Boven: Ibrahim Mahama, A Straight Line Through the Carcass of History 1649, 2016-2019. Onder: Out of Bounds, 2015.

Foto’s Ibrahim Mahama/ Courtesy White Cube

Interview

‘Kunstenaars moeten vanuit een ethischer invalshoek gaan werken’

Ibrahim Mahama De Ghanese kunstenaar Ibrahim Mahama ontving woensdag de grote Prins Claus Prijs voor de manier waarop hij de cultuur in zijn land ontwikkelt. „Als je alleen uitgaat van de traditionele definitie van kunst, dan denk ik niet dat kunst iets kan veranderen.”

‘De mensheid is op haar slechtst geweest, de afgelopen eeuwen”, zegt de geëngageerde Ghanese kunstenaar Ibrahim Mahama. Toch is hij optimistisch over de toekomst, en denkt die als kunstenaar te kunnen veranderen. Woensdag kreeg Mahama de Grote Prins Claus Prijs, die jaarlijks wordt uitgereikt aan personen, groepen of organisaties die met cultuur de ontwikkeling in hun land bevorderen.

In zijn werk gaat het Mahama om falende systemen en om geschiedenissen van mislukkingen. De bevordering van de cultuur zit in de manier waarop hij zijn werken uitvoert: samen met anderen. Daarnaast richtte hij in de Ghanese stad Tamale het culturele centrum Savannah Centre for Contemporary Art op, waar onder meer workshops voor scholieren zijn, en tentoonstellingen van Ghanese kunstenaars worden georganiseerd. „Het geld van het Prins Claus Fonds ga ik gebruiken om het centrum uit te breiden met een onafhankelijke kunstacademie”, vertelt Mahama, aan de telefoon vanuit Ghana.

Mahama werd vooral bekend door zijn installaties met juten zakken, die voor hem symbool staan voor de slechte kant van de globalisering: ze worden in het Oosten gemaakt, en gebruikt voor de export van cacao vanuit Ghana. Als afvalproduct komen ze weer terug in Ghana, waar ze hergebruikt worden als onderlaag voor bedden of om bezittingen in te vervoeren. In 2015 maakte hij indruk tijdens de Biënnale van Venetië met Out of Bounds: de hoge wanden van de Arsenale werden behangen met aan elkaar genaaide juten zakken. Bezoekers liepen er door een eindeloze gang, waar de bedrijfslogo’s, handgeschreven namen en adressen, resten van steenkool, rijst, vet en zweet, schadeplekken, versieringen en reparaties op de zakken de geschiedenis van uitsluiting en armoede uitbeeldden.

Soms pakt hij ook gebouwen in met juten zakken, zoals tijdens de Documenta in Kassel in 2017. Het was het jaar van de economische crisis en Griekenland werd gedreigd uit de EU gezet te worden. Check Point Sekondo Loco 1901-2030 heette het werk waarvoor de historische gevangenpoort in Kassel werd ingepakt met zakken die aan elkaar waren genaaid door Grieken op het Syntagmaplein in Athene. Vanwege dat inpakken wordt Mahama vaak vergeleken met Christo, maar zelf noemt hij als inspiratiebron zijn landgenoot El Anatsui, die ook met gerecyclede materialen en textiel werkte. „Hij is de reden dat ik kunstenaar kon worden. Mijn ouders wisten niet hoe serieus ze het allemaal moesten nemen, maar door catalogi met zijn werk te laten zien, kon ik ze uitleggen hoe belangrijk kunst kan zijn.”

