Illustratie Jan Hamstra

Moeder, de mensen geloven me niet

De heilige maagd Maria In 1949 zag Mathieu Jacobs de heilige maagd Maria bij een boom in Weert, Limburg. Tienduizenden mensen kwamen naar die plek. Ruim 70 jaar later is nog steeds onduidelijk wat er nu gebeurde die zondagavond, en in dat wonderlijke jaar daarna.

Het was op een zondagavond, 16 oktober 1949. Mathieu Jacobs nam rond tien uur op de boerderij van Truyen aan de Dijkerstraat afscheid van zijn drie kaartvrienden en fietste het avondlijke duister in, op weg naar huis. De achttienjarige schildersknecht uit Weert, geboren in een arbeidersgezin met tien kinderen, sloeg rechtsaf over een onverharde landweg tussen de weilanden toen hij na 700 meter een driesprong van wegen naderde, in gehucht de Klakstaart. Daar, op een kale vlakte bij een groepje Canadese populieren, lange dunne bomen met een bescheiden kruin, hoorde hij een vrouwenstem.

„Jongen, kom terug!”

Mathieu Jacobs, die linksaf wilde slaan, stopte en werd naar het groepje bomen getrokken. Hij zette zijn fiets in de greppel en knielde als vanzelf neer voor de eerste boom, waar de vrouwenstem had geklonken. Zijn knieën werden loom.

Voor hem verscheen een sneeuwwitte gedaante, onbeschrijflijk schoon van gelaat. Ze was een halve meter groot, gesluierd, met om haar hoofd een stralenkrans. Ze droeg een lelie, haar handen gevouwen op de borst.

Ze was Maria, en ze had een boodschap voor hem. Maar: alleen voor hem – hij mocht er niemand over vertellen.

Mathieu Jacobs, kortweg Thieu, was een gewone, eenvoudige jongen. Vroom, maar niet vromer dan een ander. Dagelijks fietste hij na schooltijd door naar schildersbaas Metsemakers, waar hij al drieënhalf jaar werkte, en ’s avonds ging hij zoals alle jongelui graag ‘buurten’. Dan speelde hij een potje kaart met een biertje erbij. Kruisjassen, een Limburgse variant op klaverjassen.

Maria vroeg hem bij de boom drie weesgegroetjes te bidden. Dat deed hij, waarna ze hem vroeg een kapelletje aan de boom te bevestigen en van zijn zakgeld twee gelijkende beelden te kopen, één voor thuis en één voor in de kapel. Ze verzocht hem braaf te zijn en gewoon naar zijn werk te gaan en zei hem de volgende dag om één uur ’s middags weer te verschijnen bij de boom. En daarna een week lang elke avond om tien uur, tot de volgende zondag.

Thieu vertelde niemand over het voorval. Op maandag kocht hij de beelden. ’s Middags ging hij naar de boom en toen O.L. Vrouw daar opnieuw verscheen, kon hij het niet meer voor zich houden. Opgewonden vertelde hij erover aan zijn ouders – die wat in paniek raakten. Vader nam hem nog diezelfde dag mee naar pastoor Boonen. Die klopte hem op de schouder en zei: „Kom, kom, jongen, dat zijn je zenuwen.” De pastoor weigerde het verhaal te geloven en verbood hem de plek te bezoeken. Thieu beloofde niet meer te gaan.

Illustratie Jan Hamstra

Maar slapen kon hij niet. Op dinsdag oogde hij nerveus en zijn moeder toog naar Metsemakers om te vragen of het wel goed ging met haar zoon. De schildersbaas zei dat Thieu misschien wat stil was, maar verder niks mankeerde. Hij beloofde een oogje in het zeil te houden.

Op woensdag had Thieu in de ochtend ruiten gesneden in de werkplaats, waarna hij was gaan werken in een school. Metsemakers had hem de sleutel gegeven van het verfhok, maar toen de schildersbaas na een uur kwam kijken was Thieu er niet. „Wat is er toch met Thieu aan de hand?” hoorde hij in de school. „Thieu praat álmaar over Onzelievevrouwke en kappelletjes.” Maria, bleek later, was in de school opnieuw aan Thieu verschenen. Boos, ditmaal, omdat hij twee avonden niet was gekomen. Ze had hem gevraagd onmiddellijk naar de boom te gaan, waarna Thieu gehoorzaam het verfhok had opgeruimd en was vertrokken, wetende dat het van de pastoor niet mocht. Onderweg was hij radeloos geweest en trillend in een boerderij aan de weg beland, waar ze hem opnieuw verscheen. „Daar is ze”, hoorde de bewoner de jongeman met grote ogen zeggen. Hij kwam in bed te liggen. De pastoor werd erbij gehaald, de dokter. Die vroeg of hij misschien veel naar de bioscoop ging, maar dat was niet zo. De dokter dacht aan een zenuwinzinking en wilde een recept voorschrijven voor langdurige slaap. Thieu weigerde en bleef zeggen dat hij naar de boom wilde. Hij kreeg toestemming, uiteindelijk.

’s Avonds verscheen hem daar Maria opnieuw. Thieu, in schilders-overall, sprak met haar. Om hem heen stonden nu zo’n driehonderd mensen, afgekomen op de geruchten.

Op donderdagavond was het aantal omstanders gegroeid tot drieduizend. Mensen kwamen te voet, per fiets, auto en bus en verdrongen zich om Thieu heen. Op vrijdagavond waren het er zo’n achtduizend. De mensen baden en zongen Marialiederen en zagen een knielende Thieu verlicht opkijken naar de boom. Hij vroeg Maria om een teken, „opdat alle mensen geloven”.

