Syriërs lopen in een verwoeste straat in de wijk al-Arkoub, in Aleppo eind 2016.

Foto Youssef Karwashan/AFP

Eerst Assads strijder, nu asiel in Nederland

Onderzoek | Oorlogsmisdadigers Tientallen oud-handlangers van de Syrische president Assad zijn als vluchteling in Nederland beland, tot onrust van vele Syriërs hier. „Dit zijn de mensen voor wie wij zijn gevlucht.”

In een rustige woonwijk tussen het hockeyveld en de basisschool in een Drents dorp stokt op een avond deze zomer de adem van Raid Sadek (37). Op het scherm van zijn mobiel is zojuist een foto verschenen van een man in een kogelwerend vest, met in zijn rechterhand een wapen.

Bashar met een kogelwerend vest en een wapen (9A-91). De foto verscheen eind 2014 op het Facebookprofiel van een goede vriend van Bashar. Foto via Facebook

De foto moet in Syrië zijn gemaakt, maar degene aan wie de man hem doet denken, woont net als hij in dit kalme dorp. Hun vrouwen dansen en koken samen en de man komt dan wel eens bij hem over de vloer. Raid weet niet beter dan dat de man kapper was in Damascus en zijn rechterarm verloor bij een verkeersongeluk.

Er staan meer foto’s van de man op Facebook. Hij zit in een uniform met het logo van de militaire veiligheidsdienst aan tafel, met een walkietalkie voor zich. Hij poseert in uniform met een Duitse herder en twee andere mannen op straat. Met zeven anderen in uniform staat hij voor een kale, betonnen muur met kleine ramen hoog boven de grond. Voor de muur staat een wit busje, zoals Raid die maar al te goed kent.

Vier keer werd Raid opgepakt door de Syrische veiligheidsdiensten omdat hij kritiek uitte op het regime van president Bashar al-Assad. Telkens werd hij gemarteld, terwijl zijn vrouw en twee jonge dochters thuis achterbleven zonder te weten of hij nog leefde. Na die vierde keer besloot Raid eind 2015 te vluchten, via Libanon naar Nederland. Zijn vrouw en kinderen volgden een paar maanden later.

Het gezin woont nu vier jaar in dit dorp en kreeg er een dochter en een zoon bij. De kinderen spreken beter Nederlands dan Arabisch en noemen buren verderop opa en oma. De oudste fietst dagelijks een uur heen en terug naar de middelbare school in Groningen, het meisje van drie krijgt logopedie. Op blote voeten rent ze de tuin in terwijl Raid een fiets repareert. „Nederland is mijn tweede vaderland”, zegt hij.

Raid Sadek (37) vluchtte uit Syrië en deed aangifte tegen een man in zijn dorp in Drenthe, om mogelijke oorlogsmisdaden in Syrië. „Syriërs willen net zo goed dat deze misdaden bestraft worden.”

Foto Kees van de Veen

Maar Syrië laat hem niet los. Raid is vaak onrustig, vertelt zijn vrouw. Soms zoekt hij uren op zijn telefoon naar berichten van familie en vrienden in Syrië die risico lopen te worden opgepakt. Hij heeft nog altijd nachtmerries over de martelingen. Dat hij uitgerekend hier, in zijn huis in Drenthe, een mogelijk lid van de Syrische veiligheidsdienst tegen het lijf loopt, is voor Raid onverteerbaar. „Dit zijn de mensen voor wie wij zijn gevlucht”, zegt hij. „In Syrië kunnen ze alles maken, maar in Nederland zijn wetten en regels. Als ze daar niet worden gestraft, dan moet dat hier gebeuren.”

Handlangers regime vrijuit

In september van dit jaar kwam minister Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) met een ambitieus plan: Nederland klaagt de Syrische staat aan, via een ongebruikelijke route: een internationaal verdrag tegen marteling dat in 2004 ook door Syrië is ondertekend.

Blok kwam niet zelf op dat idee. Een jonge, slimme Syrische advocaat van een Brits kantoor bedacht begin dit jaar de route naar zo’n zaak. Het kantoor opperde het plan aan de autoriteiten van Canada en drie Europese landen en Nederland pikte het als eerste op. De weg naar een proces is lang, erkent Blok, maar Nederland moet volgens hem internationaal het voortouw nemen. „Als we geen eerste stap zetten, gebeurt er nooit iets”, aldus de minister. „We zijn dit verplicht aan de slachtoffers en moeten aan de wereld laten zien dat we dit niet zomaar laten passeren.”

 

Terwijl Nederland zegt het regime te willen vervolgen, gaan handlangers hier vrijuit.

 

In eigen land komt van dat voornemen minder terecht. Terwijl Nederland zegt het regime te willen vervolgen, gaan handlangers hier vrijuit. Het Openbaar Ministerie bracht drie Syriërs voor de rechter die oorlogsmisdaden pleegden en lid waren van een terroristische of salafistische organisatie, maar niemand die aan Assads zijde vocht – Duitsland deed dat wel.

En dat terwijl het regime veruit de meeste burgerdoden in Syrië aangerekend kan worden. In een in juni verschenen rapport van het Syrian Network for Human Rights staat dat het verantwoordelijk is voor maar liefst 98,9 procent van de 14.388 gevallen van dodelijke marteling, tussen maart 2011 en juni 2020.

