Opinie

Dit Leidse onderzoek is misplaatst

FVD Of er opgetreden moet worden tegen Baudet of tegen Cliteur, is niet aan de universiteit, maar aan de rechter, schrijft .
Paul Cliteur en Thierry Baudet tijdens een congres van Forum voor Democratie.
Paul Cliteur en Thierry Baudet tijdens een congres van Forum voor Democratie. Foto Robin Utrecht/Hollandse Hoogte

De Universiteit Leiden laat onderzoek doen naar vermeend antisemitisme binnen de afdeling van hoogleraar Paul Cliteur. Aanleiding zijn de onthullingen op GeenStijl over antisemitische uitspraken van FVD-leider Thierry Baudet en de onwil van Cliteur, tot voor kort fractievoorzitter voor FVD in de Eerste Kamer, om daar tegen op te treden. Het zijn oud-promovendi van Cliteur die ermee naar buiten zijn gekomen. In het Leidse universiteitsblad Mare zegt Cliteur: „Zo lang ik het niet zelf heb gehoord vind ik er niets van.” Van die uitspraak zal menig strafrechter opkijken. Dat neemt niet weg dat een extra-murale kwestie door rector magnificus Carel Stolker tot een zaak van de Universiteit Leiden gemaakt wordt, in het bijzonder tot een zaak van de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap.

Waarom wordt die hele afdeling eigenlijk betrokken bij het onderzoek? Het gaat hier toch om de relatie tussen Baudet en Cliteur en in tweede instantie over de relatie tussen Cliteur en promovendi die nu al weer meer dan vijf jaar geleden gepromoveerd zijn en niet meer bij de afdeling werken? Wordt zo niet de indruk gewekt dat er meer mensen in de afdeling betrokken zijn bij vermeend antisemitisme? Die afdeling is groot en heel divers.

Thierry Baudet is gepromoveerd bij Cliteur, maar dat is nu al weer acht jaar geleden. Ik was zelf opponent bij die promotie en moest tot mijn verbijstering constateren dat Baudet weigerde mijn vraag te beantwoorden en dat de voorzitter van de promotieplechtigheid dat liet passeren. Datzelfde overkwam Andreas Kinneging bij die gelegenheid. Kinneging vroeg de promovendus of hij verschil zag tussen journalistiek en wetenschap. Baudet antwoordde: „Nee, volgende vraag.” Een week tevoren had de promovendus in zijn column in NRC al geschreven dat hij die hele promotieplechtigheid maar spel vond.

Als er al een onderzoek moet komen naar de relatie tussen Baudet en Cliteur, dan zou die daar kunnen beginnen.

Lees ook: Volgens collega’s heeft Paul Cliteur de grens van academische vrijheid overschreden

Andere promovendi geraakt

Zoals het nu in de publiciteit komt, dreigt de twijfel over de relatie tussen Cliteur en Baudet ook af te stralen op de andere promovendi van Cliteur. Bij een drietal promoties was ik betrokken, en ze waren alledrie uitstekend. Bastiaan Rijpkema promoveerde op Weerbare democratie. De grenzen van de democratische tolerantie. Rijpkema won de Prinsjesboekenprijs met dat voortreffelijke proefschrift. Machteld Zee deed onderzoek naar shariaraden in Engeland. Het was een zeldzaam staaltje van juridische en politieke antropologie. Ook het proefschrift van Yoram Stein over de betekenis van religie in het werk van Spinoza, waarop hij vorig jaar op promoveerde bij Cliteur en Andreas Kinneging, is boven elke twijfel verheven. Stein verdedigt bovendien een stelling over Spinoza die beslist niet gedeeld werd door zijn promotor.

Blijft dus over de persoonlijke en partijpolitieke relatie tussen Cliteur en Baudet. Daarbij moet worden opgemerkt dat zo’n partijpolitieke relatie niet uniek is. Over de afdeling politicologie in Leiden wist men in Amsterdam te vertellen dat je in Leiden alleen hoogleraar kon worden als je lid was van de Partij van de Arbeid. De oprichters van de afdeling politicologie, Hans Daalder, had nauwe banden met die partij en hoogleraar Joop van den Berg was senator, en dat zou Ruud Koole ook worden. Koole werd pas bevorderd tot hoogleraar, nadat hij vier jaar voorzitter was geweest van die partij. Hij had in die vier jaar nauwelijks iets gepubliceerd, buiten het partij-orgaan Socialisme & Democratie om. Professor Bart Tromp werd PvdA-ideoloog genoemd en professor Jouke de Vries deed zelfs een gooi naar het politiek leiderschap van de PvdA. Daar is door Universiteit Leiden nooit een probleem van gemaakt. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de kwaliteit van de proefschriften absoluut niet te wensen overliet.

Het probleem van Carel Stolker is kennelijk de aard van de politieke partij.

Extreem-rechts gedachtegoed

Wie de biografie van Baudet van Harm Botje en Mischa Cohen (Mijn meningen zijn feiten) en het boek van Chris Aalberts (De partij dat ben ik) leest, kan gemakkelijk tot de conclusie komen dat FVD een extreem-rechtse partij is. Journalisten die blijven beweren dat Baudet ‘tussen de VVD en Wilders in staat’, bagatelliseren het extreem-rechtse gedachtegoed van Baudet. Ook Cliteur doet dat. Maar of er opgetreden moet worden tegen FVD, Baudet of Cliteur, is niet aan de universiteit, maar aan de rechter.

Zelf ben ik het vooralsnog eens met de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky, die een essay schreef dat als voorwoord is opgenomen in een boek van de Holocaustontkenner Robert Faurisson, Mémoire en défense (1980). Daarin geeft hij af op Europese intellectuelen, die denken dat je problemen oplost door ze te verbieden.

Faurisson werd destijds niet ontslagen als ‘Maitre de Conference’ aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Lyon. In Lyon hebben ze de academische vrijheid hoog in het vaandel.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.