Zo’n teken was er eerder geweest, want had Lemmens, de bisschop van Roermond, het drie dagen vóór de eerste verschijning tijdens de lichtjesprocessie in Weert niet ook over een wonder in het Portugese Fatima gehad? De bisschop vertelde de kerkgangers over de gebeurtenis in 1917, toen Maria door drie herderskindjes was gezien, waarna op de zesde en laatste dag van haar verschijning tienduizenden mensen zagen hoe de zon loskwam van de hemel en leek neer te dalen op aarde. Zo’n soort wonder zou ook Weert kunnen treffen. Thieu was een teken beloofd, dat had hij de mensen verteld. En zou iedereen het zien, dan zouden ze hem allemaal geloven.

Op zaterdag was het groepje Canadese populieren van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat omringd met volk. De gemeente had de bewuste boom afgezet met kippengaas, om te voorkomen dat mensen nog meer stukjes schors afsneden. Ze hoopten op een geneeskrachtige werking, zelfs de dwarrelende herfstbladeren vingen ze op. Er liepen verslaggevers rond die optekenden wat zich bij de populieren afspeelde. Ze zagen een oude vrouw die het rozenhoedje bad, een autobus vol giechelende fabrieksmeisjes van Philips, een omstander die beweerde te hebben gezien dat Thieu de vorige dag óver de greppel liep, alsof die was gevuld met ijs. Molsgaten werden aangezien voor waterbronnen. Plots leek de hele omgeving heilige grond.

Illustratie Jan Hamstra

Aan het eind van de middag toog een verslaggever van weekblad De Katholieke Illustratie naar het ouderlijk huis van Thieu, aan de Middelstestraat op Leuken, een buurtschap in Weert. Daar kwam de schildersknecht net aanfietsen, in zijn witte overall met riem. Een jongen met rode wenkbrauwen, gezicht vol zomersproeten en een ietwat opgetrokken bovenlip, tekende de verslaggever op. Thieu maakte de indruk een goede jongen te zijn, die zeker niemand kwaad zal doen. „Bent u meneer Jacobs?” vroeg de man . „Ja mijnheer”, zei de jongen verlegen, „maar ik mag niets zeggen”.

Die avond sloeg Thieu een kram in de boom. Omringd door zieken en verlamden die hem vroegen om genezing hing hij het beloofde kapelletje op. Een houten exemplaar van bescheiden formaat, zelf geschilderd. Hij plaatste er het Mariabeeld in.

Een week later, op zondag 23 oktober, zou O.L. Vrouw nog éénmaal verschijnen. Het was de laatste kans op het beloofde wonder. In afwachting waren de hotels en cafés in Weert afgeladen vol. Tot aan Stamproy, kilometers verderop, stonden auto’s geparkeerd. Er waren taxidiensten, georganiseerde busreizen vanuit het westen en mensen kwamen over de grens uit België, Duitsland en Frankrijk. Zieken werden rond de boom geplaatst en in de avond stonden er op de Klakstaart zeker twintigduizend mensen. Het begon te regenen. Terwijl duizenden schoenzolen de velden met het jonge winterkoren plat stampten tot een modderige vlakte, werd de hemel boven de populieren verlicht door het schijnsel van talloze zaklantaarns. Er werden Marialiederen gezongen, zo nu en dan ging een vlaag van gebed door de menigte. Kinderen zaten op de schouders, er klonken kreten als „Achteruit!” en „Ik kan niets zien!” Velen waren hoopvol, devoot, anderen sceptisch, lacherig, maar niettemin nieuwsgierig.

Even voor tien uur die avond werd Thieu, ditmaal in zijn zondagse pak, onder politiebegeleiding naar de boom gebracht. Rustig, gedecideerd liep hij naar het midden. Hij droeg een kind met gipsverband op de arm en knielde neer voor de boom.

De menigte wachtte. Alleen de omstanders vooraan konden zien wat er gebeurde.

„Moeder, help mij”, zei Thieu bij de boom. „U kunt mij helpen. U moet mij helpen.” Hij bad om genezing voor de zieken. Even later gingen de mensen moeizaam schuifelend en dringend weer uiteen. Ze keken nog eens om, praatten na, zochten hun auto’s op en togen naar huis.

En dat was het.

Zo stond het in kranten en weekbladen. In het Dagblad voor Noord-Limburg, de Gazet van Limburg, het Utrechtsch Katholiek Dagblad, de Katholieke Illustratie. Maar wel pas in de week ná die zondag 23 oktober, toen het bisdom toestemming had gegeven erover te berichten.

„Moeder, help mij”, zei Thieu bij de boom. „U kunt mij helpen. U moet mij helpen.”

Ook de landelijke media hadden de inkt dagenlang droog gehouden. Er was „een en ander verzwegen”, zoals de Telegraaf toelichtte, „op nadrukkelijk verzoek van de kerkelijke autoriteiten”.

Het had weinig gescheeld of Weert was een bedevaartsplaats geworden à la Lourdes. Want ook de 14-jarige Bernadette was in 1858 aanvankelijk de enige geweest die, hout sprokkelend aan de voet van de Pyreneeën, Maria had gezien. Ze hoorde een geluid als een windstoot en zag iets wits in de vorm van een dame.