Wonen Assads handlangers niet in Nederland? Immigratiedienst IND ziet ze nauwelijks. Een speciale afdeling met de naam 1F moet Syrische vluchtelingen opsporen over wie een „ernstig vermoeden” bestaat dat ze oorlogsmisdrijven of misdaden tegen de menselijkheid hebben gepleegd. De afdeling onderzocht recent álle 12.570 dossiers van álle Syrische mannen tussen 17 en 35 jaar oud, die tussen januari 2011 en januari 2016 in Nederland asiel kregen.

Staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (Justitie, VVD) presenteerde eind juni de opmerkelijke resultaten: tegen slechts één Syriër vond de IND genoeg aanwijzingen om zijn verblijfsvergunning in te trekken.

NRC sprak de afgelopen maanden met ruim negentig bronnen – slachtoffers, juristen, activisten, ambtenaren – en spitte de sociale media door van mannen die mogelijk misdaden pleegden uit naam van Assad. Slachtoffers verwijzen naar hen als ‘shabiha’, een in Syrië courante verzamelterm voor loyalisten van het regime die politieke tegenstanders arresteren, verkrachten, martelen en vermoorden. Volgens een deskundige wonen er tientallen in Nederland en enkele honderden in West-Europa.

Hun aanwezigheid zorgt voor onrust in de Syrische gemeenschap in Nederland. Op tal van websites waarschuwen Syriërs elkaar voor landgenoten van wie ze weten – of denken te weten – wat die misdaan hebben. Sommige shabiha onderhouden nog banden met het regime en gebruiken die om andere Syriërs in Nederland te bedreigen en af te persen. NRC stuitte op meerdere slachtoffers.

‘Je moet naar de politie’

Bashar heet de man met één arm. Hij heeft een zilvergrijze BMW – een automaat – waarmee hij in de weekenden maaltijden bezorgt voor een snackbar in Assen. Na het zien van diens foto’s doet Raid navraag. Hij hoort verhalen van gezamenlijke vrienden die af en toe wat met hem drinken, soms met een jointje erbij. Ze zeggen dat Bashar dan graag opschept over zijn verleden in Syrië. Hij zou vertellen dat hij voor een hoge officier werkte, bij de militaire veiligheidsdienst zat en met een ‘inval-eenheid’ tegenstanders van het regime uit hun huizen sleepte. Een tweede bron die Bashar persoonlijk kent, bevestigt aan NRC dat die erover opschept.

Bashar in uniform met op zijn linkerbovenarm een logo met de Arabische tekst: الأمن العسكري (militaire veiligheid). Bashar zelf bevestigt dat hij dit uniform droeg. Foto via Facebook

Het zijn uiterst ernstige zaken. De inval-eenheid van de militaire veiligheidsdienst in Damascus is afdeling 215. In het gevangeniscomplex van de eenheid zijn burgers op industriële schaal doodgemarteld.

Raid vraagt advies aan zijn overbuurvrouw Gerda. Als ze op een namiddag in juni op het bankje in zijn achtertuin zitten, haalt hij de foto’s tevoorschijn. „Hij was overstuur”, vertelt Gerda later in haar woonkamer, met op haar schoot een dwergkees. „Raid praat vaak snel, zo ken ik hem, maar toen was hij echt bang. Hij liet een foto zien van een man met een geweer en zei: ‘Deze man heeft in Syrië mensen zó doodgemaakt.’” Ze doet na hoe Raid zijn hand over zijn keel haalde. „Hij vroeg: ‘Gerda, wat moet ik hiermee?’ Ik zei: hiermee moet je naar de politie, Raid. ‘Echt waar,’ zei hij? Echt waar, zei ik, daarmee moet je naar de politie.”

Niet lang daarna wandelt Raid naar het politiebureau, vlakbij zijn huis. Hij spreekt een agent aan, maar het bureau sluit bijna, er is corona en dus staan ze buiten op de stoep. Zijn Nederlands hapert.

Raid meent dat hij aangifte aan het doen is, maar als hij een paar weken later terugkeert om uit te vinden wat met zijn aangifte is gebeurd, kan wijkagent Harry Prak in het systeem niets over het gesprek terugvinden. Raid maakt aanstalten om te vertrekken.

„U bent hier nu toch”, zegt Prak vriendelijk. „Wat wilt u mij vertellen?” Hij neemt Raid mee naar een kamer in het bureau, waar die met behulp van een tolk zijn verhaal doet.

Raid:„Op een Facebookpagina is een foto gepubliceerd van iemand en zijn naam. Diegene woont hier. Ik hoor ook van Syriërs wat voor misstanden hij heeft gedaan in Syrië.”

Prak: „En die misdaden waarover u wil spreken, dat zijn heel ernstige feiten?”

Raid: „Ja.”

Prak: „Tegen het menselijk leven?”

Raid: „Ik heb een foto van die meneer.” Hij laat die zien op zijn telefoon.

Prak: „Ken je deze persoon zelf, als persoon? Heb je contact met hem gehad?”

Raid: „Ja. Maar nu niet meer.”

Raid is niet de enige die deze zomer de autoriteiten waarschuwt over Bashar na de alarmerende foto’s. Een andere man heeft al aangifte gedaan. Het politie-onderzoek dat erop volgt, is na twee maanden stopgezet wegens gebrek aan bewijs. Een derde man stuurt eind juni een anonieme e-mail naar het Team Internationale Misdrijven van de politie.

