Opinie

Baudet, 150 jaar oude komedie

In Europa

Een jonge, hyperambitieuze buitenstaander probeert zich onder het mom van ‘politieke vernieuwing’ een weg te ellebogen naar het hoogste ambt. Iedereen doorziet hem: hij is een sociale klimmer met weinig scrupules. Toch zet deze politieke nieuwkomer de oude politieke garde op het verkeerde been. Niemand krijgt vat op hem. Dus begint de ene gevestigde politicus na de andere zich bij hem in te likken. Achter elkaars rug om nodigen ze hem uit en sluiten ze deals met hem. Keurige regenten en ambtenaren vertrekken geen spier als hij dingen zegt als: „U moet mijn woorden niet letterlijk nemen, u heeft ze gewoon niet goed begrepen”, of: „Boven mijn leven staat een halo.”

Sommigen denken nu natuurlijk meteen aan het belangrijkste gespreksonderwerp van de vaderlandse politiek: de dubbele salto’s van Thierry Baudet en zijn kornuiten. Maar bovenstaand scenario is helemaal niet nieuw: de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen zette het al in 1869 op papier. Bond der Jongeren, een komedie in vijf bedrijven, is volgens de database van de Noorse Ibsenvereniging maar eenmaal in Nederland opgevoerd: in de Amsterdams Stadsschouwburg, op 1 augustus 1901.

Elders wordt het stuk wel weer uit de mottenballen gehaald. In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, bijvoorbeeld, werd het afgelopen jaren (Trump? Farage?) weer meermalen opgevoerd. Archaïsche woorden en Scandinavische details werden eruit gehaald, net als gedateerde informatie – in Ibsens tijd kon je alleen stemmen als je huizen of grond bezat. Maar verder bleef Bond der Jongeren opmerkelijk fris en actueel. Opportunisme zag er toen namelijk hetzelfde uit als nu.

Bond der Jongeren speelt in een overgangstijd, waarin de paar families en grootgrondbezitters die de lakens uitdelen, worden uitgedaagd door het kapitalisme en liberalisme. Aloude privileges worden in twijfel getrokken, burgers vragen inspraak. Stensgard, een jonge advocaat van bescheiden afkomst die Christiania (Oslo) is ontvlucht na een liefdesschandaal, vestigt zich in een stadje waar niemand hem kent. Hij weet niet hoe de verhoudingen liggen en trapt op ieders tenen. Sommige verliezers in het oude systeem, zoals de journalist Aslaksen, vinden dat prachtig. Ze scharen zich achter de onruststoker om de machtige elite een hak te zetten en zelf hogerop te komen.

Met zijn nieuwe partij, de Bond der Jongeren, verovert Stensgard een parlementszetel. Maar al snel blijkt dat het hem minder om hervormingen te doen is dan om macht en persoonlijke verrijking. De conservatieven, die niet weten wat ze met hem aan moeten, coöpteren hem, als een soort ideale schoonzoon, en proberen hem voor hun kar te spannen. Bij de champagne in de gelambriseerde eetkamers van de hereboer en ’s konings kamerheer stijgt het Stensgard naar de bol. Hij denkt dat hij nu arrivé is, en wordt even zelfgenoegzaam en corrupt als zij. Maar hij heeft nooit geleerd hoe het hoort, en kan geen maat houden. Als blijkt dat hij drie van hun dochters tegelijk het hof maakt, loopt hij tegen de lamp. Uiteindelijk vlucht hij, achtervolgd door fraudezaken. Iemand roept hem na: „Napoleon zei ooit: ‘Het zijn discutabele types, die politicus worden’. Hi-hi!”

De mooiste passages zijn niet die met Stensgard, de ijdele demagoog met zijn gezwollen frasen – de treffende gelijkenis met Baudet ten spijt. Nee, het mooist is hoe de meeste anderen zich gedragen: hun gedraai, hun gehuichel, en het gemak waarmee ze principes en fatsoen laten varen zodra ze denken dat ze van hem kunnen profiteren. Kennelijk is dat net zo’n klassieker als de intrigant zelf die in naam van ‘het volk’ een nieuwe partij opricht om de kussens eens flink op te schudden – om ten slotte ten val te komen door corruptie en machtsmisbruik. En na afloop neemt iedereen, een piepklein beetje wijzer, zijn oude vertrouwde plek weer in.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.