In dat geval zou Thieu nu heilig verklaard zijn en hadden in de weilanden rondom de Klakstaart drie basilieken gestaan, 81 meter hoog, met rondom hotels en souvenirwinkels en jaarlijks zes miljoen toeristen.

Maar de Klakstaart is nog altijd de Klakstaart. Maisvelden, boerderijen, varkensmest. Het lot van de ziener hangt af van tijd, plaats, omstandigheden. En die waren voor Thieu niet zo gunstig.

De tijd zat niet mee. Het was bijna honderd jaar na de verschijning in Lourdes en inmiddels hadden wereldwijd duizenden mensen beweerd Maria te hebben gezien. Vooral in het katholieke België was de Mariaverschijning als een virus door het land geraasd: tweehonderd getuigenissen alleen al tussen 1932 en 1935, op tientallen locaties. De reeks werd recent onderzocht door Tine van Osselaer, onderzoeksprofessor aan de Universiteit Antwerpen, en haar viel op: een flink deel van de zieners waren jongemannen uit de arbeidersklasse. Gewone, vrome jongens. Jongens als Mathieu Jacobs.

Het aantal getuigenissen neemt toe in tijden van onzekerheid. Het Interbellum was zo’n periode, en ook die vlak na de Tweede Wereldoorlog. De angst voor het communisme nam toe en de kerk zag in Maria de redder. Het volk werd opgeroepen Maria actief te vereren en veel jongemannen voelden zich verantwoordelijk. Ze wilden een daad stellen, zegt Van Osselaer. Voor de meesten was het streven nobel: een voorbeeld zijn voor hun omgeving.

Een paar maanden eerder, in de zomer van 1949, waren door bisdommen in België liefst twee Mariaverschijningen erkend, in Beauraing en Banneux. Dat had ook in Limburg een ware Mariaverering op gang gebracht. Er werden vanuit Weert bedevaarten georganiseerd naar België en drie dagen voordat Thieu haar bij de boom zag, had bisschop Lemmens de Weertenaren nog gemaand in deze tijden van Koude Oorlog-dreiging te vertrouwen op de H. Maagd.

De kerk zat er niet op te wachten. Er waren al te veel wonderen

Maar op nóg meer verschijningen zat de katholieke kerk niet te wachten. Er waren al te veel wonderen. Die in Lourdes was erkend, die in Fatima, nu twee in België. In totaal waren het er al bijna tien wereldwijd. Nog meer erbij zou de geloofwaardigheid van de kerk ondermijnen. En ook diens gezag: al die boodschappen, wie weet wat Maria allemaal te zeggen had tegen het volk?

Ook de plaats was niet gunstig. Was Maria zes kilometer verderop aan Thieu verschenen, net over de grens met België, dan was er vast niet zo’n heisa van gemaakt. De kerk daar liet de zaak meestal op z’n beloop. Na zo’n verschijning ontstond vaak even een toeloop van mensen, maar bleef een volgend wonder uit, dan bloedde de zaak dood. Dan haalde het volk de schouders op en ging de ziener ongestoord verder met zijn leven. Zo was het met Thieu dan vast ook afgelopen.

Maar de schildersknecht zag Maria in Nederland, en daar golden andere wetten. Haar aanbidden in ons polderland mocht, maar haar zíén, dat lag gevoelig. De katholieke kerk, zegt Peter Jan Margry, hoogleraar Europese etnologie aan de Universiteit van Amsterdam, werd in het verzuilde Nederland met argwaan bekeken door de protestanten. En om geen voeding te geven aan kritiek waren Mariaverschijningen niet gewenst. Het aantal gerapporteerde verschijningen in Nederland was minimaal, en wie er toch een zag, stond bloot aan pers, roddels, onderzoek en politiek. Wie in Nederland Maria zag, moest sterk in de schoenen staan.

Wie was die Mathieu Jacobs? Daags na 16 oktober 1949, nadat hij Maria voor de allereerste keer had gezien, stonden de journalisten in de rij om hem te interviewen. Ze omschreven hem als nuchter, verlegen, wat onnozel, maar beslist niet achterlijk. Een jongen die ijverig zijn werk deed en niet opvallend vroom was. „Godsdienstig hoort hij bij de middensoort.”

De kerk was geïnteresseerd in zulke verslagen. Authenticiteit was een belangrijke voorwaarde voor de erkenning van een wonder. Was de ziener een aandachttrekker of was het hem allemaal overkomen? En ook dan, als de ziener bescheiden bleef, zoals Thieu, kon de verschijning berusten op een misverstand. Een hallucinatie, een waan, hysterie.

Illustratie Jan Hamstra

De kerk hield zich in de zaak van Thieu al vanaf het begin op de vlakte. Het kerkelijk gezag raadde in de kranten alle gelovigen aan geen voorbarige belangstelling te tonen in een verschijning waarvan de echtheid „ten zeerste” moest worden betwijfeld.

