Recensie

Recensie Boeken

De bevreemdende en dystopische wereld van Saskia de Jong

Saskia de Jong Hengelen naar eenheid lijkt steeds vergeefs – en toch blijf je zoeken naar een sluitende interpretatie van deze bundel. De Jong provoceert zonder vrijblijvend te zijn.

Beeld Getty Images/iStockphoto

De dichter is naar eigen zeggen druk met een delirium. De beklemming is tastbaar in het gedicht ‘sprookje van eigen slacht’, in het jaagpad op en af, Saskia de Jongs eerste dichtbundel in tien jaar tijd: ‘er zijn verschrikkers / en verschrikten wat struikelt struikelt daar / naar eigen zeggen ben ik geen dader’. Wat er voorgevallen is blijft in het ongewisse, net als de plaats van handeling (of beleving): ‘in ons huis van bewaring of passantenpension / in volmaakte apartheid in wandelgangen / met het risicoprofiel van een doolhof’.

In de slotstrofe benadrukt de dichter de opsluiting door een vergelijking met legkippen – ik denk ook aan de slacht uit de titel – en de aanwezigheid van de politie:

weer anderen werden helemaal niet in het gezicht

geslagen, hadden vrije uitloop uit de eierstok

van een fitte legkip plopt elke dag een eigeel

op eidooiergrootte, het blauw op straat wenst ons

dringend welterusten de gordijnen hangen nog

De gordijnen hangen nog, maar geruststellend is het niet, na het dringende welterusten en de grimmige sfeer die overal voelbaar is. Het abrupte einde werkt evengoed vrees en desillusie in de hand, net als het gedicht dat erop volgt, het ironisch getitelde ‘ook gaat er een geweldige dreiging uit van een fluitende zangvogel’.

Saskia de Jong roept een bevreemdende en dystopische wereld op. De dichter schrijft dat de publieke ruimte op zwart is gegaan en dat ‘afgetrokken begrippen voor werkelijkheid’ doorgaan. Gaandeweg besef je dat deze wereld inmiddels schrikbarend veel op de onze lijkt en er misschien al wel mee samenvalt.

Dictator

Even hallucinant als het ‘sprookje’ is de cyclus waarin meerdere stemmen elkaar afwisselen, van elkaar onderscheiden door cursiveringen:

die zinnen

zijn begoocheld en gegoocheld, betoeterd!

verrukt, verrückt, verrukkelijk! hysteria

wat vloeit mij aan? mijn crypte is corrupt

een krocht een bocht in mijn halverwege

ja ja, je ruimschoots fluistergewelf

je hebt je monden weer vol. en ik mijn buik

Praat de dichter in zichzelf en is er helemaal geen sprake van meerdere stemmen? Of registreert zij de stemmen die zij hoort?

Het wordt me niet helemaal duidelijk, maar aan dat laatste denk ik bij de volgende sinistere regels: ‘wir wollen den totalen / inneren monolog / jaha, de binnendictator / de onderbuikspreker’.

De onderbuik lijkt aan het woord in de slotafdeling, ‘geheimhouding van het gepasseerde’, waarin de pijlen gericht zijn op een verder ongedefinieerd ‘jullie’. Hen wordt heel wat verweten, zoals paniekzaaierij: ‘jullie hebben geschreeuwd / van verzadigde markten / die stomende duiven uitspuwen’. Maar ook nalatigheid, want het bleef bij schreeuwen.

Nietsontziend wordt er van leer getrokken tegen deze ‘jullie’, maar wie betreft het? De dichter richt zich volgens mij niet op één groep, daarvoor zijn de insinuaties te ongericht, daarvoor wordt er te veel geïnsinueerd. De meerkeuze-opties waarmee de dichter verderop de keuze aan de lezer laat, maken de boutade bovendien voor velerlei uitleg vatbaar.

Depressie

Deze onscherpte is een drijvende kracht in De Jongs poëzie en wordt zorgvuldig ingecalculeerd. De dichter beheerst haar materiaal tot in de puntjes. Mede dankzij geraffineerde enjambementen, weglatingen en omgekeerde woordvolgordes draait ze regels, registers en perspectieven zo in elkaar dat ze je verleiden tot een interpretatie die desalniettemin nooit helemaal sluitend wordt.

