Minister Hugo de Jonge: „Ik wil delen met Nederland wat we weten, waar we naar toe gaan.”

Foto David van Dam

Interview

‘We hebben de hele crisis moeten improviseren’

Hugo de Jonge In 2020 werd Hugo de Jonge coronaminister én CDA-partijleider. De coronacrisis leerde hem dat zijn ministerie de grip op de zorg is kwijtgeraakt. „Iedereen is een beetje verantwoordelijk en daarmee niemand.”

In Den Haag was de afgelopen maanden te zien dat coronaminister Hugo de Jonge steeds minder vaak te voet en steeds vaker in zijn dienstauto bij de Tweede Kamer arriveerde. Toen hij op een vrijdag eerder dit jaar naar het ministerie van Algemene Zaken liep voor de ministerraad, werd hij door een menigte die hem buiten opwachtte uitgescholden. „Landverrader”, werd er geroepen, en „kinderverkrachter”. De beelden werden gedeeld op sociale media. De Jonge zelf wil er in zijn werkkamer op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet al te veel over kwijt. „ Dat lokt nieuwe reacties uit.” Dit wil hij wel kwijt: het aantal bedreigingen is de afgelopen maanden „enorm toegenomen”. „Het klimaat is verhard, daar heb ik mee te maken en dat is niet makkelijk. Het raakt ook mijn familie, dat laat me niet koud. Maar ik laat me niet afleiden door dit type intimidatie.”

Voor het eerst kijkt De Jonge in een interview uitgebreid terug op dit jaar én vooruit naar komend jaar. Zijn conclusie over het Nederlandse zorgstelsel en de onmacht van zijn eigen ministerie is hard: „Ons stelsel is niet opgewassen tegen een pandemie.” De Jonge is wel optimistisch over coronajaar 2021: in het voorjaar, denkt hij, zijn we van „de meest beperkende maatregelen” af door vaccinatie en massaal testen.

Aan het Binnenhof werd maandenlang gefluisterd dat De Jonge ieder moment kon omvallen. Zijn wallen werden steeds donkerder, zijn gezicht steeds grauwer. Hij moest zijn ministerschap, het coronadossier en zijn vicepremierschap combineren met een woelige lijsttrekkersverkiezing bij het CDA. Die won hij maar nipt van Kamerlid Pieter Omtzigt. In de partij zorgt dat achter de schermen nog steeds voor onrust. Zelf zegt De Jonge nog altijd „veel energie” te hebben.

Het valt op dat u bij debatten in de Tweede Kamer sinds kort koffie heeft vervangen door muntthee.

„Als ik de hele dag koffie drink dan slaap ik zo slecht. Dat kan ik me niet veroorloven. Muntthee helpt. Wat ook helpt: meer sporten. Ik liep altijd hard in het weekend, nu doe ik dat ook op woensdagochtend.”

U gaat ook weer naar de zonnebank.

„Daar ben ik nooit mee gestopt. Ik ga eens in de paar weken. Nu weten jullie alles van me.”

Om de week, meestal op woensdag, moeten De Jonge, premier Mark Rutte (VVD) en minister Tamara van Ark (Medische Zorg, VVD) met de Tweede Kamer in debat over het coronabeleid. De Jonge ziet de polarisatie in de samenleving ook daar terug. „Eerst was iedereen zo onder de indruk van hoe immens groot deze crisis is. Inmiddels is de toon scherper, er wordt minder gezocht naar verbinding en gemeenschappelijke grond.’’

Die scherpe toon richt zich ook op u. PvdA-leider Lodewijk Asscher zei na de zomer: „de brandweer was niet aan het blussen, maar die ging op vakantie.”

„Dat zegt iets over de stijl waarmee Asscher politiek wil bedrijven.” De Jonge, domineeszoon, citeert uit de Bijbel. „Het is ook een kwestie van: ieder in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Ik weet dat ik de hele vakantie heb doorgewerkt, en ook nog eens eerder ben teruggekomen.

Wat vindt u van het vergadertempo?

„Ik leg graag verantwoording af, maar de intensiteit van die debatten is echt te hoog. Het leidt af van het werk dat het kabinet te doen heeft. Dat geldt ook voor het departement dat die debatten moet voorbereiden. Straks zitten wij hier alleen maar Kamerbrieven te schrijven.”

U vindt het te veel?

„Veel te veel. Veel meer dan ze in het buitenland doen. Maar het is aan de Kamer om die keuzes te maken, die respecteer ik.”

Die debatten zijn er ook voor kritiek op uw beleid. De Kamer controleert.

„Zeker, bij alle kritiek moet je je afvragen: helpt dit ons? Kunnen we hier iets mee? Je moet de kritiek ontdoen van alle partijpolitieke profilering. Maar de weerbarstigheid van de uitvoering staat niet altijd evenzeer op het netvlies van Kamerleden. Een motie is makkelijk getypt. Een uitspraak is makkelijk gedaan: regel dit, regel dat. Het daadwerkelijk waarmaken van zoiets is veel complexer.”

