De zorg blijft een stroperige wereld voor de doener Hugo de Jonge

Volksgezondheid Hugo de Jonge is sinds maart fulltime ‘chef corona’. Maar de taaie problemen in de zorg zijn niet verdwenen.

CDA-minister Hugo de Jonge
CDA-minister Hugo de Jonge Foto David van Dam

Op woensdagavond 18 maart kwam het ministerschap van Hugo de Jonge (CDA) op z’n kop te staan. Collega Bruno Bruins (VVD), toen nog ‘chef corona’, zakte in elkaar in de Tweede Kamer. De Jonge werd manager van de grootste, recente crisis in de zorg. Sindsdien domineert corona zijn agenda. Voor de crisis was De Jonge al tweeënhalf jaar minister. Wat heeft hij, ondanks corona, voor de zorg bereikt?

Toen hij eind 2017 minister werd, wilde hij rust in de tent. Geen nieuwe grote stelselwijzigingen na de ingrijpende bezuinigingen en hervormingen – waaronder de decentralisaties en sluiting van de verzorgingshuizen – van Rutte II (VVD en PvdA). „Nieuwe hervormingen zijn niet nodig, wel verbeteringen”, stond in het regeerakkoord van Rutte III. De Jonge koos ouderenzorg als belangrijkste thema, en herhaalde in debatten en interviews eindeloos zijn credo: minder marktwerking, meer samenwerking.

De ‘Rotterdamse aanpak’

De Jonges aanpak was niet typisch Haags. Als oud-wethouder van Rotterdam gelooft hij meer in het snel oplossen van praktische problemen dan in langdurige wetgevingstrajecten. Hij stelde in recordtempo een reeks actieprogramma’s op die problemen moesten aanpakken, van eenzaamheid tot bureaucratie. Het resultaat van die programma’s vol ronkende woorden blijft lastig te bepalen. De Jonge probeerde vanaf het begin van zijn ministerschap twee dagen per week aan werkbezoeken te besteden. Dit laatste leverde hem veel goodwill op in het veld, zegt voorzitter van ouderenzorgkoepel Actiz, Henk Kamp. „Hij is heel zichtbaar en betrokken en daardoor goed geïnformeerd.”

Lees ook dit profiel van Hugo de Jonge uit 2018: Een minister van grote woorden

Als minister van ouderenzorg erfde hij een investering van twee miljard in de verpleeghuizen, in gang gezet door staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA). Het extra geld moest de kwaliteit van zorg in de verpleeghuizen verbeteren, dat is door het aantrekken van extra personeel zeker gelukt. Kamp vindt het jammer dat De Jonge strikt vasthield aan de eis dat 85 procent van het geld naar personeel moest gaan. „Er was daardoor onvoldoende ruimte te investeren in innovatie”, zegt Kamp, die belangrijk is omdat er in de toekomst steeds minder personeel is voor steeds meer zorgbehoevende ouderen.

De wachtlijsten voor de verpleeghuizen zijn de afgelopen jaren alleen maar verder gestegen: zo’n 20.000 kwetsbare ouderen wachten op een plek. Dat corona in de tehuizen dit voorjaar voor duizenden doden zorgde, was voor De Jonge pijnlijk en voer voor een toekomstige parlementaire enquête.

De Jonges analyse dat ouderen zelfredzamer worden en langer thuis willen wonen, vond steun in de zorgsector. De thuiszorg voelde zich achtergesteld bij de verpleeghuizen. Op een belangrijke voorwaarde voor langer thuis wonen, voldoende geschikte woonvormen voor ouderen, boekte het kabinet te weinig resultaat.

Veelkoppig monster

Het grootste probleem van de zorg, het personeelstekort, bleek ook voor dit kabinet een „veelkoppig monster”, zegt Doekle Terpsta. De oud-CNV-voorzitter leidde de afgelopen jaren de commissie Werken in de zorg die door De Jonge werd ingesteld. De minister liet zien het thema serieuzer te nemen dan zijn voorgangers, vindt Terpstra, en stelde er ook bijna een half miljard voor beschikbaar. Desondanks is het personeelstekort „minimaal afgenomen”, zegt Terpstra. Eind vorig jaar bereikte het aantal zorgvacatures volgens het CBS een nieuw hoogtepunt van rond de 40.000.

De Jonge benadrukt graag dat de instroom in de zorg is gegroeid. Dat klopt: de afgelopen jaren groeide het aantal werknemers volgens het UWV met 8 procent naar ruim 1,1 miljoen. Maar de uitstroom is problematisch hoog: volgens Terpstra verlaat zo’n 40 procent van de instromers binnen twee jaar de zorg weer. De werkdruk is te hoog, de inspraak en ontwikkelmogelijkheden van verpleegkundigen te klein. Een probleem dat ook de sector zelf kenmerkt en de politiek niet zomaar oplost, erkent Terpstra. Dat De Jonge na de coronacrisis de salarissen niet direct structureel verhoogde, verwijt Terpstra hem niet. „Het probleem zit veel dieper dan salaris.”

Een van de weinige keren dat De Jonge wél voor een ingrijpende wetswijziging koos, in de jeugdzorg, liep dat niet soepel. Hij joeg vorig jaar de gemeenten tegen zich in het harnas, die in 2015 verantwoordelijk werden voor de jeugdzorg en niet weer op een ander systeem zitten te wachten.

Met aanpassing van de Jeugdwet wil De Jonge meer regionale samenwerking tussen aanbieders afdwingen. Het verzet in de sector en Kamer is zo groot, dat het de vraag is of de wet het in de huidige vorm gaat halen. Het hoofdpijndossier ligt inmiddels op het bordje van staatssecretaris Paul Blokhuis (ChristenUnie), die door de coronacrisis de jeugdzorg van De Jonge overnam.

Wildgroei

De Jonge wilde de jeugdzorg hervormen vanwege zijn vaak uitgesproken ambitie voor meer samenwerking en minder markt. De praktijk is weerbarstig: zijn eigen nieuwe CDA-verkiezingsprogramma signaleert nog steeds „een wildgroei” aan nieuwe bedrijfjes in de jeugdzorg. In debatten over de thuiszorg beklaagde hij zich vaak over de veelheid aan verschillende bedrijfsbusjes voor een gemiddelde seniorenflat. Dat probeert hij aan te pakken door via een nieuwe wet de vele thuiszorgbedrijven scherper te controleren.

De marktwerking fundamenteel aanpakken, daar slaagde De Jonge niet in. Hierbij zat zijn keuze om het productiegedreven concurrentiestelsel niet opnieuw te willen veranderen, in de weg. Plus een pandemie die hem een jaar minder de tijd gaf zijn ambities waar te maken, en die vermoedelijk vele malen zwaarder op zijn erfenis als bestuurder zal drukken.