Hoe Nederland met ondeugdelijke informatie de strijd met IS aanging

Bombardement Hawija Te weinig drones, geen eigen ‘ogen’ ter plekke, bondgenoten die een IS-doel snel en compleet willen wegvagen. Onderzoek van NRC werpt nieuw licht op het Nederlandse bombardement op Hawija.

Een Nederlandse F-16 landt op Muwaffaq Salti Air Base in Jordanië, begin 2018.
Een Nederlandse F-16 landt op Muwaffaq Salti Air Base in Jordanië, begin 2018. Foto Jan Dijkstra/Defensie

Juni 2015
Snow City, Jordanië

Op het grote filmscherm in de legerbarak doemen vage beelden op van stedelijk gebied. De bijna tweehonderd toekijkende Nederlandse militairen – mannen en een enkele vrouw – zien de vage omtrekken van een industrieterrein verschijnen, vastgelegd door de infraroodcamera van een naderende Nederlandse F-16. Het is nacht. Het ene moment zijn de omtrekken van gebouwen te zien, het volgende is er niets dan een hel licht van een serie explosies.  De militairen juichen.

Elke donderdagavond kijken ze in het Nederlandse legerkamp ‘Snow City’, midden in de woestijn van Jordanië, samen naar filmregistraties van de bombardementen van die week terug. Een „keek op de week”, noemen ze het.

De explosies die de soldaten deze avond in juni te zien krijgen, zijn groter en feller dan anders. Een „boppeslach”, roept een onderofficier, afkomstig van de luchtmachtbasis Leeuwarden. De Friezen in het gezelschap in de legerbarak herkennen de term uit het kaatsen. Boppeslach: met een relatief kleine klap zo’n effect bereiken dat de tegenstander geen antwoord heeft. Dat is precies wat hier gebeurt, vertelt een hoge militair diezelfde avond tijdens de ‘academics’, het toelichtend praatje bij de filmpjes. Zes precisie-bommen hebben een serie krachtige neven-explosies veroorzaakt. In Hawija, een stad met een naam die op dat moment niet genoemd wordt, hebben ze een grote opslag van honderden autobommen en hoogexplosief TNT vernietigd – 18.000 kilo, zo zal later blijken. Bewakers van IS en andere terroristen die op het terrein rond de opslagplaats liggen te slapen, raken zwaargewond of worden gedood.

De gigantische klap wekt grote voldoening in het Nederlandse legerkamp. Vanaf de oprichting van het IS-kalifaat – de „schofterige ISIS-staat”, in de woorden van premier Rutte – hebben eenheden tienduizenden tegenstanders in Irak vermoord, gemarteld, verkracht. Op de yezidi’s, een volk met een eeuwenoud eigen geloof in het noorden van Irak, plegen ze genocide. Daarnaast inspireert IS volgelingen tot een reeks bloedige aanslagen in Europa en de VS; vele honderden burgers komen om. Bovendien: in januari 2015 verbrandde IS de Jordaanse F-16-piloot Muath Al-Kasasbeh levend – hij was neergekomen in IS-gebied. Al Kasasbeh was een bekende van sommige Nederlandse militairen in Snow City.

Foto Defensie
Legerbasis Snow City in Jordanië, van waaruit Nederlandse F16-vliegers hun aanval inzetten op Hawija in 2015.
Foto’s Defensie

Er is nog een reden voor opwinding in het legerkamp. Twee maanden eerder, in april, heeft een transportvliegtuig de nieuwste generatie bommen afgeleverd waarmee de aanval is uitgevoerd. De GBU-39’s van de Amerikaanse firma Boeing (in 2010 gekocht voor ongeveer 70.000 dollar per stuk, inclusief reserveonderdelen) zijn versneld aangeleverd; de verkopers zijn meegekomen naar Snow City om de eerste ervaringen ermee op te tekenen.

Naarmate IS meer steden inneemt, verplaatst het strijdtoneel zich naar stedelijke gebieden waar de kans op burgerslachtoffers groot is. De gps-geleide GBU-39 kan die kans zo klein mogelijk houden. Dat is ook de bedoeling in Hawija.

Wat zich daar op de grond, in de stad zelf, afspeelt in de nacht van 2 op 3 juni, weet niemand van de militairen. De commandant rapporteert op basis van de eerste luchtbeelden louter materiële schade. Later die week schrijven internationale persbureaus zoals Reuters over zeventig burgerdoden en meer dan honderd gewonden, onder wie tientallen vrouwen en kinderen.