Dichter Frank Báez wordt ook wel ‘de Baudelaire van Santo Domingo’ genoemd. Lees ook: Zo’n intens gedicht ‘dat je klaarkomt met je broek nog aan’

Ik heb me laten verleiden en ik kom er niet helemaal uit. Dat is niet geheel onverwacht, omdat de dichter al op mijn gammele interpretatie anticipeerde. In het even weerbarstige resistent (2006) liet ze er geen misverstand over bestaan: ‘blootleggen is in het geheel / geen haalbare kaart, koppelbazen’. Nu klinkt het zo: ‘de autoriteit die naar eenheid hengelt / mist volledig de smaak van het metrum’.

Eerst iets over dat ritme: dat kan je niet ontgaan, zo eigenzinnig en smeuïg is het. Soms lekker opzichtig, wanneer De Jong rijmt: ‘giechelend golft de grond onder ons’, of: ‘de grond is week, dode zee, diepste depressie / wiens leugen is het geheugen’. Dan het hengelen naar eenheid: dat is onbegonnen werk, misschien zelfs bijzaak, als je op deze regels moet vertrouwen. Alleen bepaal ik zelf wel hoe ik poëzie lees. Hoewel de spottende toon me niet ontgaat, beschouw ik haar uitspraken vooral als aanmoediging om op zoek te gaan naar coherentie. Is dat niet waar lezen uiteindelijk op neerkomt? En daarbij: zelfs de meest incoherente teksten vertonen enige vorm van samenhang.

Seksscènes

Zo’n lezing staat het jaagpad op en af ook toe. Een van de gedichten is een verzameling zinsneden uit andere gedichten. Sowieso duiken heel wat keren verschillende regels in andere gedichten opnieuw op, soms zelfs pas veel later in de bundel. Niet voor niets schrijft De Jong ergens dat ‘verbanden passeren’.

Maar dan lijk ik alsnog in de val te lopen. Ja, ik herken een aantal verbanden – ook seksuele scènes, koortsdromen, manie en hysterie – maar veel verder kom ik niet, terwijl ik wel het gevoel heb dat me iets ontgaat. Hoe hard ik het ook probeer, ik kan niet goed grip krijgen op deze gedichten. De dichter zou gniffelen: zei ik toch. Het zorgde ervoor dat ik deze grillige en ijle poëzie steeds neerlegde en weer oppakte, op zoek naar de sluitsteen van mijn interpretatie. Het is lang geleden dat een bundel me zo uitdaagde. Mijn frustrerende leeservaring was tegelijkertijd ook spannend.

Lees ook: Waarom we poëzie haten – en waarom dat onterecht is

Deze dichter provoceert zonder vrijblijvend te zijn en dat fascineert me. Ze formuleert een kritiek op de hedendaagse wereld, gedreven door nut, winst en hapklare coherentie, waarin tegelijkertijd de inhoud niet meer klopt met de vorm, zoals De Jong schrijft in ‘evolutie een protestsong’. Maar of dat het hele verhaal is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

Van die incongruentie tussen vorm en inhoud – en bij uitbreiding: perceptie en realiteit – leggen deze gedichten rekenschap af. Ze zijn balsturig, onverbiddelijk (neem bijvoorbeeld deze variatie op Lucebert: ‘alles / van waarde is wezenloos en met loeren gevoederd’), soms ronduit duister en stekelig, maar tegelijkertijd (en juist daarom) aanlokkelijk, ook door het smeuïge ritme en de durf die uit het jaagpad op en af spreekt.

Deze poëzie nodigt uit tot overgave: ‘structuur / blijft een truc, hallucineer zelf het ontbrekende’. De dichter gaat je voor: ‘operator, kunnen we al persoonlijk worden / het is nogal pittig narcissus te zijn / ik wil opgeslokt’. En veel meer keuze heb je niet in dit bizarre en illusoire universum.