 

 

De tipgever, die Bashar persoonlijk zegt te kennen, schrijft dat die ‘trots’ over zijn misdaden in Syrië vertelt. „Hij was een crimineel en was de reden voor de arrestatie van veel mensen en was verantwoordelijk voor de marteling van gevangenen in Syrische gevangenissen”, staat in de mail. Negen foto’s van Bashar zijn bijgevoegd.

De afzender krijgt nooit antwoord.

In een reactie zegt het Team Internationale Misdrijven: „Een ontvangstbevestiging was op zijn plaats geweest.”

De Syrische geweldsmachine

Niemand weet precies waarom de shabiha zo heten. Ze rijden rond in een type Mercedes met geblindeerde ruiten dat in grote delen van de Arabische wereld door veiligheidsdiensten wordt gebruikt en te boek staat als de ‘shabah’, dat geest betekent. Of misschien roepen ze spookbeelden op om betrokkenheid bij schimmige misdaden, duistere martelkamers en de dood.

In ieder geval kan iedere Syriër je vertellen wat de shabiha zijn, zegt Ugur Üngör, een aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) verbonden hoogleraar in genocidestudies. Hij schrijft een boek over het onderwerp. Volgens hem zijn de shabiha onlosmakelijk onderdeel van de geweldsmachine van de Syrische staat – vaak jonge, laag opgeleide mannen uit arme gezinnen die door het regime worden ingezet om de vuilste klusjes op te knappen. „Het zijn de flexwerkers van de geweldsindustrie”, aldus Üngör. „Ze kunnen altijd en overal worden ingezet als een soort burgerwacht, een gewapende civiele mobilisatie voor de repressie van andersdenkenden.”

Dat kwam van pas toen in het voorjaar van 2011 honderdduizenden Syriërs tijdens de Arabische Lente de straat opgingen om een revolutie te eisen. Assad mobiliseerde de mannen om demonstranten in elkaar te slaan, te martelen of vermoorden. „De shabiha pleegden op industriële schaal misdaden tegen de menselijkheid”, aldus Üngör. „Dat is precies het geweld dat het conflict heeft geradicaliseerd.”

Al snel gingen deze mannen op in Assads veiligheidsdiensten en de NDF (National Defence Forces), een militie die in 2012 werd opgericht om het verliezende Syrische leger te helpen. Toen de oorlog verhevigde, zijn velen naar Europa vertrokken. „Het front is andere koek dan op straat oppositiejongens in elkaar slaan”, aldus Üngör. „Veel shabiha dachten: hier hebben we niet voor getekend.”

Ze reisden mee met de miljoenen Syrische burgers die ze juist op de vlucht hadden doen slaan. Volgens Üngör konden ze ongemerkt Europese landen en ook Nederland binnenglippen omdat niemand op hen lette. „Alle debatten gingen over jihadisten in de vluchtelingenstroom”, zegt de academicus. „Daar heb ik met ingehouden woede naar zitten kijken, want het aandeel van het regime in de destructie van de Syrische samenleving is vele malen groter.”

Syriërs zelf sloegen meteen alarm. Al vanaf het begin van de vluchtelingencrisis richtten zij websites en Facebookpagina’s op om naar Europa afgereisde shabiha in kaart te brengen. Üngör keek mee en telde er door de jaren heen „zeker tientallen” in Nederland en honderden in West-Europa. „De informatie werd destijds nauwelijks opgepikt door Europese opsporingsdiensten”, zegt hij. „Er was gewoon heel weinig interesse in de misdaden van Assad.”

Lees ook hoe slachtoffers van marteling de rechtszaak in Duitsland volgen.

Dat is aan het veranderen nu Duitsland het voortouw neemt in de vervolging van Assads handlangers in eigen land. In de stad Koblenz begon dit voorjaar de eerste zaak ter wereld tegen twee vermeende folteraars van het regime. Hoofverdachte Anwar R. (57) wordt de marteling van 4.000 mensen en 58 moorden ten laste gelegd, zijn handlanger Eyad A. (43) staat terecht voor medeplichtigheid aan 30 gevallen van marteling. Kort erna arresteerde de Duitse politie een Syrische arts die zijn patiënten gemarteld zou hebben, nadat Der Spiegel en Al Jazeera Arabic over hem berichtten. Alle verdachten waren herkend door Syrische vluchtelingen.

De Duitse initiatieven gaven een nieuwe impuls aan de zoektocht naar Syrische oorlogsmisdadigers in heel Europa. Op sociale media verscheen een nieuwe stroom aan informatie over de shabiha.

„Eindelijk zien we dat onze inspanningen tot iets kunnen leiden”, vertelt Mazen Darwish, oprichter van het Syrian Center for Media and Freedom of Expression (SCM) in Parijs. De prominente Syrische mensenrechtenadvocaat werd zelf jaren gemarteld door het regime en reisde af naar Koblenz om hierover te getuigen. Intussen werken hij en zijn collega’s samen met aanklagers in Canada, de Verenigde Staten en zeven Europese landen om bewijsmateriaal te delen over mogelijke nieuwe verdachten. „Koblenz is voor ons pas het begin”, zegt Darwish. „Het wordt tijd dat de rest van Europa in actie komt.”