Maar binnen de kerk had het Wonder van Weert al wel tot verdeeldheid geleid. Een deel van de geestelijken was geneigd Thieu te geloven, anderen waren minder enthousiast. Plaatselijke geestelijken, onder wie pastoor Boonen, geloofden het niet. Ook van Lourdes moesten sommigen niets weten. Maar Lemmens, de bisschop van Roermond, was wél opgewonden. In de week van de verschijningen, zo maakte hoogleraar Peter Jan Margry later uit een kerkelijke bron op, was Lemmens eens samen met zijn secretaris afgereisd naar de boom in Weert, incognito, om de gebeurtenissen met eigen ogen te zien. Daarna werd er volgens Margry alles aan gedaan om het ‘Wonder van Weert’ klein te houden. Er moest worden voorkomen dat Lemmens zich in de nesten zou werken, want dat had hij al eens eerder gedaan. De bisschop stond bekend om zijn rotsvaste geloof in Mariaverschijningen en had zich enkele jaren eerder sterk verbonden aan een verschijning in het Brabantse Welberg, in een ander bisdom. De Bredase bisschop vond dat Lemmens te ver doordraafde, het wonder te veel propageerde zonder dat er goed onderzoek was gedaan. De aartsbisschop werd erbij gehaald en Lemmens moest pas op de plaats maken.

De bisschop van Roermond had de verschijning van Thieu graag op zijn echtheid onderzocht, denkt Margry, maar hij werd teruggefloten door zijn persoonlijk rechterhand, Frans Feron. Het lag te gevoelig.

Wel vroeg de kerk daags na de verschijningen een Nijmeegse psychiater en psycholoog om Thieu te onderzoeken. Uit een eerste diagnose bleek dat Thieu een normale jongen was die „geen verhalen fantaseert”. Maar in een latere rapportage was de conclusie anders. Thieu bleek weliswaar uit een normale familie te komen, met een liefdevolle jeugd achter de rug en op motorisch gebied zonder afwijkingen, maar in zijn „te smalle gehemelte” en „onregelmatige gebit” waren „degeneratieve trekken” geconstateerd. Bovendien was Thieu op de lagere school tweemaal blijven zitten. En uit projectietests, waarbij de psycholoog vraagt wat iemand ziet in tekeningen of inktvlekken, kwam naar voren dat hij zou leven in een primitief magische wereld waarin verschijningen van zintuiglijke aard projecties kunnen zijn van „niet bewuste behoeften, affecten, angsten of wensen”.

Kortom, de verschijning was volgens de psychiaters ook verklaarbaar „langs natuurlijke weg”.

Daarbij leek ook de gemeente niet zo happig op een bedevaart. De onophoudelijke stroom auto’s over de grens met België leidde tot onoverzichtelijke situaties. Er zullen „zeer zeker personen van deze toestand misbruik willen maken”, schreef wachtmeester Jo Maertens, hoofd van de marechaussee, in zijn verslag. Smokkel kwam na de oorlog veelvuldig voor en de stiekeme grensroutes over landweggetjes binnendoor waren bij alle Weertenaren bekend.

Laat de zaak toch doodbloeden, hadden de autoriteiten gedacht. Maar ook na die week van verschijningen bleven tientallen mensen naar de boom komen, inmiddels beschermd door een gietijzeren hek nadat de bast tot op twee-en-halve meter hoogte was kaalgeplukt. Mensen kwamen er om te bidden en legden geld neer achter het hek. Dikwijls kwam Thieu even voor tienen aangefietst, waarna hij neerknielde op een bankje dat voor hem was neergezet en waar hij drie weesgegroetjes bad. Daarna raapte hij het geld op en vertrok. Hij bracht het geld naar pastoor Boonen.

De ene keer zag Thieu bij de boom geen verschijning van O.L. Vrouw, de andere keer wel. Zoals op 7 november, drie weken na de allereerste verschijning, toen getuigen hem hevig zagen schudden. „Ja moeder… nee moeder”, hoorde ze hem zeggen. En op het laatst, op zachte toon: „Moeder, de mensen geloven me niet.”

Daags nadien zwol de volkstoeloop weer aan en toen nam ook de gemeentepolitie een kijkje. De veldwachter noteerde in zijn verslag zo’n tachtig mensen rondom de boom. Hij zag Thieu met zijn wijsvinger een teken maken in de aarde in de vorm van een kruis en daarna met een stopverfmes in de grond roeren. Hij zag dat Thieu daarna een klein voorwerp in zijn hand hield en dat, verborgen in de palm van zijn rechterhand, neerlegde in het veldkapelletje aan de boom. Over dat voorwerp ontstond verwarring. Thieu zou het tussen duim en wijsvinger omhoog hebben gehouden, een klein metalen staafje. Sommige zeiden inderdaad iets te hebben zien blinken, maar volgens anderen was er tussen zijn vingers niets dan lucht.

Een dag later was het nog veel drukker rond de boom en kwam de politie met twee man. Ze zagen Thieu onrustig rondlopen door de menigte en hoorden dat hij in de grond voor de boom op zoek was geweest naar een handgranaat. Die zou daar zijn neergelegd door een communist uit Rusland. Thieu zou hebben geroepen „Hier is een communist, ik moet hem hebben!” Maar de Rus werd niet gevonden en ook een doorzoeking van de grond leidde tot niets.

De twijfel over Thieu’s getuigenissen nam toe. Mensen hoorden van hem dat hij een kettinkje droeg, maar ze zagen niets. Ze zagen hem met zijn handen graven in de grond, op zoek naar een waterbron, maar het water werd niet gevonden.

Warempel, op vier van de foto’s was, vaag, een witte Mariafiguur te zien

In een uiterste poging tot geloofwaardigheid had Thieu op 11 december met een fotocamera bij de boom gestaan. Hij was aangespoord door Metsemakers om de verschijning van Maria vast te leggen op beeld. Metsemakers had hem een grote boxcamera geleend waarmee Thieu acht foto’s kon maken. Dat deed hij, waarna Thieu de camera weer inleverde bij zijn schildersbaas, tevens hobbyfotograaf.