Komend voorjaar zal er werk van hem te zien zijn bij de kunstmanifestatie Sonsbeek in Arnhem. „Daar plaats ik mijn installatie The Parliament of Ghosts. Ik heb er twee eerder gemaakt: eentje in Ghana, dat is een stenen gebouw in mijn studio, en een in Manchester. Daar plaatste ik oude stoelen uit Ghanese treinwagons die ooit uit Manchester en Leeds kwamen, er stonden gevulde archiefkasten bij. Ik ben geïnteresseerd in verlaten plekken, die economisch of maatschappelijk mislukt zijn. Ik vond dat ook wel gepast, met de Brexit op komst. Ik vind het namelijk weinig gevoelig dat je na eeuwen van exploitatie overzee nu je grenzen dichtgooit. Er is een gedeelde geschiedenis en deze tijd vraagt om pogingen de boel juist bij elkaar te houden.”

Lees ook: Prins Claus Prijs winnares Kamala Ishag: ‘Neem nooit een dag pauze’

Waarom is een gedeeld verleden relevant?

„Omdat leefomstandigheden niet aan grenzen zijn gebonden. Er zijn genoeg momenten in de geschiedenis waar huidskleur er niet toe deed. Toen Afrika werd gekoloniseerd, leefden er in Europa veel mensen onder vergelijkbare omstandigheden. Over het geheel genomen, in elke tijd, heeft het grootste deel van de wereldbevolking het moeilijk. Deze tijd vraagt meer dan ooit dat we ontsnappen aan de individualistische, kapitalistische benadering. We moeten op zoek naar manieren om de levens van mensen over de hele wereld te verbeteren. Ik ben opgegroeid in een tijd dat veel overheidstaken geprivatiseerd zijn. Dat is verwoestend geweest, en die achtergrond, die geschiedenis, is bepalend voor mijn werk en heeft dus invloed op mijn kunstopvattingen. De afgelopen eeuw hebben we het niet geweldig gedaan. Dat moet beter kunnen.”

Is dat wat u met uw werk wil bereiken?

„Ja. De politieke boodschap in mijn werk is eigenlijk altijd hetzelfde, maar de vorm verandert. Als kunstenaar ben je altijd op zoek naar nieuwe vormen maar uiteindelijk ben ik nooit tevreden over de gekozen vorm omdat er toch maar een deel van het idee in zit.”

Kan kunst, behalve ideeën uitdragen, ook daadwerkelijk iets veranderen?

„Ja natuurlijk, al hangt het er wel vanaf wat je als kunst definieert. Mijn installaties bieden een infrastructuur om gedachten te beïnvloeden, inspiratie te bieden, om iets door te zetten. Als je alleen uitgaat van de traditionele definitie van kunst, en alles laat lopen volgens de gangbare productiesystemen, dan denk ik niet dat kunst iets kan veranderen. Je zal dus eerst het systeem waarbinnen kunst opereert, moeten aanpassen. Dat is wat ik met mijn werk probeer. Enerzijds past mijn werk binnen de gangbare systemen, tegelijkertijd probeer ik die zo te veranderen, dat kunst voor iedereen toegankelijk is.”

Veel van uw werken maakt u met een collectief. Is dat een gebaar tegen het idee van de romantische kunstenaar, de onbegrepen eenling?

„Werken vanuit een collectief is veel sterker. Het probleem is dat de kunstwereld is gericht op individuen en ze verandert in beroemdheden. Er hangt om kunst een air dat het belangrijk is wat een kunstenaar maakt, maar ik denk dat er bij het kunstenaarschap veel meer verantwoordelijkheden komen kijken dan alleen iets te maken. Voor Europese kunstenaars is alles over het algemeen goed geregeld, dus het noodzakelijke idee om te werken vanuit collectiviteit is er niet. Veel kunstenaars nemen het voor lief dat ze al in een systeem zitten dat ze steunt en dat ze alleen maar kunst hoeven te maken. In Ghana worden we gedwongen andere vormen te vinden om ons werk te doen.”

U vindt de manier waarop er in Europa met kunst wordt omgaan te twintigste-eeuws?

„Ja, ik denk dat Europa veel werk te verrichten heeft. Het is goed dat er veel instituten en academies zijn, maar ze zijn nog beperkt in hun beeld van wat een kunstwerk moet uitdragen, welke vorm het kan aannemen of wat kunst kan betekenen voor de samenleving.”