Dat zal later een zeer voorzichtige schatting blijken. Er zijn tientallen vluchtelingen onder het puin omgekomen die in Hawija een goed heenkomen hadden gezocht voor oorlogsgeweld elders, maar die niemand daar kende. In de jaren na de klap, zo is verder duidelijk geworden, kampt een grote groep inwoners van de stad zelf nog steeds met verwondingen en psychische gevolgen.

Hoe kon de aanval op de bommenfabriek in Hawija vanuit militair perspectief zo goed slagen, maar zo desastreus uitpakken voor de stad en haar inwoners? Defensie houdt het op  „onvolledigheid van informatie”. De hoeveelheid opgeslagen munitie in de bommenfabriek was groter dan „bekend was of vooraf kon worden ingeschat”, aldus minister Bijleveld (CDA, Defensie).

Pech en toeval, was kortom de uitleg. Een illustratie van de waarschuwing van de Pruisische generaal Carl von Clausewitz, dat we met oorlog onvermijdelijk belanden in een schaduwrijk van onzekerheden en ambiguïteiten – de ‘fog of war’.

Met zo’n soort uitleg nam de Tweede Kamer geen genoegen, na publicaties van NRC en NOS in februari van dit jaar. Die wezen uit dat de interne onderzoeken waarop de conclusie van Defensie was gebaseerd, grote gebreken vertoonden. De Kamer wilde weten of er niet meer aan de hand was dan het – helaas  – over het hoofd zien van een paar vrachtwagens vol TNT. 

Hawija, Noord-Irak na het bombardement van juni 2015 op een wapenopslag van IS. Still uit een film van het persbureau van IS, het enige beeldmateriaal dat beschikbaar is uit deze periode in dit gebied. Beeld uit videofilm verspreid door persbureau AFP

Minister Bijleveld zegde onder parlementaire druk daarom in mei van dit jaar onafhankelijk onderzoek toe naar het drama van Hawija, en welke lessen uit de toedracht te trekken vallen. Een half jaar later – deze week – werd bekend dat de driehoofdige commissie (onder leiding van oud-minister Winnie Sorgdrager) op 1 januari aanstaande met haar werkzaamheden begint. Haar rapport verschijnt pas na de verkiezingen van maart 2021.

Na de onthulling van de Nederlandse betrokkenheid bij de aanval (oktober 2019) , heeft NRC met medewerking van de NOS, zelf ook onderzoek gedaan naar de toedracht. De krant raadpleegde militaire bronnen in de VS, Irak en Nederland. Uit hun – nieuwe – informatie blijkt dat het hoge aantal burgerslachtoffers en de enorme schade in Hawija – naast misschien pech  – ook het gevolg waren van belangrijke keuzes van militairen en politici in die drie landen. 

Enkele beslissingen springen eruit. Ten eerste: het besluit van de Amerikaanse legerleiding om weinig luchtverkenningsmiddelen, zoals drones, vrij te maken voor de strijd tegen IS.

Lees ookHet ooggetuigenverslag van een Irakees tijdens het bombardement

Ten tweede: de keuze van Koerdische en Iraakse bondgenoten om het belang van vernietiging van het militaire doelwit zwaarder te laten wegen dan de levens van (soennitische) omwonenden in Hawija.

En ten slotte: het besluit van het Nederlandse kabinet bij het begin van de oorlog (september 2014) om zwaar te leunen op de informatie van de bondgenoten en weinig eigen middelen en personeel (eigen verkenningsmiddelen, sleutelposities tijdens de voorbereidingen) in te brengen waarmee de geboden informatie kon worden geverifieerd. Daardoor stond degene die toestemming moest geven voor het Nederlandse bombardement op Hawija er alleen voor.

De drie keuzes hebben dit gemeen: de Tweede Kamer hoorde er nooit over.

April/mei 2015
Camp Arifjan, Koeweit

Wie wil weten waar de voorbereidingen begonnen van de aanval op Hawija, moet naar Camp Arifjan in Koeweit. Vanuit dit gigantisch militair complex in de woestijn voeren de VS en hun bondgenoten hun oorlogen in het Midden-Oosten (Syrië, Irak) en westelijk Azië (Afghanistan). Er zijn zo’n 9.000 militairen gelegerd. Als de VS en in hun kielzog het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in augustus 2014 ten strijde trekken tegen IS, wordt Arifjan opnieuw het hoofdkwartier.

