Reportage

Zo blijft het land veranderen

Van toen naar nu Een wandeling in etappes door Nederland en door de tijd. Aflevering tien (slot): Op landgoed Amelisweerd, bij Utrecht, besef je dat tijdwinst ook tijdverlies kan zijn.

Tekst

Het land is leeg. De gletsjers hebben zich teruggetrokken en uit het oosten komt een grote rivier geslingerd. Aan één zo’n bocht zullen de Romeinen later een fort bouwen. Er staan elzenbosjes, turfrook stijgt op en het land is leeg.

Dit jaar wandelde ik in etappes van het oudste stukje bovengronds Nederland – het laat-Carboon, 330 miljoen jaar geleden – via steeds recentere geologische tijdvakken met de tijd mee. De laatste aflevering is een dagje in de herfstmist bij Utrecht aan de Kromme Rijn, die ooit de enige Rijn was en de noordgrens van het Romeinse Rijk.

Tweeduizend jaar geleden: een geologische oogwenk, maar ook onze hele jaartelling. En toch, als je goed kijkt, kun je de leegte van ooit nog zien. Verhogingen in het landschap, oude stroomruggen van de rivier, de veel bredere bedding waarin nu dat restriviertje loopt.

En je ziet het ook aan wat je níét ziet: weinig gegraven sloten, bijvoorbeeld, dan weet je dat daar dicht aan het oppervlak het zand ligt dat Nederland een tijd bedekte. Zand zou slootkanten laten instorten. Vruchtbomen doen het juist goed.

Het is hier langer leeg gebleven dan elders, maar leeg is niet ongerept. Dit was militair terrein, het enige deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie dat te hoog lag om onder water te zetten. Daarom liggen aan weerszijden twee forten, Rhijnauwen en Vechten, als groene eilanden in het landschap. Schootsveld – vrij zicht voor de artillerie. Dus mocht er in een wijde straal rond de forten niets nieuws in steen worden gebouwd. In oorlogstijd waren zulke huizen eenvoudiger af te breken.

Langs een paar van die houten ‘verbodenkringenhuisjes’ wandel ik Utrecht uit, onder de A27 door en dan een pad in naar landgoed Amelisweerd. Aan weerskanten geploegd land, gemaaid gras. Groepjes schapen en ganzen. Bunkertjes uit 1914, toen Nederland mobiliseerde maar niet hoefde te vechten. Even denk je dat ze ook samenscholen.

Amelisweerd is haast synoniem met de snelweg die je hier nooit níét hoort, en die nog verder verbreed zal worden, ten koste van nog meer monumentaal bos. Dit is het ‘tijdperk van de shortcut’, heeft de Britse schrijver en cartograaf Tim Robinson (1935-2020) geschreven. In ruil voor tijdwinst offeren we massaal land op. Maar daarmee steriliseren we dat land ook, nemen het zijn geschiedenis af. Tijdwinst is ook tijdverlies.

De eiken van Amelisweerd hebben toch al niet het eeuwige leven. Na de kaarsrechte Domlaan – ooit aangelegd met die Utrechtse toren in het verschiet – loop ik door het Trapeziumbos achter het landhuis Oud-Amelisweerd. Beuken en zomereiken als zuilen in een kathedraal, soms meer dan dertig meter hoog en tweehonderd jaar oud. Veel bomen van dezelfde generatie bereiken nu het eind van hun leven. Jonge bomen moeten de gaten vullen en zo blijft het bos veranderen. Dat is altijd zo geweest. Er is geen ‘authentieke’ staat waarin je het kunt terugbrengen.

Dan, rechts, het Huis Rhijnauwen, van steen, en het houten ‘Theehuis’, waar ze even geen pannenkoeken bakken, ook een verbodenkringenhuis. Links het fort, waar nu uilen de wacht houden en vleermuizen in de kazematten schuilen. Ik wandel langs de gracht, probeer de zichtlijnen te zien van het geschut, maar daarvoor staan er nu te veel bomen.

Bij de Niënhof, aan de rand van Bunnik, steek ik de Kromme Rijn over, en wandel langs het jaagpad terug. Langs de voorkant van Rhijnauwen nu, en bij Oud-Amelisweerd het bos weer in, door het ‘Engelsche Werk’, waar de lanen slingeren, en langs Nieuw-Amelisweerd het bos weer uit tussen de knotwilgen. Is er een mooier symbool van die getemde natuur die we mooi en quasi-ongerept vinden dan die brave, geknevelde, opschietende oer-Nederlandse knotwilg? Links raast en jankt de A27. Rechts schuift de Kromme Rijn met de tijd mee naar zee, bladeren op het water. Ik loop een stuk sneller.