Metsemakers ontwikkelde de negatieven. En warempel, op vier ervan was, vaag, een witte Mariafiguur te zien.

Verschillende journalisten hebben zich door de jaren heen vastgebeten in het verhaal van Mathieu Jacobs. Een van de eersten was Carel Enkelaar, een verslaggever van de Volkskrant die na de verschijningen dagenlang in Weert was geweest. Eenmaal weer terug in Amsterdam kreeg hij een telefoontje uit Limburg. De politie, zo schreef hij later in zijn memoires, getiteld Van onze speciale verslaggever, vertelde hem over foto’s die verspreid werden met Maria erop, bij de boom.

Bedrog, dacht Enkelaar. Maar van wie? Thieu kwam op hem over als een eerlijke jongen – in Metsemakers had hij minder vertrouwen. Enkelaar wist nog dat hij in de winkel van de schildersbaas stond en zag dat die prentkaarten verkocht met het ‘Wonder van Weert’ erop. Werd Thieu misschien commercieel uitgebuit?

Samen met twee professionele fotografen toog Enkelaar opnieuw naar Weert. Ze vroegen Metsemakers om de negatieven. De fotografen zagen meteen: er is iets mee. Ze wilden de negatieven voor nader onderzoek meenemen naar hun studio in Amsterdam, maar Metsemakers weigerde resoluut. In een poging hem te overtuigen haalde Enkelaar de ouders van Thieu erbij en na lang gesoebat kreeg hij ze mee.

In de fotostudio werd het bedrog duidelijk. De negatieven waarop Maria stond, waren gemaakt door een foto te nemen van een fóto – van een Mariabeeld dat was geplaatst bij een boom tegen een achtergrond van zand, gras en heide. Viermaal. Die foto’s hadden al op de filmrol gestaan op het moment dat Thieu bij de boom had geklikt.

Enkelaar wilde weten op welke plek de trucagefoto’s waren gemaakt. Van Weertenaren hoorde hij dat Metsemakers zich onlangs met zijn boxcamera verdacht had opgehouden op de nabijgelegen Altweerterheide. Toen Enkelaar dat aan de politie liet weten, werd hij, tot zijn eigen verbazing, verwezen naar een paragnost: ene Gerard Croiset uit Enschede.

De politie, zo begreep hij, schakelde de paragnost wel vaker in. Als paranormaal genezer ontving Croiset in zijn praktijk dagelijks tientallen mensen met onverklaarbare klachten, en daarnaast was hij geoefend in misdrijven en vermissingszaken. Prins Bernhard vroeg hem op Paleis Soestdijk nog eens naar een verdwenen juweel, de landmacht naar een verdwenen karabijn. Tot in de jaren 70 werd hij tot in Amerika en Japan door de politie om hulp gevraagd.

Enkelaar bezocht de paragnost in Enschede en bij het zien van de trucagefoto sprong Croiset direct overeind. „Waar is die foto gemaakt… ik ga van Eindhoven naar het zuiden, naar België,… nee in de buurt van… Weert. Is het Weert?” Croiset zag rode dakpannen voor zich, een boerderij. Hij pakte een pen en tekende een plattegrond met een kerk, een bitumen weg, weiland met prikkeldraad, rietpluimen, een stuk moeras. „En als u de plek ziet, dan zult u een herdershond zien.”

Altweerterheide, bedacht Enkelaar, was de enige plek in de buurt met een kerk. Hij ging erheen en herkende wat Croiset beschreven had: een boom tegen een achtergrond van zand, gras en heide. Toen Enkelaar erheen wilde lopen, bleef hij staan, „als aan de grond genageld”, zoals hij later zou schrijven. Een grote hond (geen herder) rende blaffend het akkerland op. Het was de kiem voor een jarenlange vriendschap tussen Gerard Croiset en Carel Enkelaar, de latere baas van het NOS Journaal.

„Foto’s ‘verschijning’ zijn bedrog”, stond op 14 januari 1950 in de Volkskrant. Met in de onderste alinea: „Het ernstige vermoeden bestaat dat de jongen (…) gebruikt wordt voor doeleinden van winstbejag.” Net als Enkelaar had ook Croiset niet geloofd dat Thieu bedrog wilde plegen. De paragnost was ervan overtuigd dat bij de populieren op de Klakstaart een waterbron te vinden was. De activiteit van het water zou energie losmaken en die kon bij gevoelige mensen leiden tot hallucinaties.

Het nieuws deed de geloofwaardigheid van Thieu geen goed. Bij het uitblijven van verdere mirakels had pastoor Boonen het veldkappelletje al van de boom gehaald, en ook was door de gemeente het hekwerk rond de boom verwijderd. Met de ontdekking van Enkelaar en Croiset leek definitief bewezen dat de Mariaverschijning in Weert niet echt was. Zo was het ene wonder gebruikt om het andere te ontkrachten.

Maar soms blijven de mensen geloven. Dan wordt de ziener, gewild of ongewild, speelbal van de massa en krijgt de bewering een eigen dynamiek.