Ronselen van strijders

In een stad in Noord-Holland woont een Palestijnse man uit Syrië die bij instanties bekend staat als een lastpak. Met zijn zoon intimideerde hij andere vluchtelingen. Hij klaagde vaak dat hij meer geld wilde, vertellen twee oud-begeleiders van Vluchtelingenwerk. Zijn aanvraag bij de Voedselbank werd afgewezen toen uit zijn bankafschrift bleek dat hij over duizenden euro’s beschikte en grote pinopnames en uitgaven deed. „Dat riep de nodige vragen op over zijn afkomst”, zegt een bron.

De man heet Yassin. Hij is in 1966 geboren in de Syrische stad Homs, studeerde werktuigbouwkunde in Duitsland en woonde en werkte een paar jaar in Rusland. Eind jaren negentig keerde hij terug naar Homs, waar hij een bouwbedrijf begon met uiteindelijk 400 werknemers en bouwopdrachten in heel het land.

In het Palestijnse vluchtelingenkamp al-Aideen in Homs, waar hij woonde, was Yassin een notabele. Hij was betrokken bij het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina - Algemeen Commando, een organisatie die op de Europese terreurlijst staat en nauw samenwerkt met het regime. Later haakte hij aan bij de pro-Assad-militie Liwa al-Quds (de ‘Jeruzalem Brigade’). Op Facebook deelt hij regelmatig nieuws over die militie. Op foto’s poseert hij met de twee hoogste bevelhebbers Mohammed al-Sa’eed en Adnan al-Sayyed. Op de pagina van de militie staan foto’s van Yassin in uniform. Op één draagt hij het logo van de militie op zijn arm.

Volgens het Violations Documentation Center in Syria (VDC), een Syrische ngo die schendingen van mensenrechten door alle partijen in het Syrisch conflict documenteert, is de militie schuldig aan oorlogsmisdaden. Ze vocht niet alleen tegen IS, maar nam ook deel aan regime-aanvallen in onder andere Aleppo, Oost-Ghouta en Idlib die aan duizenden burgers het leven kostten. Ook is de militie volgens de ngo verantwoordelijk voor standrechtelijke executies, ontvoeringen, marteling en arrestaties.

Yassin had vele functies, vertellen meer dan zeven bronnen uit zijn omgeving. Als notabele bemiddelde hij tussen het regime en de inwoners van het kamp. Soms om gevangenen vrij te krijgen, soms juist om tegenstanders van het regime te laten oppakken. Bij de militie vocht de vijftiger waarschijnlijk niet mee, maar zou hij betrokken zijn bij het ronselen van minderjarige strijders.

Dat de militie kindsoldaten ronselt, bevestigt de ngo. De militie zette tal van foto’s van jonge strijders op sociale media. Bij een artikel op het Syrische oppositiemedium Syria Call over een campagne van de militie om „jeugd van het kamp” te werven, zit Yassin op de foto vooraan.

 

In zijn woonkamer vertelt Yassin vier uur lang in het bijzijn van een tolk over zijn leven in het kamp

 

Het ronselen van kindsoldaten is een oorlogsmisdrijf.

In zijn woonkamer vertelt Yassin vier uur lang in het bijzijn van een tolk over zijn leven in het kamp. Zijn grijze haar is bovenop zwart geverfd. Hij draagt een trainingsbroek en een wit T-shirt met in zwarte letters ‘Nike Air’. Zijn vrouw zet koffie en neemt naast hem plaats op de bank. Zo nu en dan knikt ze instemmend.

Hij zat in de buurtcommissie, de moskeecommissie, de ziekenhuiscommissie, een liefdadigheidsclub van het kamp. Alles deed hij om zijn mensen veilig te houden. Om die reden onderhield hij de goede banden met de Syrische veiligheidsdiensten en het Volksfront.

In 2015 veranderde zijn positie. Het Volksfront verloor aan invloed en hij kreeg minder vaak uitnodigingen van het regime. Hij vreesde voor de veiligheid van zijn kinderen en stuurde hen naar Nederland. Op den duur raakte hij net als iedereen „betrokken bij militaire zaken”, erkent hij. „Burgers bestonden niet meer. Wie iets anders zegt, liegt.”

 

„Ik heb nooit kindsoldaten geworven en heb het ook nooit gefaciliteerd. Ik ontken dat helemaal”, zegt hij. „Dat zijn leugens van de oppositie.”

 

Yassin vertelt openlijk over zijn banden met Liwa al-Quds. Zo ontbeet hij in 2017 met bevelhebber Adnan al-Sayyed die „al 20 of 25 jaar” zijn vriend is. „Ik verzocht hem om het kamp bescherming te bieden”, zegt hij. Pas dat jaar droeg hij het uniform, als „veiligheidsgarantie”.

Ronselde hij kindsoldaten? „Ik heb nooit kindsoldaten geworven en heb het ook nooit gefaciliteerd”, zegt hij. Hij noemt het leugens, van de oppositie.

In de zomer van 2017 reisde Yassin zijn kinderen achterna. Niet omdat hij veel te vrezen had in Syrië, lijkt. In 2019 ging hij er weer heen, naar eigen zeggen om familie te zien en de banden met het regime goed te houden. De IND heeft hem al eens uitgebreid onderzocht. Daar kwam niets uit, vertelt hij. „Ik ben niet bang om te praten.”

De uitkomst: slechts één procedure

Toen grote aantallen Syrische vluchtelingen vanaf 2015 tegelijk naar Nederland kwamen, „kwam het papier soms in kruiwagens binnen”, herinnert een oud-medewerker van de afdeling 1F van de IND zich. De afdeling is genoemd naar het gelijknamige artikel in het Vluchtelingenverdrag waarin staat dat verblijf in een land kan worden onthouden aan mensen die zich schuldig maakten aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid.

