Recensie

Recensie Beeldende kunst

Paula Modersohn-Becker: schilder met een brutaal onderzoekende blik

Tentoonstelling ‘Mijn werk gaat niet over idealen of dromen’, schreef schilder Paula Modersohn-Becker zelfbewust. Het Kunstmuseum in Den Haag heeft een kleine, maar piekfijne expositie met haar werk.

Paula Modersohn-Becker, Zelfportret met hoed en sluier, 1906-1907. (67,5 x 57,5 cm).
Paula Modersohn-Becker, Zelfportret met hoed en sluier, 1906-1907. (67,5 x 57,5 cm). Foto Kunstmuseum Den Haag / Alice de Groot

Een groter contrast is niet denkbaar tussen het suikerzoete oeuvre van de Zweedse salonkunstenaar Anders Zorn en dat van de Duitse vrijgevochten schilder Paula Modersohn-Becker. Van Zorn is nu een groot, over vele zalen van het Kunstmuseum uitwaaierend retrospectief in Den Haag te zien. In de luwte daarvan is een kleine, maar piekfijne presentatie van Modersohn-Becker ingericht rondom het net gerestaureerde en in volle schittering van kleuren te bewonderen Zelfportret met hoed en sluier (1906/1907).

Beide kunstenaars zetten de eerste schreden op het professionele pad tijdens het fin de siècle van de negentiende eeuw. Zorn leefde tot 1920. Modersohn-Becker stierf een paar weken na de geboorte van haar dochter in 1907. Maar wat een verschil, in mentaliteit, originaliteit, onderwerpskeuze en hand van schilderen.

Op een van de laatste foto’s van Modersohn-Becker uit de vroege zomer van 1907, kijkt ze als een straatmeid in de camera. Het uitdagende zit ’m in de elleboog waarmee ze tegen haar man leunt – alsof hij een deurpost is –, in de pose waarmee ze haar opgezwollen lichaam vrijmoedig toont, en in haar brutaal onderzoekende blik aan de kijker.

Gespleten leven

Modersohn-Becker – het huwelijk met kunstenaar Otto Modersohn was geen vanzelfsprekendheid – leefde een gespleten leven. Enerzijds hield ze van de rust en de ruimte in het tussen hei en veen gelegen kunstenaarsdorp Worpswede waar ze met haar man en stiefdochter woonde. Anderzijds smachtte ze naar vertier en vernieuwing. Parijs, de stad waar alles gebeurde, waar alle interessante kunstenaars samenkwamen, was haar tweede liefde. Daar trok ze regelmatig in haar eentje naartoe.

Paula Modersohn-Becker, Portret van een boerin, 1899-1902.
Foto Kunstmuseum Den Haag
Paula Modersohn-Becker, Portret van een boerin, 1899-1902.
Foto Kunstmuseum Den Haag

Haar schilderijen – veel zelfportretten – onderscheiden zich door hun kleurgebruik, hun bijna abstracte vlakindeling en de decoraties die geen achtergrond zijn maar onderdeel uitmaken van de voorgrond. In Den Haag zijn twee van die bijna ‘platte’ zelfportretten te zien. Daarnaast zijn er twee prachtige olieverven op karton, en schitterende etsen.

Ruigheid

Het opmerkelijke is dat Modersohn-Beckers schilderijen ‘ruig’ zijn: er is niets verfijnds aan de kwaststreek, er is niets gepoetst of mooier gemaakt – en dat maakt haar modern. Die ruigheid staat in contrast met de sierlijkheid waarmee ze de eenvoudige boerenbevolking etst. Een oude, blinde vrouw die als een magische verschijning door een bos beweegt, een oude ganzenhoedster achtervolgd door hongerig gakkende ganzen. En natuurlijk zijn er de dorpskinderen die Modersohn-Becker niet als geïdealiseerde roze cupido’s verbeeldt, maar ze in snelle zwarte krijt etst en schildert zoals ze zijn: schuchter, met scheve gezichten en verwrongen houdingen.

‘Mijn werk gaat niet over idealen of dromen’, schreef ze zelfbewust. Haar werk ging over ‘het wezenlijke’ in haarzelf. Dat wezenlijke omschreef een van haar beste vrienden, de dichter Rainer Maria Rilke, treffend in zijn gedicht Der Schauende (1901). Paula Modersohn-Becker wilde zich nooit laten ‘bedwingen door de grote storm’. Ze wilde nooit ‘wijd en nameloos’ worden, zoals ‘de dingen’ dat zijn. En dat, zo blijkt uit deze kleine presentatie in Den Haag, werd ze niet.

Paula Modersohn-Becker, Het ganzenhoedstertje, ca. 1900.
Foto Kunstmuseum Den Haag
Paula Modersohn-Becker, Het ganzenhoedstertje, ca. 1900.
Foto Kunstmuseum Den Haag