Eten koken zonder dat er gasten komen? Dat heeft zeker z’n voordelen

Zin in eten Gaan we wel lekker decemberachtig tafelen als er ‘toch niemand komt’? Of juist nu, nu de tijds- en prestatiedruk er niet is? overdenkt hoe eten en eten klaarmaken veranderen als het niet iets is wat je gééft.

Illustratie Veronique de Jong

Het zou best eens een tamelijk stille decembermaand kunnen worden. Komt er iemand Sinterklaas vieren, of zitten alle mensen voor de computer pakjes uit te pakken? En hun speculaas op te houden en te roepen: kijk, ik neem nu een hapje van deze heerlijke speculaas, zelf gebakken, ik wou dat jij er ook wat van kon nemen! Maar wij hebben erwtensoep, roept de andere kant, zelf gemaakt, met roggebrood! In een andere huiskamer heft iemand lachend een borreltje (‘roggejenever, heerlijk!’) en gooit met een sierlijk gebaar een pinda naast zijn mond.

Ieder voor zich. Ieder met eigen verwennerijtjes en lekkernijen, met de eigen kerstkransjes op het eigen schoteltje, de eigen kastanjepavlova, de malakof-pudding, de gevulde haas of de zeebaars met venkel, allemaal met dat verlangen dat jij daar aan de andere kant van het scherm, zij daar die we al weken niet gezien hebben, de kinderen, de ouders, de vrienden in hun eigen huiskamers aan hun eigen tafels, dit óók zouden kunnen proeven. Dat je het voor ze klaar zou kunnen maken.

Of zie ik dit te rooskleurig in (noem het maar rooskleurig), gaan we helemaal geen gevulde haas of aardperentoffee maken als-er-toch-niemand-komt?

Niet-Hollandsch

Eten koken zonder dat er gasten komen om dat eten op te eten heeft zeker z’n voordelen. Er is geen tijdsdruk. Er is geen prestatiedruk. Er is geen opgeruimde-keukendruk. Je kunt eens iets uitproberen, ook onwaarschijnlijke kleurencombinaties bijvoorbeeld. (Laatst probeerde ik worteltjes, zoete aardappelpatat en bietjes bij elkaar, omdat ik ze had. Laten we maar zeggen: herfstig). En je kunt, dat is dan weer het echt leuke, een heel duur visje kopen of zes vijgen en er ieder lekker drie opeten, warm, met vinaigrette en geitenkaas en slablaadjes. Je gewoon eens te buiten gaan zonder ergens op te letten: krabvlees over spaghetti, en dan niet zo zuinig ook. Ik noem maar wat.

We denken hier als vanzelf aan Karel en Cateau uit Couperus’ Boeken der Kleine Zielen, die niet graag hebben dat er iemand blijft eten, omdat ze altijd ontzaglijk lekker zitten te smikkelen maar volhouden dat ze het heel eenvoudig hebben. Dus werkt Karel zijn doornatte zusje Dorine weer rappelings de deur uit: „Je blijft zeker niet eten, Dorine; ik geloof niet, dat Cateau veel heeft: we eten altijd héel eenvoudig…” om daarna samen met Cateau eens lekker te smullen met rode wangen en dito wijn.

Aan die mensen denk ik altijd als we met z’n tweeën lekker eten en dan voel ik me een beetje bezwaard, alsof ik net als die twee zo degelijke mensen vind dat „dit genot zondig was en vooral niet-Hollandsch”. Maar dat vind ik helemaal niet.

Gastenhaat bezweren

Toch kook je makkelijk uitgebreider en consciëntieuzer als er mensen komen. Misschien omdat het bereiden van een maaltijd toch ook iets in zich heeft van geven, anderen een plezier doen, en het is niet uit heiligheid dat ik dit zeg, maar we weten allemaal dat het fijn is om anderen een plezier te doen. Iets voor iemand verzinnen, denken: zij houdt van pijlinktvis, dat ga ik maken, of met hen kun je lekker lang borrelen met eigen gebakken kaaskoekjes, of een stoofgerecht is aan déze vrienden echt besteed – als je zoiets denkt ga je neuriënd aan het werk.

Ik las in The Guardian dat Nigella Lawson voor haar meest recente boek een hoofdstuk in de planning had met de titel: ‘How to throw a dinnerparty without hating your guests’. Het hoofdstuk is niet doorgegaan omdat er in coronatijd nu eenmaal weinig dinnerparty’s gegeven worden en je de gastenhaat dus niet hoeft te bezweren. Maar wat zou ze bedoeld hebben met die titel?