Zoiets gebeurde in Medjugorje, waar Maria op 24 juni 1981 verscheen aan zes jongeren op een berg. Ondanks de weigering van het Vaticaan om het wonder te geloven, nu al bijna veertig jaar, werd het dorpje in Bosnië een bedevaartsoord met jaarlijks miljoenen pelgrims en nu nog dagelijks rapportages van Mariaverschijningen. De zieners werden beroemdheden en onder druk van de massa neigt het Vaticaan nu alsnog naar erkenning. Zoiets gebeurde ook in het Limburgse Brunssum, waar op 27 juni 1995 in een woonkamer „bloedtranen” dropen uit een Mariabeeld, en waar ondanks terughoudendheid van de kerk nog jarenlang tal van mensen ervan overtuigd waren dat Maria terug zou keren met opnieuw een teken.

Zoiets gebeurde ook in Weert, waar zich in de weken na de Mariaverschijning rond Thieu een groepje van zo’n vijftien à twintig gelovigen vormde. Eén van zijn trouwe aanhangers was veehandelaar Kessels, die met zijn gezin in een boerderij vlak bij de boom woonde. Hij had Thieu, met toestemming van zijn ouders, na de gebeurtenissen in huis genomen. En omdat hij Metsemakers niet vertrouwde, had Kessels na goedkeuring van de pastoor geregeld dat Thieu niet meer als schildersknecht hoefde te werken. Sindsdien verbleef Thieu hele dagen op de boerderij. Hij kreeg er verkering met de zestienjarige Mia Kessels, de dochter van de veehandelaar.

De kring gelovigen verplaatste zich in de maanden nadien van de boom naar de boerderij. In de buurt gingen geruchten dat er bij Kessels vreemde dingen voorvielen. Thieu zou de beste stoel van het huis hebben gekregen en worden omringd door mensen die hem adoreerden. Op vrijdagavonden zouden zo’n twintigtal mensen na twaalven seances houden. Thieu zou er ’s nachts met gespreide armen op de keukenvloer liggen terwijl zijn lichaam schokkende bewegingen maakte. De vrouwen zouden hem liefkozend strelen en na wat gestoei en gekus zou Thieu op zijn ontblote bovenlijf worden bedropen met een waskaars, in de vorm van een hart.

In de zomer van het volgende jaar, op 5 augustus 1950, werd de boerderij om half elf ’s avonds omsingeld door zo’n twintig jongeren. Ze bekogelden het huis met stenen en stukken hout. Een volksgericht. De ezel drijven, zoals het werd genoemd. Toen de politie arriveerde, waren de jongens al verdwenen. Agenten vonden rond de boerderij bakstenen, keien en stukken hout met de dikte van een weidepaal. Alle ruiten aan straatzijde waren gesneuveld.

Binnen trof de politie vijftien mensen, onder wie Thieu, die samen op de grond zaten. Ze hadden gedacht dat de communisten waren gekomen om Thieu te ontvoeren. Een verklaring over de seances wilden ze niet afleggen. Wanneer de tijd daar is, hoorden de agenten, zal alles worden geopenbaard. „En als de politie wist wat ik weet en gezien zou hebben”, zei een van gelovigen, „dan zou de hele wereld voor Mathieu Jacobs op de knieën vallen.”

De seances gingen door, soms hele nachten, en in november 1950, ruim een jaar nadat Maria de eerste keer aan Thieu verschenen was, had ook veehandelaar Kessels er genoeg van. Hij toog naar wachtmeester Jo Maertens en vroeg hem eens te komen kijken om er een einde aan te maken. Maertens stuurde twee collega’s naar de boerderij, beiden protestant. Maar na terugkomst kon hij hun getuigenissen amper geloven: de twee wachtmeesters hadden Thieu stijf als een plank zien liggen op bed terwijl over hem heen zonder aanraking een laken leek te wapperen. Kruisbeelden die op Thieu’s borst werden gelegd, braken zomaar in stukken.

Jo Maertens besloot zelf te gaan kijken, samen met zijn collega’s. En ja, hij zag het ook. Een metalen staafje, zoals Thieu eens omhoog hield bij de boom, lag op een bord. En opeens was het verdwenen. Maertens legde eigenhandig een kruisbeeld op bed terwijl Thieu in trance lag – en het knapte in stukken. Zomaar. Ping, kapot. En toen zag hij ook het laken bewegen waaronder Thieu lag. Het bolde van alle kanten, waarna zijn collega het laken wegtrok om te zien wat eronder zat. Maar nee, niets.

Maertens vertelde pas jaren later over zijn ervaringen, in een radioreportage over het Wonder van Weert, uitgezonden in 1980 door Regionale Omroep Zuid.

Nog éénmaal hoorden de Weertenaren van Thieu. In 1951 was hij voor het gerecht gedaagd wegens smaad. Er had zich volgens Thieu een incident afgespeeld op het politiebureau van Weert, waar hij zou zijn verhoord nadat de politie genoeg had van alle gedoe rondom de boom. Thieu had omstanders verteld dat hij op het bureau door een hoofdagent op zijn rug en benen was geslagen, waarna een boer nog bijna een politieman met een riek te lijf was gegaan. De hoofdagent deed aangifte. Thieu trok zijn verklaring later in. Het was volgens hem toch niet gebeurd. Maar bij de rechter zei hij weer van wel.

Er volgde een psychiatrisch onderzoek. In plaats van heilig werd Thieu niet geheel toerekeningsvatbaar verklaard. De officier van justitie eiste twee weken celstraf en terbeschikkingstelling aan de staat. In een zitting met veel pers boog de rechtbank van Roermond zich over de zaak. Hij kreeg één week celstraf opgelegd en een voorwaardelijk tbs met een proeftijd van drie jaar. Bijna was Thieu in een inrichting beland.