Met één specialistisch onderzoek, zegt de oud-medewerker, „ben je al gauw drie maanden bezig”. Die tijd was er vaak niet. „Mogelijke casussen werden soms afgesloten zonder gehoor. En waar vluchtelingen wel bevraagd werden, was de voorbereiding vaak matig”, zegt een andere oud-medewerker.

De vraag is of handlangers er bij binnenkomst nu wél uitgepikt worden. Het aantal Syriërs dat een verblijf wordt onthouden omdat ze vermoedelijk een oorlogsmisdrijf hebben gepleegd, is al die jaren gelijk gebleven: „minder dan tien” per jaar, volgens de IND. „Er wordt nog steeds weinig pro-actief informatie vergaard”, zegt de eerstgenoemde oud-medewerker.

Zo leverde ook de herbeoordeling in opdracht van de toenmalige staatssecretaris, van al die dossiers van Syrische mannen deze zomer, weinig op. De gedachte was dat de IND nu meer wist over de oorlog, de werkdruk was afgenomen en de screening was verbeterd. Sinds maart 2016 onderzoekt 1F bijvoorbeeld ook de sociale media van vluchtelingen en gegevens uit hun telefoon.

 

 

De herbeoordeling duurde anderhalf jaar, wat neerkomt op grofweg zevenhonderd dossiers per maand. De uitkomst? Eén procedure tegen een vermoedelijke misdadiger en tegen zeven anderen misschien. Van die zeven zijn er nu nog maar drie in onderzoek. Docent Maarten Bolhuis van de Vrije Universiteit in Amsterdam, die geldt als kenner van artikel 1F, concludeert dat „alle extra investeringen” van de IND om beter te screenen, „dus weinig extra opleveren”.

Nederland heeft een vangnet voor handlangers van Assad die er bij de immigratiedienst doorheen glippen. Het Team Internationale Misdrijven (TIM) is een gespecialiseerd politieteam dat onder leiding van het Openbaar Ministerie oorlogsmisdadigers in Nederland opspoort en vervolgt – een lastige klus. De rechercheurs kunnen geen onderzoek doen in Syrië, de misdrijven zijn soms lang geleden gepleegd, temidden van chaos en oorlog. Slachtoffers en getuigen wantrouwen de politie en vrezen dat aangifte hun eigen veiligheid of die van geliefden in Syrië in gevaar kan brengen.

Het team behaalde successen met oorlogsmisdadigers uit andere landen. Het kreeg drie Rwandese en een Ethiopische man veroordeeld. Het levert informatie en getuigenverklaringen over Syrische oorlogsmisdaden aan Duitsland en Frankrijk. En nu wil het „niets liever” dan ook in Nederland een zaak tegen een Assad-handlanger beginnen, zeggen betrokkenen. Daarvoor moet het ook goede contacten onderhouden met de Syrische gemeenschap.

„Precies daar gaat het soms mis”, zegt Hope Rikkelman, verbonden aan het Syria Legal Network in Nederland, een netwerk van Syrische advocaten, mensenrechtenactivisten en rechtenstudenten. Ze bemiddelt al jaren tussen de Syrische gemeenschap en het TIM in het melden van oorlogsmisdaden. Ze ziet de wil om een zaak voor te brengen, maar: „Er ligt zoveel informatie bij die gemeenschap en justitie maakt er veel te weinig gebruik van.” Waar het OM in Duitsland Syrische advocaten en activisten actief uitnodigt om zaken te bespreken, is Nederland volgens haar terughoudend.

Rikkelman: „Het TIM wil dat mensen zaken melden en laat vervolgens niets horen. Het heeft ons zelfs expliciet gevraagd om ons niet inhoudelijk met zaken bezig te houden.”

Ook andere hulp wordt afgehouden, zegt ze. Al vanaf 2016 wijst ze het TIM op gebreken in de brochures waarin het vluchtelingen oproept misdaden te melden. De vertaling zou krom zijn en Syriërs begrepen niet wat van hen gevraagd werd. Er gebeurde niks mee. Onlangs hoorde Rikkelman „via via” dat er een nieuwe brochure is. „We vertegenwoordigen een welwillende Syrische gemeenschap in Nederland. Het TIM heeft ons de folder niet eens gestuurd.”

In een reactie zegt een woordvoerder van het OM en het TIM dat de brochure „vanwege geldende regels voor het maken van politiebrochures beperkt is qua inhoud”. En: „We zullen het signaal van de mogelijk gebrekkige vertaling in behandeling nemen.”

Het OM noemt „nauwe contacten” met Syrische organisaties „van groot belang voor het opsporen” van internationale misdrijven en zegt hierin te investeren. Maar het geeft ook aan dat het geen informatie kan terugkoppelen. Dat zou de onderzoeken „vanzelfsprekend alleen maar in de weg staan”.

Nadat Raid aangifte deed, is de politie zich opnieuw over de zaak gaan buigen.

Dreigementen

Uit angst voor de shabiha vertrouwen Syrische vluchtelingen elkaar in Nederland vaak niet. Ze beperken hun sociale contacten en mijden soms publieke bijeenkomsten. Meerdere activisten zeggen dat ze op sociale media aan zelfcensuur doen omdat ze anonieme dreigementen ontvangen. Bij demonstraties komen steeds minder mensen opdagen omdat onbekende mannen opduiken die de betogers filmen, zegt de organisator van die demonstraties, het Syrisch Comité.

