Recensie

Recensie Boeken

Wat is het nut van foute denkers?

Foute denkers In zijn nieuwe boek onderzoekt Arnold Heumakers het nut van foute denkers. Vrijwel allemaal vinden die dat vijandschap en strijd fundamentele eigenschappen van het leven zijn.

Illustratie: Anne Caesar van Wieren

‘De moraal mag duidelijk zijn, de mens is dat zelden’, schrijft criticus en essayist Arnold Heumakers (1950) in de inleiding van zijn studie Langs de afgrond. Het nut van foute denkers. Heumakers relativeert meteen het utilitaristische woordje ‘nut’, hij heeft het over ‘de discrete charme van het foute denken en schrijven.’ Ook richt hij zich uitsluitend op het ‘foute denken’ ter rechterzijde van het politieke spectrum, al spreekt hij wel zijn verbazing uit dat het nog altijd weinig gebruikelijk is ‘om het communisme fout te noemen’, terwijl de misdaden begaan in naam van het marxisme-leninisme nauwelijks onderdoen voor die van het fascisme. De Historiker-streit, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Duitsland woedde met de historicus Ernst Nolte aan de ene en de filosoof Jürgen Habermas aan de andere kant en die ging over de vraag of Hitlers wandaden een antwoord waren op die van Stalin, en daarmee indirect over de vraag welk systeem erger was, werd gewonnen door Habermas en de zijnen die de uniciteit van de moordmachine van de nazi’s benadrukten. Deze strijd vermeldt Heumakers niet, het is hem niet te doen om competitie in slechtheid, evenmin is hij geïnteresseerd in de schijnbare helderheid van de morele reflex.

Het gaat hem om de mens zelf, de moderne westerse mens, die volgens Heumakers fundamenteel verscheurd is tussen verlangen naar verlichting en romantische antiverlichting. Die verdeeldheid, benadrukt Heumakers, loopt dwars door ons. Het zogenaamde goede denken is beïnvloed door het foute en vice versa; schematische indelingen leiden tot ideologische ‘eenzijdigheid’ en ‘blinde vlekken’. Heumakers pleit voor ‘ontnuchtering’ en ‘methodisch pessimisme,’ hij citeert een van zijn ‘favoriete protagonisten’, de Franse denker Georges Sorel (1847-1922), die filosofie omschreef als ‘een erkenning van de afgronden waartussen het pad zich kronkelt dat de gewone mensen volgen met de gemoedsrust van slaapwandelaars.’

Marokkanen

Bij zijn keuze heeft Heumakers zich laten leiden door ‘diversiteit, intrinsieke diepgang en persoonlijke voorkeur.’ Het is inderdaad moeilijk vast te stellen wat Ernst Jünger, Michel Houellebecq, Oswald Spengler en Maurice Barrès precies met elkaar gemeen hebben, om vier van de denkers uit dit boek te noemen. Vrouwelijke denkers komen er overigens niet in voor, waarmee niet is gezegd dat het foute denken vrouwen vreemd zou zijn.

Wantrouwen tegen het na 1945 tot ‘seculiere religie’ verworden ‘universele humanisme’ begeleidt de lezer langs alle hoofdstukken, net als nationalisme in deze of gene vorm. Ook antisemitisme komt in vrijwel elk hoofdstuk voorbij, waarbij men niet moet vergeten dat vóór 1945 antisemitisme in Europa een vrij normale en gerespecteerde gemoedsaandoening was. Ongeveer zoals heden ten dage in Nederland fatsoenlijke mensen een afkeer kunnen hebben van Marokkanen en die irrationele afkeer met rationele argumenten goedpraten. Nee, de mens is minder overzichtelijk dan de moraal.