Vijftig jaar lang hield Thieu daarna zijn mond. Alle aandacht hield hij af, zeker van de media. Maar in 2005 luchtte hij voor éénmaal zijn hart.

Het was Jean Nelissen, de bekende Limburgse sportjournalist, die Thieu aan het praten kreeg. Nelissen had Thieu gevraagd voor een interview in het Limburgs tijdschrift Nummer 1. Thieu ging overstag, maar omdat Nelissen ook bekend was van de tv had Thieu bij binnenkomst nog wel even het gordijn opzij getrokken om te zien of er geen cameraploegen waren.

Thieu woonde inmiddels in een flat in het centrum van Weert, samen met Mia Kessels, het meisje van de boerderij. Ze waren getrouwd en hadden vier kinderen gekregen. Thieu had zijn werkende leven doorgebracht in een verffabriek. Hij was nu 74 jaar oud, brildragend, zijn haarlijn iets wijkend, maar in zijn gezicht nog altijd herkenbaar als die schildersknecht bij de boom. Een vriendelijke, aardige man met intelligente ogen, zo werd hij door Jean Nelissen omschreven.

Thieu had voor de journalist een kop koffie gezet en was gaan zitten op zijn stoel. Hij had verteld nog altijd niet te kunnen bevatten wat hem is overkomen. Hij was door een hel gegaan. Zeven dagen in de gevangenis in Roermond, waar hij waspinnen in elkaar had gezet. En altijd was het verleden hem blijven achtervolgen.

Hij had nooit iemand gevráágd naar die boom te komen, maar hij werd er nog altijd over nagewezen en op aangesproken. Zelfs in de wachtkamer bij de dokter was hij eens naar opgeroepen als ‘Thieu van de Boom’.

Ik wilde dat ik nooit bij die boom van mijn fiets was gestapt

Mathieu was een gelovig mens gebleven, maar naar de kerk ging hij niet meer, uit angst voor de mensen. Om dezelfde reden bezocht hij als supporter van voetbalclub Megacles alleen de uitwedstrijden. En één keer was hij naar Lourdes geweest, samen met een vriend. Een mooie ervaring, maar hij was er „niet zo” van onder de indruk geweest.

Het interview, niet groter dan één pagina, werd afgesloten met de woorden: „Ik wilde dat ik nooit bij die boom van mijn fiets was afgestapt.”

Het is 2020, ruim zeventig jaar na het kaartavondje dat tot zoveel beroering leidde. „Daar is het allemaal begonnen.” Pierre Truyen, een kwieke tachtiger die op de Dijkerstraat in Weert de eikeltjes van zijn gazon harkt, wijst naar de oude boerderij tegenover zijn huis. Een klassieke langgevelboerderij met originele baksteen, generoveerd. Het perceel is voorzien van hek en camerabewaking, op de oprit staat een grote zwarte suv. Nu woont er een coffeeshophouder, maar vroeger was dit de boerderij van zijn familie. De plek waar Thieu kwam kaarten, ook op die avond van de eerste verschijning. „Samen met mijn oudere broer en hun twee kaartvrienden”, zegt Truyen met de hark in zijn hand. „Wat moesten ze anders hè. Er was hier verder niks.”

Vraag oudere Weertenaren naar de gebeurtenissen van zeventig jaar geleden en hun ogen beginnen te glinsteren alsof het gisteren was. Die toeloop van mensen, die vreemde gebeurtenissen op de Klakstaart, al dat geld dat de mensen achterlieten bij de boom. „Als kind duwde ik het nog wat verder achter dat hek, opdat het niet gestolen werd”, zegt Truyen. Glimlachend: „Als ik dat toch eens in m’n eigen zak had gestopt.”

Truyen heeft niet zo’n geloof in wonderen, en ook niet in de kerk. „Goeie ouwe tijd, wordt wel gezegd. Maar dat is niet zo. De geestelijken, de politie, de notaris: al die mensen waar jij van afhankelijk was, die hadden de macht. Die hielden de gewone mensen klein.” Elke ochtend moest je als lagereschooljongen naar de kerk. Hij heeft er wel eens een flink pak rammel gehad, van de kapelaan. „Maar je durfde er niks van te zeggen.” En als de „rondbuikige” pastoor Boonen thuis langskwam om te zien of iedereen zich wel gedroeg, was dat altijd in november, de slachtmaand. „Kwam-ie toevallig net aan als het eten op tafel stond. Kreeg hij het mooiste stuk vlees.”

„Ik heb Thieu nog een paar keer opgehaald bij de boom”, zegt Theo van de Kruijs aan de eettafel in Weert. Zijn vader had vlakbij een boerderij waar een broer van Thieu werkte als stalknecht. Als 7-jarige werd Theo door zijn ouders gevraagd om Thieu na de verschijning door de mensenmassa terug te geleiden. Theo weet nog hoe hij de eerste keer bij de boom de mensen al hoorde roepen: „Daar komt-ie! Daar komt-ie!” Op klompen liep Theo na afloop mee naar de boerderij, waar Thieu zich samen met Theo’s broer terugtrok in de paardenstal. „Ik heb nooit met hem gesproken.”