Soms gaat de dreiging nog een stap verder. Shabiha zetten andere Syriërs onder druk door te dreigen hun naasten in Syrië iets aan te laten doen. NRC telde zeker vijf slachtoffers van dit soort praktijken. Drie van hen durfden alleen te praten via hulpverleners en tussenpersonen. „Ik ben mijn land al kwijt”, verontschuldigde een man zich via een vriend. „Ik wil niet ook mijn vader in Syrië verliezen.”

 

Twee slachtoffers werden gedwongen geld af te staan om te voorkomen dat hun familie in hun thuisland iets zou overkomen

 

Hun angst is reëel. Een slachtoffer kreeg kort nadat hij kritiek op het regime uitte tegenover een landgenoot, een filmpje opgestuurd waarin te zien is dat een familielid in Syrië in elkaar geslagen werd. Van een ander werd de vader opgepakt nadat een shabih daarmee had gedreigd. Twee slachtoffers werden gedwongen geld af te staan om te voorkomen dat hun familie in hun thuisland iets zou overkomen.

Er zijn aanwijzingen dat de wandaden worden afgestemd met de Syrische autoriteiten. Twee bronnen hoorden van familieleden in Syrië dat de geheime dienst tijdens ondervragingen wees op informatie uit Nederland. Ook beschikt NRC via een bron over een opname van een telefoongesprek tussen een Syriër in Nederland en een man in Syrië die vermoedelijk voor het regime werkt. Dat laatste blijkt uit de militaire rangen die meermaals ter sprake komen en de context van het gesprek, waarin de man zegt dat hij informatie over activisten verzamelt en doorgeeft aan de regering.

Lees meer over de vluchtelingencrisis in 2015 in Nederland

Ugur Üngör van het NIOD benadrukt het gevaar van de shabiha voor de Nederlandse samenleving. Hij ziet dat ze onderling contact hebben en soms actief zijn in de georganiseerde misdaad. „Zodra ze hun Nederlandse paspoort krijgen, zal dat aantal alleen maar groeien”, waarschuwt hij. „Dit zijn mensen die excelleren in geweld en een enorm gevoel van machtsverlies ervaren. Het is een kwestie van tijd voordat ze hun oude skills weer laten gelden en ook hier gewapende bendes oprichten.”

Lichamen bij het checkpoint

En dan is er een derde en laatste casus. Een Syrische man in Nederland vertelt erover. Hij knielt op de vloer van zijn woning en vouwt zijn handen om zijn achterhoofd. „Zó is mijn vriend doodgeschoten”, zegt hij. „Ik heb het lijk zelf schoongemaakt. Eén vinger lag eraf en in zijn achterhoofd zat een kogelwond. Daarom denk ik dat hij van achteren is geëxecuteerd, met zijn handen op zijn hoofd. In zijn lichaam zaten dertien messteken.”

De avond voor de dood, in augustus of september 2012, haastte de vriend zich naar het oosten van Damascus om zijn schoonzusje te redden. Zij zat vast in Ain Tarma, een wijk die op dat moment werd belegerd door troepen van het regime. Toen de vrouw de volgende ochtend kon wegkomen, zag ze zeven lijken bij het checkpoint voor de ingang van de wijk liggen. Een was van die vriend, haar zwager.

Een ander familielid van de gedode man besloot het lichaam op te halen en vertelde aan de man die nu in Nederland woont, wat hij daar aantrof. De mannen die bij het checkpoint werkten, zeiden dat het familielid het „dierenlijk” kon meenemen als hij een papiertje tekende waarop stond dat „de terroristen” achter de moord zaten. Het familielid tekende en maakte dat hij wegkwam. Voor hij het checkpoint verliet, zag hij een bekend gezicht: Amer.

„Ik ken Amer al van kinds af aan”, vertelt de man die nu in Nederland woont. Hij groeide met hem op in de wijk Dwel’a, ook in het oosten van Damascus. Amer komt uit een arme, christelijke familie en voegde zich aan het begin van de opstand bij de lokale shabiha, volgens meerdere bronnen. Dwel’a zat er vol mee, ze hingen rond in nachtclubs, handelden in drugs en terroriseerden de buurt, vertelt de man in Nederland. Hij zag Amer meerdere keren zelf op een ander checkpoint in dezelfde wijk, bij het viaduct van Kabas.

Amer met andere strijders in uniform. De kogelgaten in de gebouwen doen vermoeden dat hier gevochten is.
Foto via Facebook
Amer met geweer. Namens het regime werkte hij op checkpoints en viel hij burgerwijken aan.
Foto via Facebook
Foto’s van Amer in Syrië waar hij namens het regime op checkpoints zou hebben gewerkt.
Foto’s via Facebook

In 2015, vlak na zijn aankomst in Nederland, krijgt de man een bericht van een kennis: Amer is ook in Nederland. Niet lang daarna verschijnen de eerste foto’s op Facebook. Op een zit Amer in legeruniform en met een geweer op een plastic stoeltje voor een viaduct. Op een andere foto: Amer in jeans en witte gympen in een metrostation in Amsterdam.