Lees ook: Wilders en Baudet hebben er een nieuwe vijand bij en zijn naam is Benda

Een laatste rode draad is de literaire kwaliteit van de werken die worden besproken. De discrete charme van het foute denken is een literaire charme – hoewel de naam Baudet één keer terloops in het boek voorkomt (en drie keer in het notenapparaat) vermoed ik dat zijn naam over een kleine vijfenzeventig jaar in een soortgelijk boek zal ontbreken.

Zonder enig fout denken blijft er van literatuur weinig meer over dan moraalleer in verhaalvorm of op rijm. Dit boek is naast al het andere een verdediging van de literatuur, van het leven als avontuur, van de ‘verhevigde levensintensiteit’. Om die reden is het hoofdstuk over Jonathan Littell wat mij betreft het centrum van boek, een schrijver die zelf nauwelijks fout kan worden genoemd.

Heumakers begint in het fin de siècle in Frankrijk, waar de Dreyfus-affaire lange schaduwen werpt. Dreyfus, de kapitein van Joodse afkomst die ten onrechte was beschuldigd van spionage, verdeelt het land in monarchistische, antisemitische patriotten en liefhebbers van ‘de abstracte idee van rechtvaardigheid en (…) waarheid.’ Wat weegt zwaarder: waarheid of vaderlandsliefde?

Bloedbad

Schrijver, politicus, ironicus Maurice Barrès (1862-1923) ziet Heumakers als de schepper van het moderne nationalisme, dat voorheen vooral bestond als loyaliteit en onderworpenheid aan een vorstenhuis.

Barrès, in zijn tijd een van de ‘beroemdste schrijvers van Frankrijk’, meent dat nationalisme het medicijn is dat Frankrijk van de crisis van de Dreyfus-affaire zal genezen, in 1895 noteert hij: ‘Wij geloven in de noodzaak van de idee van een vaderland, een idee die ons bevalt en die wij essentieel progressief achten.’ De Franse revolutie was volgens hem geenszins kosmopolitisch, de Middeleeuwen en het Romeinse Rijk waren dat. De toekomst was aan het nationalisme. Maar in 1892 had hij zich genuanceerder uitgelaten, niet verwonderlijk voor een ironicus die politiek vooral als spel zag: ‘Vive la France! Elle est parfaite. Mais surtout Vive l’Europe.’

Volgens Heumakers probeerde Barrès via het nationalisme zijn verlangen naar kosmopolitisme het zwijgen op te leggen. Dat is betrekkelijk goed gelukt. Toen in 1914 de consequenties van het nationalisme duidelijk werden noemde de pacifist Romain Rolland Barrès, ‘de nachtegaal van het bloedbad’. Maar de nachtegaal zong mooi. En Heumakers schrijft terecht: ‘Het nationalisme dat de negentiende eeuw in Europa heeft geschapen, via nationale geschiedenissen, onderwijs, dienstplicht, vlaggen, volksliederen, heldenverhalen en wat al niet meer, is namelijk een ongelooflijk succes gebleken.’

Zeker, het nationalisme is springlevend, maar het sleurt enkele recente (Joegoslavië) en minder recente bloedbaden met zich mee.

Soldaten in vrouwenkleren

Ernst Jünger (1895-1998) meldde zich op 3 augustus 1914 als vrijwilliger om mee te doen aan de oorlog om ‘avonturen te beleven’. Vaderlandsliefde was bijzaak, het avontuur stond voorop. Het werd een ander avontuur dan gedacht, ‘in de modder van West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk sneuvelde de traditionele heroïek het eerst’. In de loopgraven zag Jünger een nieuw slag mensen ontstaan. Hij schrijft over soldaten die tijdens een beschieting ‘in vrouwenkleren en met rode parasols tussen de puinhopen’ van een stad dwalen en over ‘een Schotse gevechtsgroep die tijdens de aanval gewoon doorging met voetballen’. Volgens Jünger komt het hierop neer: ‘De idee dat de materie niets en de geest alles is.’

Men kan tegenwerpen dat Jünger het geluk had te overleven, dat de honderdduizenden doden die in die loopgraven sneuvelden minder enthousiasmerende getuigenissen zouden hebben achtergelaten.

