Opinie

Als Zwarte Piet niet kan, dan ook geen cartoons van Mohammed

Discriminatie Waarom zijn Nederlanders bereid de ene gekwetste minderheid tegemoet te komen en de andere niet, vraagt zich af.
Foto Piroschka van de Wouw / ANP

Op mijn Facebookpagina staat een plaatje van Zwarte Piet. Sinds een paar maanden verwijdert het platform zulke afbeeldingen, maar deze is de censors klaarblijkelijk nog ontgaan. Ook Instagram en Bol.com deden Piet in de ban en openbare bibliotheken verwijderen boeken met Zwarte Piet uit hun collectie.

Verschillende recente onderzoeken laten zien dat steeds meer Nederlanders dit kunnen billijken: het aantal voorstanders van het behoud van Zwarte Piet is het afgelopen jaar fors gedaald. Volgens een peiling van het EenVandaag Opiniepanel wilde in 2019 nog 71 procent Piet Zwart laten, nu nog 55 procent.

De peiling liet ook een andere opmerkelijke uitslag zien: meer dan driekwart vindt nog steeds dat Piet niet racistisch is. Veel van degenen die van mening zijn veranderd, voeren daarvoor een andere reden aan. Ze willen af van het gedoe en de onrust rond het pietendebat en willen ‘de lieve vrede bewaren’. Zij zeggen dus eigenlijk: wij delen de bezwaren van de Piet-bestrijders niet, maar dat hoeft ook niet. Als zij ernstige bezwaren hebben tegen de zwarte knecht, is dat voldoende reden om die bezwaren te respecteren en te honoreren. Dan krijgen we tenminste weer rust in de tent.

Gepassioneerde minderheden

In feite komen deze hoeders van de lieve vrede hiermee tegemoet aan het leerstuk van de ‘gepassioneerde minderheid’, zoals dat is gepropageerd door welvaartstheoretici als Hans van den Doel. In zijn boek Demokratie en Welvaartstheorie (1975) stelde hij dat er geen bezwaar bestaat tegen het gerieven van een gepassioneerde minderheid, „mits de meerderheid waar de minderheidsaktie tegenin gaat weinig geïnteresseerd is”. Dat laatste lijkt met betrekking tot Zwarte Piet voor steeds meer Nederlanders het geval: de interesse voor het debat kalft af.

Ook Nederlandse moslims zijn te beschouwen als een gepassioneerde minderheid. Ook zij willen dat de meerderheid rekening houdt met gevoelens van gekwetstheid die onder hen leven. Velen geven daaraan uiting door het ondertekenen van de petitie waarin wordt opgeroepen het beledigen van de profeet Mohammed strafbaar te stellen. Zij stellen dat het tonen van de omstreden cartoons een uiting is van moslimhaat, zoals Kick Out Zwarte Piet de zwarte knecht wil verbieden omdat die een uiting zou zijn van racisme.

Bekijk ook: Sinterklaas door de jaren heen

Er zijn dus duidelijke overeenkomsten tussen beide claims. Beide minderheidsgroepen eisen een verbod op voorstellingen en afbeeldingen waardoor zij zich gekwetst voelen. Beide gevoelens worden door de meerderheid van de Nederlanders begrepen noch gedeeld. Waarom is de reactie dan in het ene geval een toenemende inschikkelijkheid, terwijl de meerderheid in het andere geval pal blijft staan voor het ‘recht om te kwetsen’? Wordt hier niet gemeten met twee maten?

Een aansprekend voorbeeld is de commotie rond Johan Derksen, toen hij KOZP-voorman Akwasi losjes vergeleek met Zwarte Piet. Het was een toespeling die niets te maken had met racisme. Net als het tonen van een jihadstrijder met een bebloed zwaard in de hand niets negatiefs behelst over de profeet of de islam. Toch leidde de toespeling van Derksen tot natiebrede ophef, terwijl in het geval van de cartoons de gekwetste minderheid de zwartepiet krijgt toebedeeld. Waarom?

Het ergste vloekwoord in onze cultuur

Beide minderheden kunnen zich beroepen op artikel 1 van de Grondwet, dat discriminatie, onder andere vanwege godsdienst of ras, verbiedt. Maar er zijn ook belangrijke verschillen. Bij de cartoons is naast het discriminatieverbod de vrijheid van meningsuiting in het geding. Volgens artikel 7 van de Grondwet heeft iedereen het recht gedachten en gevoelens te openbaren, ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. Het debat speelt zich af in het spanningsveld tussen beide grondwetsartikelen.

In het Zwarte Piet-debat speelt de vrijheid van meningsuiting geen rol. Je zou kunnen zeggen dat de Zwarte Piet-bestrijders daardoor sterker staan dan de cartoonbestrijders: een ‘tegenargument’ ontbreekt. Is dat een reden waarom de meerderheid zich inschikkelijker betoont tegenover de claim van KOZP dan die van de gekwetste moslims?

Lees ook deze recensie: Levie Zadok, de Joodse evenknie van Zwarte Piet

Misschien, maar de standpunten van de meerderheid en de verschuivingen daarin worden niet alleen ingegeven door overwegingen van wettelijke aard. Ook aan de kant van de meerderheid spelen gevoeligheden een rol. Speuren we daarnaar, dan stuiten we op een andere mogelijke verklaring van het verschil in bejegening. Het debat over Zwarte Piet raakt direct aan racisme, het ergste vloekwoord in onze cultuur, beladen met de zwaarste zonden uit het verleden. Iedere verdenking van een racistische gezindheid leidt tot terughoudendheid en angst. Dat kan ertoe leiden dat het uitspreken van deze verdenking leden van de meerderheid doet inbinden, ook al vinden zij die verdenking onterecht.

Voor moslims ligt deze aanspraak niet binnen bereik, zij hebben alleen hun godsdienst om op terug te vallen. Is de standvastige opstelling van de meerderheid als het op de cartoons aankomt uit dat verschil te verklaren? Dan wordt er inderdaad met twee maten gemeten. En stuiten we op de paradox dat moslims hiermee in feite worden gediscrimineerd ten opzichte van zwarte Nederlanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.