Hoe zouden instituten dat kunnen veranderen?

„Dat begint bij het kunstonderwijs, waar ruimte gemaakt moet worden voor het bijbrengen van ethiek en het nemen van artistieke verantwoordelijkheid. En zoek het ook in andere onderdelen: maak leerlingen bewust van de herkomst van materiaal, van duurzaam ondernemerschap. Dan gaan mensen vanzelf vanuit een ethischer invalshoek te werk en beseffen ze beter welk effect hun werk heeft op de wereld om ze heen.”

U pakte in zowel Ghana als in Europese landen gebouwen in. Wat is het verschil?

„In Ghana is het inpakken in een jutezak iets wat je dagelijks doet. In Europa wordt het vanuit de kunsthoek benaderd – en mensen kennen Christo die al gebouwen inpakte. Mij gaat het niet alleen om de daad van inpakken, maar vooral om het materiaal. Aan jutezakken kleeft een geschiedenis en een economisch verhaal.”

Was u bang dat met het inpakken van standbeelden en historische gebouwen toeschouwers dat zouden kunnen interpreteren als het toedekken van het verleden?

„Nee. Europeanen zijn gewend om puur vanuit een esthetische invalshoek te kijken, maar ze staan ook open voor de bedoelingen van de kunstenaar. Ik pak de gebouwen zo in dat de boodschap die ik heb duidelijk is.”

Zit u ermee dat uw werk vaak vergeleken wordt met dat van Christo?

„Nee, in het geheel niet.”

Wat vindt u van zijn werk?

„Wat me bij hem vooral interesseert, is de houding die hij als kunstenaar aanneemt, het productiesysteem. Hij heeft zijn werk altijd zelf gefinancierd. Wat hij wilde, leek elke keer onmogelijk en toch slaagde hij er vaak in. Hij liet me zien dat het mogelijk was zo te werken.”

Lees ook: Als je regering de kunst haat, bouw dan een vrijhaven

In een interview in ‘The Guardian’ had u het erover dat u ook wilt laten zien wat er mislukt is. Om welke mislukkingen gaat het dan?

„Om die van ons allemaal, historische mislukkingen, economische – de mislukkingen van de laatste honderd jaar als het ware, maar ook hoe je mislukkingen kunt gebruiken om iets nieuws te bouwen. Als iets mislukt, wordt het afgestoten en voor lange tijd alleen achtergelaten. Wat achterblijft, neemt nieuwe, vaak spookachtige vormen aan. We besteden er dan geen aandacht meer aan, de natuur neemt het langzaam weer over. Hoewel het me aanvankelijk om de mislukkingen ging, gaat het me nu meer om de beloftes die daarin kunnen liggen.”

Tot slot nog even een heel andere kwestie: hoe staat u in de discussie over roofkunst?

„Natuurlijk zou het goed zijn als kunst die in de koloniale tijd uit Afrika is gestolen wordt teruggegeven, maar de opmerkingen vanuit Europa over het bewaren van die werken zijn ook terecht. Veel regeringen in Afrikaanse landen zouden meer moeten investeren in de kunstinstituten die de werken kunnen conserveren en tonen. Je moet ook investeren in mensen die de gesprekken kunnen aangaan tussen Afrikaanse en Europese musea, en die het werk kunnen plaatsen. Ja, ze komen oorspronkelijk uit Afrika en ja, ze zijn in Europa getoond. Dat betekent dat ze een andere betekenis hebben gekregen. Waren de objecten hier gebleven, dan zou veel vernietigd zijn. Ik heb kunst vernietigd zien worden omdat er niet op de juiste manier mee werd omgegaan. Dat is ook precies wat ik bedoel met de spoken en mislukkingen: ze geven ons nieuw begrip op de verbanden die er zijn.”