Foto Lars van den Brink

Interview

Sonja Barend: ‘De toekomst is kort, dat is geen fijne gedachte’

In haar nieuwe boek De appel in het paradijs wisselt Sonja Barend scherpe observaties over bekende landgenoten af met mijmeringen over de anderhalvemetersamenleving en hoe het is om tachtig te zijn.

De doos met exemplaren van De appel in het paradijs is nog maar vijf minuten geleden bezorgd. Het is de eerste keer dat Sonja Barend haar nieuwe boek in handen houdt. Ja, dat ziet er mooi en verzorgd uit, vindt ze zelf ook. Wat de oplage is? „Weet je dat ik geen idee heb?”, zegt ze, oprecht verbaasd, terwijl ze koffie maakt in de keuken van haar huis in Amsterdam. „Dat heb ik helemaal niet gevraagd.”

Lees ook: Sonja Barend, het prototype van de moderne vrouw

Het boek was ook eigenlijk een idee van haar uitgever. Tijdens een lunch vertelde Barend aan Francien Schuursma van De Bezige Bij dat ze soms de tijd mist waarin ze nog televisieprogramma’s maakte. „Niet zozeer het maken van dat programma, hoe fijn dat ook was. Ik miste vooral die uitlaatklep. Dat je je overal mee kunt bemoeien. Je zit de krant te lezen en denkt: hè? Is dat echt zo? Bel daar ‘ns achteraan, zoek dat ‘ns uit. Toen corona uitbrak zat ik hier voor het raam, uitkijkend over deze prachtige Amsterdamse gracht. Met Abel [haar man] in de buurt. Ik zou met hem de komende tien jaar makkelijk hier in huis kunnen doorbrengen. Maar we hebben ieder maar één gesprekspartner. Vroeger stond ik middenin het leven. Alles was bespreekbaar, alles kon een onderwerp zijn. Dat was een ongelofelijk heerlijk onderdeel van mijn leven. Daarom zei Francien: waarom maak je geen boek over al die invallen en onderwerpen die je anders met je redactie had besproken?”

Voor ze het wist zat ze al achter haar laptop. En de invallen bleven maar komen. Aanvankelijk was De appel in het paradijs dan ook veel dikker. Ongeveer alles kwam voorbij; van de teloorgang van de HEMA tot de dubbele moraal van Booking.com. „Daardoor bleef het toch teveel aan de actualiteit hangen. Mijn redacteur Suzanne Holtzer heeft er uiteindelijk veel sloopwerk aan gehad.”

Wat overbleef is een klein maar fijn boekje, met poëtische overpeinzingen over de duiven in de iep in Barends tuin, mijmeringen over de dilemma’s van de anderhalvemetersamenleving, maar ook scherpe observaties over het haperend moreel kompas van sommige landgenoten, zoals: ‘John de Mol schijnt een vermogen van drie miljard euro te hebben. Zelfs als hij honderd miljoen zou aanwenden om zijn personeel niet naar huis te sturen, zou hij het niet merken. Zou dat in die Gooise kringen tijdens een kopje koffie wel eens bij broer en zus zijn opgekomen?’

Bij het maken van haar vorige boek Je ziet me nooit meer terug merkte Barend hoezeer het schrijven haar beviel. „Ik vind het een enorm fijne manier om mezelf uit te drukken. Vroeger dacht ik altijd dat ik daar anderen voor nodig had. Maar ik bleek het in mijn eentje achter mijn laptop erg naar mijn zin te hebben. Voor schrijven heb je niemand nodig, alleen je eigen hoofd.”

Bedoelt u ook dat u hier meer zelf in zit dan in al die programma’s?

„Nee, dat bedoel ik zeker niet. Want schrijvers kunnen iets wat ik niet kan: zelf iets bedenken. Daar bewonder ik ze mateloos om. Kijk naar dat oeuvre van A.F.Th. van der Heijden; waar haalt die man het vandaan? Wat zijn dat voor hoofden…. Dat lukt mij niet. Ik heb de werkelijkheid nodig.”