Zo’n zevenhonderd vooral Amerikaanse militairen gaan ‘Operation Inherent Resolve’ uitvoeren, met als motto: One mission, many nations. Ze opereren in een haastig samengesteld, los verband met in totaal meer dan zestig landen. Een hechte structuur zoals die van de NAVO, ontbreekt. Landen zoals het Verenigd Koninkrijk, Australië en Frankrijk, hebben tientallen vertegenwoordigers (liaisons) in Arifjan rondlopen. Ze kijken mee met het inlichtingenproces en de voorbereidingen van aanvallen op een IS-doelwit, zeker als hun land die aanval zelf moet uitvoeren.

Nederland heeft tot eind 2015 nul vertegenwoordigers in Arifjan die betrokken zijn bij dit voorbereidend proces. Tussen de Taco Bells en Starbucks op het uitgestrekte legerterrein in Koeweit lopen slechts enkele verbindingsofficieren rond die het contact onderhouden met andere commandocentra in Irak.

De leiding op Camp Arifjan is stevig in Amerikaanse handen. De Joint Forces Commander (JFC) verdeelt samen met zijn superieuren in het Amerikaanse Tampa (Centcom) de – vaak schaarse – middelen in de strijd op de grond en in de lucht in de 21 landen die vanuit Koeweit worden ‘bediend’: landen zoals Afghanistan, Irak en Syrië.

Omdat de oorlog tegen IS in de laatste twee landen vooral vanuit de lucht wordt gevoerd, zijn luchtverkenningsmiddelen extra belangrijk: drones, satellieten en verkenningsvliegtuigen. Zij brengen militaire doelwitten in kaart (hoofdkwartieren van IS, vijandelijke eenheden, bomfabrieken) en scannen de omgeving ervan op militaire dreiging (eventuele luchtafweer) en risico’s voor burgers. Van de drie categorieën zijn onbewapende drones het bruikbaarst: ze zijn goedkoop en lang inzetbaar. Anders dan verkenningsvliegtuigen, kunnen de drones een tot twee etmalen achtereen op meer dan tien kilometer hoogte boven hun doelwit hangen.

Tijdens de strijd tegen IS klagen hooggeplaatste adviseurs van toenmalig president Obama en militairen echter steen en been over een tekort aan de onbemande verkenningsvliegtuigjes. Dat verkleint de mogelijkheden om vooraf de kans op burgerslachtoffers goed in te kunnen inschatten. Drones, zo leggen luitenant-kolonel Guus de Koster en majoor Joël Postma uit in een Nederlands militair vakblad, „zijn een schaars maar cruciaal goed in de uitvoering van het hedendaagse conflict, waarbij weinig tolerantie is voor nevenschade en burgerslachtoffers”.

Het tekort aan drones wordt onder meer veroorzaakt door de strijd in Afghanistan. Duizenden Amerikaanse militairen vechten er tegen de Taliban. In april 2015 zijn de islamisten een groot offensief begonnen bij Kunduz. Bij hun verdediging van het gebied hebben Amerikanen de drones in de lucht hard nodig. 

„Afghanistan kreeg vijftien keer zoveel drones toegewezen als wij in Irak”, schrijft generaal Dana Pittard – een van de leidinggevenden in Koeweit eind 2014, begin 2015 – in het boek Hunting the Caliphate (2019). En als commandanten zoals hij er al in slaagden ze te bemachtigen, dan is het genoegen van korte duur. Noord-Irak – waar steden als Mosul en Hawija liggen – vormt zo mogelijk een nog groter probleem, schrijft Pittard. Die regio lag het verst weg van Koeweit, waar de drones vandaan moeten komen.

De korte observatietijden kunnen leiden tot fouten met dodelijke consequenties. In de nacht van 21 september 2015 bombarderen Nederlandse F-16’s twee villa’s in Mosul, met daarin een hoofdkwartier vol IS-terroristen. Althans, dat hadden Amerikaanse inlichtingen uitgewezen. In werkelijkheid gaat het om twee onschuldige families van wie vier mensen omkomen – een man, een vrouw en twee kinderen. De pater familias, Basim Razzo, beschrijft in latere reconstructies hoe hij wakker werd in zijn slaapkamer met een weggeslagen dak, en een gedode echtgenote naast zich in bed.