Ik kan me er wel iets bij voorstellen, ook al haat ik de gasten meestal juist niet. Het punt is: je slooft je voor ze uit. Soms zó dat je denkt: ik wou dat ze niet kwamen.

En natuurlijk snapt iedereen dat dat niet aan de gasten ligt. Snapt Lawson ook, nemen we maar aan. Maar ze weet ook hoe de mens is, de mens die driftig de handen aan het keukenschort staat af te vegen omdat er iets uit de oven gehaald moet worden met keukenhandschoenen aan maar je handen zitten vol met de kruidenboter die je juist onder het vel van de kip stond te duwen en verdorie! er is ook nergens plaats om die gloeiende schaal neer te zetten en nu gaat de telefoon ook nog – waarom doe ik dit? Waarom moeten die mensen komen eten? Waarom moet iedereen sowieso de hele tijd eten? En nijdig zeg je dan soms tegen iemand die even de keuken binnenloopt dat iedereen echt heel goed doorvoed is en dat ik niet ook nog die gevulde selderie ga maken, terwijl ik zelf degene ben die dat erbij had verzonnen en de sussende huisgenoot toch al probeerde voorzichtig te hinten op de mogelijkheid om een en ander tot maximaal vijf gerechten te beperken.

Ik denk dat Lawsons gedachten die kant op gingen. En dat ze dus eenvoudige dineetjes wilde verzinnen die je goed kunt voorbereiden, die je zelf ook lekker vindt en die je graag en makkelijk maakt. En waarbij je je dan niet van de weeromstuit hoeft te schamen omdat het er allemaal wel héél gemakkelijk uitziet, alsof je geen moeite hebt willen doen, alsof je er geen zin in had dat ze kwamen.

Want dat denkt de thuiskok soms dat de mensen denken. Heb je de halve dag in de keuken gestaan, denk je nog dat zij denken: nou, ze heeft zich niet al te veel moeite gegeven. Of: moest ze daar nu zo lang over doen? En soms denk je dat zelf ook. Een beetje tijdsdruk wil de efficiëntie weleens vergroten, in plaats van dat droomachtige koken met muziek en schone theedoeken en tussendoor aan de keukentafel zitten krantlezen en maar neuriën en maar de gelukkige huisvrouw uithangen. Alsof er ergens een cameraploeg verscholen zit die nauwkeurig verslag doet van je keukenbezigheden.

Uitglijden over vettigheid

Misschien komt het uiteindelijk op iets heel eenvoudigs neer: dat je graag iets lekkers wil maken voor mensen om wie je geeft, maar dat je daarbij niet het gevoel wil krijgen dat je een toneelstuk opvoert. Noch voor jezelf, noch voor je gasten. Dus de tafel mooi dekken: leuk. Een taart bakken die er professioneel uit ziet: ook leuk. Maar met een verhitte kop aan tafel zitten en gedurig op de klok kijken of je al iets aan de volgende gang moet doen, uitglijden over de vettigheid omdat je geen tijd had om die gesmolten boter weer even op te vegen, al om half tien hopen dat de mensen weg willen omdat je doodmoe bent – dat is allemaal helemaal niet aantrekkelijk. Hoeveel kaarsen je er ook bij aansteekt.

Lees ook: Wat het kabinet ook beslist, Kerst lijkt voor dieren in ieder geval geen feest te worden

Voor de gasten ook niets aan trouwens. Die willen gloeiende gesprekken, de slappe lach of iets échts vertellen, iets wat voor het eerst in deze bewoordingen schiet. Liefst dat allemáál, op verschillende momenten gedurende de leuke, lange ontspannen avond die begeleid wordt door tevreden zuchtjes en mmm! en iemand die zich afvraagt of-ie toch nog één heel klein hapje…?

Zo’n avond zou het moeten zijn, liefst meer dan een, in de donkere decembertijd. Een avond waarop je de mensen onthaalt, niet met veel te veel, maar met wat je speciaal voor hen hebt bedacht en uitgevoerd en dat de mensen jou onthalen doordat ze ervan genieten en in dat zonnetje zitten de gastheervrouwen dan weer en je wil dat er geen einde aan komt.

Ooit was dat allemaal zo vanzelfsprekend. Ooit kenden we ons geluk niet. Nu wel.