Corona speelt een grote rol in het boek. Aanvankelijk was ze nog heel optimistisch. „Ik dacht: er komt vast snel een vaccin. Met een maandje of twee is het leed vast weer geleden. En ik rekende totaal niet op die idiote tegenstand van allerlei groeperingen. Het is alsof steeds meer mensen besmet zijn geraakt met het Trump-virus: wat mij niet bevalt, bestaat niet. Ik vind het ongelofelijk hoe onverdraagzaam mensen zijn geworden.” Barend zag ook met verbijstering hoe Jort Kelder op televisie verkondigde: „We zijn tachtigplussers die te dik zijn en gerookt hebben aan het redden. [..] Hoeveel economische schade is ons dat waard?” Ze kan er nóg kwaad om worden. „Ik vond dat zó erg… Dat iemand zo egocentrisch en grof kan denken en dat ook nog ‘ns hardop durft uit te spreken. Jort loopt zelf ook al tegen de zestig. Maar als hij toevallig zelf tegen corona oploopt gaat hij het ziekenhuis in. En dan staan al die mensen voor hem klaar. Hoe onheus hij ze ook beledigd heeft omdat hun grootvader ook een dikke oude man is die af en toe een sigaartje opsteekt. Hij wil graag laten zien dat hij van de economie is. De beste vriend van Mark Rutte. Ik ben zó blij dat Rutte niet alle goede raad van zijn beste vriend opvolgt. Die is tenminste nog verstandig.”

Je schrijft dat Abel vond dat Kelder het weliswaar grof verwoordde, maar wel gelijk heeft.

„Daar hadden we veel discussie over. Abel zegt: de hele economie gaat kapot. Laat die jonge mensen gewoon blijven werken, dan blijven wij wel binnen. Oppervlakkig gezien heeft hij daar gelijk in. Maar we zien toch ook hoe jonge mensen volop andere mensen aansteken. Ook die mensen die voor hun klaarstaan in de ziekenhuizen. Volgens mij is de basisregel bij zoiets groots dat iedereen solidair moet zijn.”

Spraken jullie er ook over wat er zou moeten gebeuren wanneer een van jullie ziek zou worden?

„Uiteraard. Al waren we daar snel over uitgepraat. We hebben samen een prachtig leven achter de rug. Zolang we gezond zijn hopen we dat vol te houden. Maar als het er werkelijk op aankomt zeg ik: laat iemand die jonger is maar voorgaan. Al zou ik me voor Abel te pletter zoeken naar een bezemkast waar misschien toch nog een IC-bedje zou kunnen staan.”

U werd in februari tachtig. In uw boek schrijft u: „Oud worden en oud zijn, ik geniet ervan”. Waar zit dat genot in?

„Dat je bijna alles in het leven beter begrijpt. Vroeger dacht ik: ik wil later niet zo’n oud verschrompeld mens worden. Nu ik dat eenmaal bén kan ik je zeggen: het valt reuze mee. Oud worden, ik kan het iedereen aanraden.”

Ze kijkt met verbijstering naar hoe oude mensen op televisie worden neergezet. „Alsof de ouderdom een schrikbeeld is. Je ziet nooit leuke oude mensen die naar hun leesclub gaan, die de kleinkinderen van school halen of op weg zijn naar het Stedelijk Museum. Ze zitten altijd in hun rolstoel bingo te spelen, in achterlijke kleren. Nooit een potje schaak. Het idéé dat ik later met een pluche beertje tegen mijn borst kinderliedjes zit te zingen. ‘En mevrouw Barend, lust u nog een glaasje limonade?’ Rot op!”

Haar bestaan is er met het klimmen der jaren eigenlijk alleen maar leuker op geworden. „Toen ik Abel leerde kennen – veertien dagen voor mijn 41e verjaardag – begon voor mij het echte mooie leven. Ik kreeg er wel meteen een hele familie bij; niet alleen een man, maar ook drie dochters. Ik heb ongelofelijk mijn best gedaan om het goed te doen, met dat hele gezin. Daardoor reageer je veel te krampachtig. Als ik dat wat meer had losgelaten was het veel makkelijker verlopen. Gelukkig is het allemaal goed gekomen. Maar als ik terugdenk aan hoe ik toen was zeg ik: kom op Barend, doe even rustig, zeg! Dat is het mooie aan ouder worden: je kunt de dingen beter plaatsen. Nu weet ik dat ik soms gewoon wat losser in het leven had moeten staan. Ook in mijn werk. Iedere minuut van mijn werk wilde ik alles in de hand houden. Ik heb altijd verschrikkelijk mijn best gedaan. En daardoor kreeg ik heel vaak het gevoel dat ik tekortschoot. Altijd maar weer denken: het kan beter.”