Dan naar de actualiteit. Overal in Europa worden voorbereidingen getroffen voor massale vaccinatiecampagnes. In Duitsland zijn al tal van locaties aangewezen en werd deze week proefgedraaid omdat de eerste vaccins mogelijk al in december geleverd worden.

Stel dat lukt, wat is dan uw plan?

„Onze verwachting is dat in de eerste maanden van 2021 de vaccinatie op gang komt. Wij zijn er net zo klaar voor als andere landen. Omdat we de kwetsbare groepen eerst willen vaccineren kiezen we voor de bestaande infrastructuur voor de griepvaccinatie: via zorginstellingen en huisartsen. Het is logistiek een hele grote klus, maar zodra het spul op Nederlandse bodem staat gaan we op hele korte termijn over tot vaccinatie.”

Hoeveel sporthallen heeft u al gehuurd?

„Die hebben we voorlopig niet nodig. We beginnen met verpleeghuisbewoners, die moet je vaccineren in de instelling. We moeten wel wendbaar zijn. Stel dat bij de meest kwetsbare groepen het eerste vaccin dat geleverd wordt niet goed werkt, dan moet je misschien kiezen voor ringbescherming: hun verzorgenden en mantelzorgers eerst.”

Dan hebben we toch wel sporthallen nodig?

„Nee, die zijn echt voor de grote groep gezonde mensen van onder de 60 jaar. Dat doet de GGD, die heeft ervaring met grootschalige vaccinatie. Maar voordat we naar die meer massale vaccinatie toe gaan zijn we echt een paar maanden verder.”

Hoeveel personeel is er nodig voor het vaccineren?

„Dat ligt bij de verschillende uitvoerders.”

Is er niet meer landelijke aansturing nodig?

„Dat gaat via het RIVM. Wij zijn opdrachtgever voor het RIVM, dat stuurt de verschillende uitvoerende partijen aan. Ook afspraken over personeel gaan via die uitvoerende partijen.”

Het RIVM zei deze week: we weten niet precies hoeveel personeel er nodig is. Komt het vanzelf goed?

„Nee, maar het RIVM maakt nu de afspraken, met bijvoorbeeld de GGD. Dus ja, er is centrale regie, maar ook decentrale uitvoering, omdat je dan op de meest praktische manier de eerste doelgroepen kunt gaan vaccineren. Hoeveel personeel er nodig is hangt af van de volgorde der dingen. Aan allerlei scenario’s wordt gewerkt.”

De Jonge heeft vaccinatie steeds „de beste troef” genoemd om uit de coronacrisis te komen. Maar verschillende onderzoeken lieten de afgelopen weken zien dat de vaccinatiebereidheid helemaal niet zo hoog is en zelfs daalt: tussen de 40 en 60 procent van de Nederlanders zegt nu zeker een prik te gaan halen. De Jonge noemt dat „reden tot zorg”.

Wat gaat u doen om de vele twijfelaars te overtuigen?

„We zullen binnen enkele weken starten met een voorlichtingscampagne. Het is voor een belangrijk deel een kwestie van informeren. Er zit veel aarzeling bij mensen, ze denken: het gaat zoveel sneller dan normaal, kan dat wel veilig zijn? Ja, dat kan, er zijn heel veel redenen waardoor het heel veel sneller gaat dan normaal. Er wordt gebruik gemaakt van vaccins die al in ontwikkeling waren, farmaceuten hebben met man en macht al hun onderzoekscapaciteit ingezet. Dat verhaal is heel belangrijk om te vertellen.”

Helpt een overheidscampagne als er ook wantrouwen is jegens de overheid?

„Ik denk dat de overheid nooit de enige afzender moet zijn. We hebben een vaccinatiegraad van ongeveer 70 procent nodig om groepsimmuniteit op te bouwen. Dat wil niet zeggen dat een deel van de samenleving de luxe heeft om bij die 30 procent te horen. Het kan heel goed zijn dat het bij mensen met een kwetsbaar immuunsysteem minder werkt. Dus niemand kan denken: ik laat de anderen mij wel beschermen.”

Hoe kunt u mensen verleiden? In de Kamer sprak de VVD over gevaccineerden ‘belonen’, een soort indirecte vaccinatieplicht.

„Het hele woord plicht hoort gewoon niet in één zin met vaccinatie. Dat ondermijnt juist het draagvlak. Ook voordelen bieden maakt mensen argwanend. Het woord ‘voordeel’ gebruik ik ook niet. Er ligt wel een ethische vraag die we eerder niet kenden. Als er een fase komt waarin een deel van de samenleving gevaccineerd is en een deel nog niet, hoe gaan we daar dan mee om? Neem reizen.

„Je ziet aankomen dat sommige landen om een bewijs gaan vragen dat je gevaccineerd bent. Maar dat betekent niet dat andere instanties dat ook zomaar mogen.”