Amer woont inmiddels in een Gelders dorp. Dit voorjaar volgde hij de cursus ‘start je eigen bedrijf’ voor Syrische vluchtelingen in Tiel. Daar herkenden andere cursisten hem van de foto’s. „Ineens waren we bang om naar die cursus te gaan”, zegt een van hen, „maar niemand durfde iets te zeggen.” De cursusleider bij wie het probleem is aangekaart, wil niet reageren om de privacy van cursisten te beschermen.

Amers sociale netwerk zegt veel over zijn milieu in Syrië. Zo vocht zijn oudste broer met het regime en kwam daarbij in oktober 2013 om het leven. Een andere broer likete de Facebookpagina van de NDF-militie van Dwel’a. Een man met dezelfde achternaam en met wie Amer nog altijd warme berichten uitwisselt op Facebook, poseert op die pagina met een verbrand lijk.

Wat Amer precies op zijn geweten heeft, is moeilijk vast te stellen. Maar het checkpoint van Kabas gold als een van de gevaarlijkste van Damascus. Het Syrische Violations Documentation Center documenteerde er in de jaren 2012 en 2013 negen standrechtelijke executies. Eén betrof een kind.

 

Checkpoints in de wijk Dwel’a waar Amer gezien is

NRC belde twee keer met Amer om hem vragen te stellen. Beide keren hing hij binnen een paar minuten weer op. Wel noemt hij uit zichzelf ‘Bab Sharqi’ („Of ik nou Damascus, Bab Sharqi of de Arabische wereld heb verdedigd, bel me niet”), een toegangspoort tot het historische centrum van Damascus die in het verlengde ligt van de weg langs het checkpoint van Kabas. „Voor mij is het allemaal voorbij”, zegt Amer fel. „Het is niet nodig over deze zaken te praten. Als je iets in handen hebt, breng het maar naar de rechtbank.”

Machtige vrienden

Bashar in het dorp in Drenthe is welwillender. Als hij op een namiddag zijn vrouw helpt de boodschappen uit zijn BMW te laden, lijkt hij bijna opgelucht dat NRC hem bezoekt. „Ik weet waar jullie voor komen”, zegt hij. Hij hóópte zelfs dat mensen hem zouden bevragen, zodat hij eindelijk zijn verhaal kon doen.

Sinds de beschuldigingen online ontvangt hij anonieme berichtjes. Mensen fluisteren in de Arabische winkel. „Een kennis praat niet meer met me.” Hij heeft niets verkeerds gedaan, zegt hij. Er zijn geen foto’s van hem voor een gevangenis, of bij lichamen.

In zijn woonkamer nodigt hij uit om, in aanwezigheid van een tolk, alle vragen te stellen en de foto’s van hem te bespreken. Net als Yassin is hij ontspannen. Na een tijdje legt hij zijn prothese weg.

Dit is het verhaal van Bashar zelf, in het kort. Op zijn veertiende of vijftiende verliet hij school. Hij werd herenkapper, diende in het leger, werd weer kapper én reed een shuttlebus. Toen iemand hem benaderde om chauffeur te worden van een rijke autodealer wist hij het wel.

Zijn rijke en machtige baas had rijke, machtige vrienden, onder wie het hoofd van de beruchte arrestatie-eenheid 215, het hoofd van de militaire inlichtingendienst, de ambassadeur van Roemenië, en de neef van president Assad, zakenman Rami Makhlouf. Hij zag ze, maar sprak ze niet: „Ik was maar de chauffeur.”

Eén voor één neemt hij de foto’s door. Zijn vriend, die met een zelfgemaakt logo op Facebook de inval-eenheid 215 verheerlijkt? Hij glimlacht. „Opschepperij.” Die met het wapen? Die is voor de opstand gemaakt in de villa van de ambassadeur van Roemenië. Die met twee andere mannen in uniform en een Duitse herder? Niks raars aan, ze zijn in een woonwijk bij het ministerie van Onderwijs. Die van hem en de anderen voor dat busje? Dat was voor het kantoor van de autodealer. Enkelen op die foto zijn van de militaire veiligheidsdienst, zegt hij. „Die man hier rechts is van afdeling 215.”

 

De zwaarbeveiligde regeringswijk van Damascus waar Bashar op de foto ging

NRC liet de beelden van Bashar en collega’s geolocaten.

De rijke zakenman regelde via zijn vrienden bij de militaire veiligheidsdienst mensen om hem te beveiligen, vandaar. Bashar vertelt uit zichzelf dat hij niet alleen een uniform droeg met het logo van de militaire veiligheidsdienst, hij had ook een vergunning voor zijn wapen en had een militaire veiligheidspas om de checkpoints veilig te passeren. „Vanwege de aard van ons werk moesten we soms de militaire linie passeren.”

Hij dronk te veel, ook toen hij op 16 december 2016 een auto-ongeluk kreeg. Hij lag 45 dagen in coma en raakte zijn arm kwijt. Toen hij in 2017 bijkwam, bleek de relatie met zijn baas ernstig bekoeld. Hij werd bedreigd door mensen van het regime en vluchtte via Turkije naar Nederland. Hij hoopt binnenkort in aanmerking te komen voor een Nederlands paspoort.

Na het gesprek zwaait hij zijn bezoekers uit.

