Prins Bernhard-belasting en huisjesmelkers

Woordhoek

Prins Bernhard junior baalt ervan dat de PvdA een fiscale maatregel om pandjesbazen aan te pakken in een verkiezingsprogramma de Prins Bernhard-belasting heeft genoemd. Hij vreest dat dit slecht is voor zijn imago. Dat is het ook, maar de praktijk leert dat bezwaar maken tegen zo’n etiket de verbreiding ervan juist bevordert. Wouter Bos maakte ooit bezwaar tegen het label draaikont, hem opgespeld door zijn politieke opponent Jan Peter Balkenende. Gevolg: het kwam extra stevig aan Bos vast te zitten. Ruud Lubbers protesteerde onmiddellijk toen Marcel van Dam het woord belubberen voor ‘belazeren’ introduceerde. Dat was in 1984, maar is altijd een beetje aan Lubbers blijven kleven.

Voorwaarde voor succesvolle framing is een grond van waarheid. Prins Bernhard vindt dat die ontbreekt, hoorde ik onderzoeksjournalist Michiel Couzy op Radio1 uitleggen. Privé bezit de prins slechts 96 panden en sinds 2006 heeft hij „geen pandjes” meer gekocht. Weliswaar bezit hij in totaal bijna zeshonderd panden, maar dat is samen met een zakenpartner.

Opmerkelijk taalverschijnsel: de meeste mensen huren of bezitten een huis, rijke investeerders hebben pandjes. Dat is een vastgoedeufemisme voor bijvoorbeeld een pand met vier of vijf woonlagen in steden als Amsterdam.

Zelfs als de PvdA besluit om de Prins Bernhard-belasting te hernoemen, zal die naam in de spreektaal blijven voortbestaan. Reden: iedereen snapt meteen wat ermee wordt bedoeld. Dat komt doordat deze prins al de naam heeft van een al te gewiekste zakenman.

Overigens zijn er al eerder Oranjes vernoemd. Volgens de Dikke Van Dale betekent wilhelmina-vooruit ‘vrouw met een grote boezem’. Dit naar koningin Wilhelmina (1880-1962), hoewel ook de vooroorlogse Amsterdamse voetbalclub Wilhelmina Vooruit een rol heeft gespeeld. Lubberende onderarmen bij oudere vrouwen heten naar koningin Juliana (1909-2004) onder meer prinses Juliana-armen, juliaantjes of juliana-armen.

Huisjesmelker. Iets heel anders nu: een korte geschiedenis van de woorden huisjesmelker en huisjesmelken. De vroegste vindplaats voor huisjesmelker is toevallig 2 december 1846, vandaag 174 jaar geleden. Kleine huisjesmelkers in Den Bosch legden toen geld bij elkaar om arme bewoners die de huur niet konden betalen er voor gemeenschappelijke rekening uit te laten zetten.

Het woord sloeg snel aan. De uitgever van een „Humoristisch vlugschrift” legde in 1850 in een dagbladadvertentie de herkomst uit. „De Huisjes-Melker is Eigenaar van Huisjes, welke hij aan de Arbeidende Klasse verhuurt. Men vindt hem beschreven zoowel in gesprek over het Verhuren, als bezig met het ophalen der Huurpenningen. Vandaar den bijnaam, dien hij algemeen draagt, omdat hij den armen Bewoner zijner (meest ellendige) Huisjes op alle mogelijke wijzen zoekt te beknibbelen, of wel uittemelken.”

Het werkwoord huisjesmelken dateert van 1882. Men vreesde toen dat de gemeente Amsterdam – dus niet een rijke particulier – zich schuldig zou gaan maken aan deze verderfelijke praktijk.

Zeker in Amsterdam heeft het huisjesmelken een lange geschiedenis. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw exploiteerde Jacobus Mens (1805-1869) veel huizen in de Jordaan. Vanwege zijn scheve mond werd hij Bokkebek genoemd. Een andere bijnaam was Burgemeester van de Willemsstraat. In een koninklijke koets, zo lezen we, bracht hij bezoeken aan die Oranjegezinde straat. Hij heerste er als een brute vorst.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.