Dat doet niets af aan de literaire kwaliteiten van Jünger, aan het feit dat hij daar werkelijk iets heeft gezien in Noord-Frankrijk. Decennia later ontpopte hij zich als mysticus, aanhanger van het globalisme en ecoloog, al is dat niet het woord dat hij zelf zou gebruiken. Hij meent dat de mens zijn rol op aarde overschat, en acht het goed mogelijk dat ‘de trein’ zonder ons verder rijdt. Anders dan veel hedendaagse burgers met ecologische zorgen gelooft hij niet dat de mens de aarde gebruikt, veeleer dat de aarde de mens gebruikt om te ‘vervellen’. Dat dit uiteindelijk een aarde zonder mensen betekent vindt hij minder belangrijk. ‘Alle doelen zijn vergankelijk, slechts de beweging is eeuwig’, schrijft Jünger.

Kroonjurist van het Derde Rijk

Carl Schmitt (1888-1985), ‘kroonjurist van het Derde Rijk’, is weer zeer geliefd bij linkse én rechtse denkers, voornamelijk vanwege zijn afkeer van het liberalisme. Politiek gaat volgens hem om het onderscheid tussen vriend en vijand. Hoewel oorlog en geweld daar niet noodzakelijkerwijs uit volgen is de Ernstfall, ‘het moment van de waarheid’, altijd een mogelijkheid. Elke strijd kan er een op leven en dood worden.

Vijandschap is onvermijdelijk, aldus de omstreden Duitse staatsrechtgeleerde Carl Schmitt. Lees ook: Aantrekkelijk voor links én rechts

De Joods-Duitse filosoof Leo Strauss, uitgeweken naar Amerika, liet zich door Schmitt inspireren en concludeerde dat een wereld waar men niet meer bereid is eigen en andermans bloed te vergieten een wereld zonder ernst is, een wereld met uitsluitend amusement.

Hoewel Heumakers de natiestaat tegen alle supranationale instellingen verdedigt, met argumenten en hartstocht, maken Schmitt en Strauss duidelijk waarom de natiestaat wankelt. Waar men niet meer wil sterven voor het vaderland, waar de Ernstfall iets is voor mindere goden, wordt de staat een erg symbolische huls.

Met goede redenen is vrijwel overal in het Westen – Israël en Zwitserland zijn in het oog springende uitzonderingen, al voert Zwitserland nooit oorlog – de dienstplicht afgeschaft. Onze cultuur is die van de middenklasse – ik bedoel deze term niet pejoratief – en de middenklasse wil comfort. Sneuvelen is niet comfortabel, zelfs de professionele soldaat ziet er hogelijk tegenop.

Jaloezie

Het terrorisme is nooit een werkelijke bedreiging voor het Westen geweest, maar dat het Westen op politiek en maatschappelijk niveau daar zo heftig op reageerde, komt ook omdat men met ontzetting – en ik vermoed onbewuste jaloezie – tot de ontdekking kwam dat andere mensen nog wel bereid waren voor hun overtuigingen te sterven. De oorlogen in Irak en Afghanistan hebben in totaal aan 515.000 mensen in die twee landen en Pakistan het leven gekost, inclusief 260.000 burgers, circa drieduizend mensen werden gedood op 9/11. Ook als je het oudtestamentische oog om oog tand om tand serieus neemt mag dit buitenproportioneel heten. Deze oorlogen werden bovendien ten dele voorgesteld als een humanitaire missie, winning hearts and minds. Waar het universele humanisme meer blijkt te zijn dan een dode letter ontpopt het zich als bloeddorstig imperialisme. Iets wat Schmitt had voorzien.