Van hem had Weert best een bedevaartsoord mogen worden. Stel je voor: hotels, toeristen. Die laatste avond van de verschijning waren er zoveel mensen dat de vader van Van de Kruijs op zijn erf een betaalde fietsenstalling begon. „Het stond bomvol.” Na afloop kwamen de mensen terug. „Maar ze konden hun fiets niet meer vinden. Het was pikkedonker, er was geen straatverlichting. Stonden ze daar, onder de modder.”

„Die toeloop was gewéldig”, zegt Harry Truyen in de varkensstal tegenover zijn huis. Harry woont op een steenworp afstand van Pierre Truyen, een achterneef, en was erbij toen tienduizenden mensen op zondag wachtten op het teken van O.L. Vrouw. Harry stond in het midden, samen met zijn vader. „Maar het was zo druk, je zag niks. En toen begon het ook nog te regenen.”

Terwijl velen wachtten op het wonder dat zou komen, maakten de jongeren er een lolletje van. „De akkers lagen vol met knalgroene knollen die de jeugd opraapte en in de uitlaten van de auto’s stopte”, zegt Truyen met felle ogen. Zelf kroop hij eens achter het stuur - „de mensen sloten de auto nog niet” - en deed alsof hij aan het rijden was. Tot hij zag dat de eigenaresse van de auto eraan kwam en hij bleef haken aan de stoel. „Ik heb gezíékt. Lachen! Het was sensatie hè. Zo’n spektakel, dat hadden we hier nooit eerder gehad.”

Achter het raam van de flat in Weert, de woning waar Mathieu Jacobs vijftien jaar eerder de inmiddels overleden sportjournalist Jean Nelissen ontving, hangen slingers voor een pasgeboren kindje. Een man doet open, van middelbare leeftijd. „Kom binnen”, zegt hij vriendelijk. De man heet Peter Jacobs en blijkt een zoon van Thieu. Hij is toevallig op bezoek bij zijn dochter, die tijdelijk in de flat is ingetrokken. De dochter zit in een stoel in de hoek van de woonkamer, waar ze haar zoontje de fles geeft.

„Daar zat mijn vader ook altijd”, zegt Peter Jacobs. „Voor de tv en naast het raam. Hier voelde hij zich beschermd en toch met de buitenwereld in contact.”

Op deze stoel heeft Peter zijn vader zien zwijgen, in gevecht met het verleden. Maar hij heeft er nooit naar durven vragen – het was te pijnlijk.

Thieu was een lieve, eenvoudige man, zegt Jacobs. Zijn vader had echt geen kwaad in de zin. Maar zo werd het wel door de gemeenschap gezien. „Er werd altijd gezegd: bij Thieu is ’t geld. Maar ik heb nooit geld gezien. Waar is die sok? Zelf zei hij: twee hebben er geld aan overgehouden. De pastoor en de schildersbaas.”

‘De praat’ bleef. Peter Jacobs weet nog dat zijn vader eens in tranen terugkwam van zijn werk. Daar, aan de lopende band in de verffabriek, had een collega een kruis in de verf gekrast. „Ik wilde niet doorvragen, als kind, want ik wist dat het pijn deed.” En altijd heeft zijn vader last gehouden van zijn knie. „Hij zei dat hij was geslagen door de politie. Maar hij heeft nooit namen genoemd, nooit gewezen.”

De tijd is er rijp voor, had Peter tegen zijn vader gezegd toen Jean Nelissen belde voor een interview. „Nou, dan do ’t moar”, had Thieu gezegd. Het gesprek had zijn vader wat verlichting gebracht, merkte Peter na afloop. Maar het zwijgen bleef. Hij weet amper iets over de geschiedenis van zijn vader, en met het verstrijken van de jaren blijven er steeds minder getuigen over. Thieu’s vrouw Mia is er niet meer, broers zijn overleden, de kaartvrienden ook.

Wie zijn er nog wel? Twee dochters van Kessels, pientere vrouwen van in de tachtig. Ze waren aanwezig bij de seances op de boerderij, maar willen tegenover de krant niet veel kwijt. Ze zeggen nog altijd te geloven in Thieu, ze hebben de onverklaarbare zaken op de boerderij immers met eigen ogen gezien. Bovendien, zeggen ze, heeft Thieu voorspellingen gedaan die zijn uitgekomen. Maar ook zij werden erop aangekeken en de hele kwestie heeft hun vader, veehandelaar, in een armoedeval gebracht. De mensen wilden niet meer met hem handelen.

„Dat is ’m, ons vader.” Peter Jacobs pakt de rouwkaart van het dressoir en kijkt liefdevol naar de foto.

Mathieu Jacobs, overleden 27 juli 2017.

De uitvaart was in stilte, alsof het verleden niet heeft mogen bestaan. „Het is jammer dat hij nooit heeft willen delen wat hij gezien heeft.”

En de boom?

Op de Klakstraat stijgt een groepje kraaien op. In de verte klinkt het geraas van vrachtwagens en op de driesprong van wegen, de plek waar Mathieu Jacobs op zondagavond 16 oktober 1949 van zijn fiets stapte, staat nu een elektriciteitshuisje, met graffiti beklad. De boom is omgehakt door de gemeente. Grote kans dat de heilige boom daarna is verhakseld tot lucifers, het lot dat veel Canadese populieren in de omgeving trof. Ze verdwenen in de fabriek van het befaamde lucifermerk Zwaluw, gevestigd in Weert.

Maar vraag oude Weertenaren de weg naar de Dijkerstraat en het zou goed kunnen dat ze zeggen: ‘Bij den Heiligen Boom rechtsaf’.