‘Ja, hij werkte voor afdeling 215’

De beweringen van Bashar, Yassin en Amer zijn moeilijk te toetsen. Getuigen van hun vermeende misdaden zitten vaak nog in Syrië, waar contact met journalisten al snel leidt tot arrestatie en erger. Om zo veilig mogelijk aan meer informatie te komen, legde NRC de drie casussen voor aan het in Parijs gevestigde team van mensenrechtenadvocaat Mazen Darwish. Dat heeft veel ervaring met het verzamelen van getuigenverklaringen en andere informatie in Syrië. Zijn team deed weken onderzoek naar de drie en sprak 23 bronnen, onder wie veel getuigen in Syrië en dissidenten binnen het regime met toegang tot officiële informatie. De vertrouwelijke rapporten zijn in handen van NRC. En dan blijken de allereerste geruchten over Bashar in het dorp in Drenthe sterk overeen te komen met de bevindingen van het onderzoeksteam in Parijs.

Bashar sloeg al vanaf het begin van de opstand demonstranten in elkaar en nam deel aan huiszoekingen en arrestaties – meerdere bronnen in Syrië verklaren dit. Soms hadden zijn acties dodelijke gevolgen. Een getuige vertelt dat Bashar het huis van een man binnenviel en hem net zolang sloeg totdat diens lichaam onder het bloed zat. De man werd afgevoerd en kwam later om het leven door marteling in afdeling 215 van de militaire inlichtingendienst.

 

En dan blijken de allereerste geruchten over Bashar in Drenthe opvallend overeen te komen met de bevindingen van het onderzoeksteam in Parijs.

 

Dat Bashar voor deze afdeling werkte, staat volgens het team van Darwish vast. Meerdere bronnen in Syrië bevestigden dit. Een getuige heeft Bashar zien deelnemen aan arrestaties door 215. De foto’s waarop hij poseert met een Duitse herder en collega’s bij het ministerie van Onderwijs, onderschrijven de conclusie. Het ministerie bevindt zich in een zwaar beveiligde regeringswijk. Er vlak achter beheerde 215 volgens het team een controlepost.

Bashar (midden) met Duitse herder en twee collega’s op de plek in Damascus waar afdeling 215 een controlepost beheerde. De foto werd in maart 2016 geplaatst op het Facebookprofiel van de man rechts. Foto via Facebook

De arrestatie-eenheid assisteerde veiligheidsdiensten in heel Damascus. Bashar zou in het bijzonder hebben samengewerkt met een luitenant-kolonel van de politieke veiligheidsdienst. De afdeling waar die luitenant-kolonel werkte, ligt zo’n driehonderd meter van de locatie waar Bashar op de foto ging. De auto waarin hij dat ongeluk kreeg, was van de luitenant-kolonel, stelt het rapport. Een Nederlandse bron bevestigt aan NRC dat de luitenant-kolonel degene is waar Bashar in besloten kring bij naam over opschept. De autodealer? Die zegt de bron niets.

Yassin droeg het uniform van Liwa al-Quds niet alleen om problemen met het regime te voorkomen, concludeert het team. Hij was de leider van een ‘Homs-compagnie’ binnen de militie. Ook het team in Parijs hoort van drie bronnen dat Yassin kindsoldaten ronselde. Daarnaast staan op Facebook een familielid en vriend van Yassin in uniform met een groep gewapende jongens. Sommigen zijn dan volgens hun profielen zestien of zeventien jaar.

Van Amer staat volgens het team vast dat hij met het regime vocht in en rond zijn wijk Dwel’a. Hij werd door meerdere bronnen gezien op het checkpoint van Kabas, droeg burgers over aan de veiligheidsdiensten en nam deel aan belegeringen van een nabijgelegen woonwijk, aldus het rapport. Ook perste Amer volgens bronnen inwoners af door hen te bedreigen met arrestatie. Hij verkocht meubels die hij roofde uit huizen van verjaagde burgers.

Na aandringen laat Amer via zijn advocaat weten dat hij vanaf mei 2017 uitgebreid is onderzocht door de afdeling 1F van de IND en dat daar niets uitkwam. De advocaat „heeft het dossier niet bij de hand”, maar Amer kreeg een uniform van de kerk en verdedigde zijn gebied. En nee, hij werkte niet op een checkpoint. „Dat is wat ik erover kan zeggen op dit moment.”

Op aanvullende vragen reageert Yassin terughoudender. Hij heeft toch geen banden met Volksfront, reisde niet terug naar Syrië, had geen functie bij de militie of wat voor compagnie dan ook. Opnieuw ontkent hij het ronselen.

Bashar reageert met een appje: „Met alle respect, de vragen die u stelt, kloppen niet.”

Niet lang na Raid Sadeks aangifte tegen Bashar, sprak hij de politie nog eens. Daarna hoorde hij niets meer. „Mijn telefoon ging kapot en ik verloor al mijn nummers.” Raid hoopt dat de politie aangiftes zoals de zijne serieus neemt. „Anders denken de shabiha dat ze ook hier alles kunnen maken. Dan krijgen ze een groot hoofd.” Hij denkt ook aan zijn kinderen, „die groeien hier op. Als een Syriër iets tegen Nederlanders doet, dan zeggen Nederlanders: ‘Dat doen jullie’. Maar dit is ook ons land. Wij willen net zo goed dat deze misdaden bestraft worden.”

Correctie (7-12-2020): In een eerdere versie van dit artikel werd gesproken over een strafzaak tegen Syrië. Het betreft geen strafrecht, daarom is dat veranderd in ‘zaak’.