De Jonge zegt dat Nederland „aan de vooravond van een hele nieuwe fase van de epidemie” staat. Hij heeft grote verwachtingen van de combinatie vaccineren en „hoog frequent testen”.

De Jonge wil dat de testcapaciteit in maart zo groot is dat indien nodig iedere Nederlander zich eens per maand preventief kan laten testen. Dat, samen een steeds verder stijgende vaccinatiegraad, moet ervoor zorgen dat de coronamaatregelen snel kunnen worden afgebouwd.

Is het leven in het voorjaar weer normaal?

„Ik maak een soort planning in mijn hoofd. Stel dat je het meest kwetsbare deel van de samenleving dan hebt gevaccineerd, en het andere, actieve deel van de samenleving massaal kunt laten testen… in die combinatie moet het mogelijk zijn om van de meest beperkende maatregelen afscheid te nemen.”

De Jonge’s ministerie van Volksgezondheid krijgt de laatste maanden veel kritiek. Van binnen én buiten het kabinet. Collegaministers mopperen dat VWS te veel alleen met de virusbestrijding bezig is en te weinig ruimte laat voor de economie.

Het bedrijfsleven klaagt al langer dat het testbeleid veel te laat op orde was en dat de mogelijkheden om snel te kunnen testen nog altijd te beperkt zijn. De Jonge krijgt zelf vaak de kritiek dat hij te stellig is in zijn communicatie en te veel beloften doet die hij niet kan waarmaken.

Bent u te stellig?

„Ik wil delen met Nederland wat we weten, waar we naar toe gaan. Maar zodra ik zeg dat we op een bepaalde tijd ergens hopen te zijn, wordt het ook onmiddellijk een belofte. Mijn les daaruit is dat je altijd met alle slagen om de arm moet communiceren. Er zijn echt wel momenten geweest waarop de communicatie strakker en beter had gemoeten, dat geloof ik zeker.”

Uw stelligheid gaat niet altijd gepaard met actie. Bij het testbeleid bijvoorbeeld. Dat liep na de zomer volledig vast. Nederlandse labs konden het niet meer aan, u moest uitwijken naar Duitsland.

„Achteraf bezien hadden we die contracten met Duitsland al voor de zomer moeten sluiten. Dat hadden we niet gedaan omdat vlak voor de zomer van de testcapaciteit van dertigduizend tests per dag maar de helft werd gebruikt. We dachten dat we het zonder de buitenlandse labs afkonden.”

Waarom is op zo’n moment de gedachte niet: we willen méér hebben klaarstaan in plaats van net genoeg.

„We dachten dat we het ons konden veroorloven. Maar er waren veel tegenvallers: materialen die we niet geleverd kregen, machines die hun werk niet deden. Tegelijkertijd waren de mate en snelheid van mensen die zich wilden testen hoger dan we hadden verwacht na de zomer. Dat is dus geen goede inschatting geweest.”

VWS vertrouwde steeds op de bestaande structuren, bij het testen, bij de GGD’s. Terwijl dat vaak niet snel tot resultaat leidde.

„Ons zorgstelsel is heel decentraal georganiseerd. VWS bemoeide zich voorheen nooit met de testcapaciteit. Als je nu één les moet leren, terugkijkend, dan is het dat ons stelsel niet opgewassen is tegen een pandemie van deze omvang. Het ontbreekt op alle fronten aan de mogelijkheid om de centrale regie te voeren. Dat betekent dat we de hele crisis hebben geïmproviseerd.”

Hoe bedoelt u dat?

„Neem de aansturing van de GGD’s, die volledig regionaal zijn georganiseerd. Er is geen landelijke baas met wie ik afspraken kan maken. Dat maakt het ingewikkeld. Als we de crisis achter de rug hebben moeten we evalueren wat anders moet. Ik vind dat de GGD in een crisissituatie centraal aangestuurd moet worden. En dat geldt ook voor alles wat met capaciteitsplanning te maken heeft in de zorg, of het nu om de testlabs of de ziekenhuisbedden gaat. Die regie is er niet. Iedereen is een beetje verantwoordelijk en daarmee niemand.”

Iedere keer dat u een inschattingsfout maakte, iets niet goed ging, of als u op een keuze terug moet komen, heeft dat consequenties gehad. Kil gezegd: netto overlijden meer of minder mensen door uw handelen. Drukt dat op uw gemoed?

„Dit is het ministerie van leven en dood. Ik heb dat nooit zo intens gevoeld als in deze periode. Natuurlijk is dat zwaar. Het klopt, als je mijn verantwoordelijkheid hebt is het onmogelijk om dat foutloos in te vullen. Er is maar één manier om geen fouten te maken en dat is met je handen in je zakken langs de kant en uit de wind te staan. Daar heb ik niet voor gekozen. Ik ben vol in de storm gaan staan.”