Heumakers noemt de roman Les bienveillantes (De welwillenden) van Jonathan Littell (1967) uniek, omdat hij het woord geeft aan een dader in het Derde Rijk. Geen van zijn voorgangers, die dat geprobeerd hebben, kan zich met hem meten ‘in breedte, lengte en diepte.’ En passant definieert Heumakers de literatuur: ‘Literatuur is niet alleen de moeite waard vanwege het beeld van de werkelijkheid dat zij verschaft, maar ook en vooral vanwege de betekenis die zij aan de werkelijkheid geeft.’ Of Littell daar volledig in slaagt, laat Heumakers in het midden, maar de roman geeft een indringend beeld van ‘een fysiek volwassen kind dat op fatale wijze met vuur speelt, zonder de verantwoording daarvoor te nemen’. Als de oorlog een voor de nazi’s ongunstige wending neemt, blijken eer en trouw voor de massamoordenaar loze woorden, een ‘nietsontziende overlevingsdrang’ beheerst hem.

Zoals het in de nog altijd onovertroffen oorlogsfilm Full Metal Jacket van Stanley Kubrick heet: de doden weten maar één ding, dat het beter is levend te zijn.

Zwarte Piet

Waar de Ernstfall intreedt is de prijs van het leven dikwijls de prijs van het doden.

Recensenten en schrijvers zouden dit boek moeten lezen om eens te meer te beseffen dat moraliseren de vijand is van de literatuur. Dat heeft ook deze schrijver geleerd van dit boek, de angst om fout over te komen is angst voor afwijzing, begrijpelijk maar voor een schrijver rampzalig.

Nationalisten moeten het lezen om te begrijpen dat eigenheid een gepasseerd station is. Dat in Nederland de cultuuroorlog plaatsvindt rond Zwarte Piet zegt genoeg, laatste eigenheid: folklore van een door de commercie voortgedreven ‘kinderfeest’.

Aanhangers van rechtse identiteitspolitiek zouden het moeten lezen om na te denken hoe de etnische zuivering vorm moet krijgen.

Het ‘Orakel van het Westen’ Francis Fukuyama en politiek filosoof Kwame Anthony Appiah nemen de identiteitspolitiek onder vuur en doen aanbevelingen om uit de loopgraven van de identiteitsoorlog te komen. Lees ook: Honderd procent man, hetero en voetbalsupporter: lekker makkelijk

Aanhangers van linkse identiteitspolitiek zouden het moeten lezen om te beseffen dat natuurlijk geachte begrippen en aannames rond volk, geslacht, ras en cultuur terecht zijn voorgesteld als constructies, maar dat die zijn vervangen door andere constructies die eveneens op mythologie en ficties zijn gebaseerd.

Gruwelijke repressie

Zij die geloven in universele gelijkheid moeten het lezen om te beseffen dat dergelijke gelijkheid alleen vorm kan krijgen met behulp van gruwelijke repressie van een wereldregering. De universele humanist gelooft in theorie dat er geen Über- en Untermenschen bestaan, in praktijk legt hij zich erbij neer. Wat rest is nationaal-humanisme.

Alle overige mensen moeten het lezen om na te denken over het fundamenteel tragische van het leven. De ontkenning van het tragische is de grootste tragedie. Heumakers eindigt met de conclusie dat foute denkers uitdagen tot kritische empathie waardoor ‘de methodische pessimist’ zijn weg langs de afgrond kan vervolgen. Het tragische impliceert echter dat men ook weleens in die afgrond valt of erin wordt geduwd. Het gevaar bestaat dat de methodologische pessimist meent daaraan te ontkomen.

Maar Heumakers noteert ook: ‘Vrijwel alle foute denkers daarentegen gaan ervan uit dat vijandschap, strijd, oorlog, antagonisme behoren tot de fundamentele, “eeuwige” waarden of eigenschappen van het leven.’

Hoewel ik mijzelf geen foute denker vind, geloof ik dat ook.

De vraag is hoe wij die strijd vormgeven.

De vraag is of wij de oorlog, een groot avontuur én een ongekende catastrofe, kunnen uitstellen.