Stond dat het genieten in de weg?

„Vaak wel. Ik genoot ook van mijn werk, hoor. Maar ik zag tegen iedere uitzending op. Ik bereidde me idioot goed voor. Ik durfde die schrijver echt niet te interviewen zonder dat ik eerst al zijn boeken gelezen had. Terwijl je ook kunt denken: wat kan er nou helemaal misgaan? En áls het misgaat, hoe erg is dat dan? Ik vond bepaalde gasten bij voorbaat verschrikkelijk moeilijk. Bij Barend & Witteman deden Paul Witteman en ik om beurten de uitzending. Als mijn eindredacteur dan zei: woensdag hebben we die en die politicus, zei ik: „hè get, laat Paul dat alsjeblieft doen. Daar is hij veel beter in”. Dan zei hij: “nee, maar ik wil juist dat jij het doet”. En vaak ging dat dan toch heel goed.’

Lees ook: Een interview zonder woorden met Sonja Barend

U beschrijft in uw boek dat u Hans van Mierlo in uw programma te gast had, toen hij in 1998 uit de politiek stapte. U vroeg hem wat er van zijn idealen terecht was gekomen. En hij zei: niet één.

„Ja. Verbijsterend he?”

Hoe is dat bij uzelf?

„Ik ben begonnen met niks. Ik ging naar de MULO. Vanaf de eerste dag vond ik het verschrikkelijk dat ik daarnaartoe moest, want ik wilde heel graag verder leren. Maar mijn ouders dachten: het is een meisje. Bovendien was de school om de hoek. Dan hoefden ze geen fiets te kopen. Toen ik later de avond-HBS deed verwachtte ik dat het leven zich alsnog voor mij zou openen. Dat gebeurde niet. Ik kreeg baantjes die ik vreselijk vond. Maar ik bleef op zoek naar iets wat ik spannender en leuker vond. Uiteindelijk ging ik een opleiding volgen voor het afnemen van beroepskeuzetests. Op dat bureau werden ook mensen getest voor de omroep. En op een dag vroeg iemand die bij Santbergen zat (in die tijd het opleidingsinstituut voor de omroep) of ik daar misschien wilde komen werken. Zo ging het balletje uiteindelijk toch rollen. Dus ik had geluk, maar ook omdat ik zelf op zoek ben gegaan.”

Het leven is goed voor haar geweest, benadrukt ze. Ondanks de treurige familiegeschiedenis van haar weggevoerde vader en haar vaak haperende gezondheid. „Daar verander je nu eenmaal weinig aan. Ik ben gewoon een haperende oude auto. Maar zolang ze m’n onderdelen kunnen vervangen kan ik lang mee. Ik heb echt een fantastisch leven. De treurnis van oud worden is alleen dat je weet dat het niet zo zal blijven. De toekomst is kort. Dat is geen fijne gedachte. Als wij hand in hand door het park lopen en elkaar wijzen op iets moois, weten we allebei precies waar we aan denken: op een dag loop ik hier alleen. Tegelijkertijd intensiveert dat het geluk. We weten dat we van elke minuut moeten genieten. Abels moeder is 91 geworden. Ze kwam vaak vanuit Israël bij ons op bezoek. Als we haar na een tijdje weer naar Schiphol brachten riep ze altijd: ‘jongens, als ik niet meer terugkom, weet dan dat ik een geweldig leven heb gehad.’ Voor mij geldt precies hetzelfde.”

Correctie (1 december 2020): aanvankelijk stond A.F.Th. van der Heijden vermeld als Alfabet van der Heijden. Dat is gecorrigeerd.