog maar iets langer geduurd.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.