Het uitgestrekte legerterrein van Camp Arifjan in Koeweit. Archieffoto Amerikaanse leger

Minister Bijleveld bevestigt vier jaar later dat foute inlichtingen tot het drama hadden geleid, maar meldt niet waardoor die fout werd gemaakt. Amerikaanse militaire documenten geven daar wel zicht op. Ter voorbereiding van de aanval was, zo staat in het document, „slechts” 95 minuten gefilmd, verspreid over drie dagen, elke dag een half uur. Te weinig, erkent het Pentagon achteraf. „Meer FMV [Full Motion Video] had de aanwezigheid van vrouwen en huiselijke activiteit kunnen opmerken”, staat in het Amerikaanse onderzoek over de aanval. „Meer materiaal had een helderder beeld kunnen geven van burgers op het terrein.”

Lees ook ‘Miljoenenclaim van vijftig Irakezen tegen Nederland om luchtaanval Hawija’

Over Hawija zijn (staatsgeheime) gegevens over het tijdstip en duur van de video voorafgaand aan de aanval tot op heden nooit vrijgegeven. Toch is ook hier het verband met de schaarste aan degelijke luchtverkenning vooraf aannemelijk. Bekend is dat Amerikaanse officieren achteraf oordeelden dat geen grondig onderzoek was gedaan naar de enorme bommenvoorraad in de fabriek in Hawija. Dat terwijl ze wisten dat die een risico vormde voor de omgeving.

In interne evaluaties verwijzen ze naar een instructie van het Amerikaanse opperbevel uit oktober 2012 dat waarschuwt voor luchtaanvallen op grote opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen zoals bomvoorraden of brandstoftanks, in de buurt van woongebieden. Een aanval daarop kan tot „onvoorspelbare” effecten leiden door de secundaire explosies die op een aanval volgen. „Commandanten moeten zich bewust zijn van elk aanvullend risico van secundaire explosies”, waarschuwde de Amerikaanse militaire leiding al in 2012.

In het geval van Hawija was alleen papieren onderzoek gedaan naar de kans op secundaire explosies. Daarbij hadden analisten gekeken naar de gevolgen (‘blast range’) van eerdere aanvallen op bomfabrieken voor hun (bewoonde) omgeving. Op grond van deze vergelijking was de conclusie dat in Hawija alleen een schuur op het industrieterrein geraakt zou worden. Langdurige observaties vanuit de lucht, bijvoorbeeld van in- en uitrijdende vrachtwagens in de opslag, waren er niet geweest. Op 25 september 2015, na ‘Hawija’ dus, besluit generaal Sean McFarland, dan de commandant van de luchtoorlog tegen IS, tot een aanpassing van de procedure voor de voorbereiding van dit type doelen in de buurt van woongebieden. Hij wil voortaan „meer nauwkeurig onderzoek” naar de voorraden bommen zelf die dit soort risico veroorzaken.

De drone-schaarste van de coalitie heeft een belangrijk gevolg. Het tekort maakt de informatie vanaf de grond belangrijker. In de strijd tegen IS komt die voornamelijk van bondgenoten (Koerden, Irakezen) die ter plekke opereren. In Noord-Irak zijn met name de Koerden sterk vertegenwoordigd. Nederland doet graag zaken met hen. Zo’n vijftig Nederlandse militairen trainen elders in Irak leden van de peshmerga, Koerdische strijders. Er gaat in die tijd geen overleg in de Kamer voorbij zonder complimenten aan het adres van de Koerdische strijders (toenmalig minister Koenders van Buitenlandse Zaken: „We hebben allemaal de enorm positieve rol van de peshmerga, de Koerden, in het geheel gezien.”  VVD-Kamerlid Ten Broeke: „De Koerden zijn de meest effectieve strijders op de grond.”) 

Lokale spionnen zien alleen IS-strijders, geen burgers

De Koerden hadden hun inlichtingenapparaat in Hawija op orde, verklaarde de Koerdische brigadier-generaal Sarhad Qader in december 2019 via Skype tegenover NRC en NOS. Hij leidde als hoofd van de politie destijds vanuit Kirkuk de inlichtingenoperaties in en rond Hawija. „Alle betrokken partijen hadden daar informanten” vertelde Qader . „De peshmerga, de Asayish (Koerdische veiligheidsdiensten), de federale politie.”

De Koerden hadden bronnen dichtbij de bommenfabriek van IS, aldus Qader. „We haalden onze informatie van de bewakers.” Zo horen Qader en zijn mannen over „ondergrondse ruimtes”  in de gebouwen waar de explosieven zijn opgeslagen. Ze concludeerden dat het ging om een „erg grote fabriek voor het maken van autobommen”.  

De Iraakse veiligheidsofficier Issa Talab was in 2015 verbindingspersoon tussen veiligheidsdiensten in district Kirkuk en spionnen binnen IS. Talab zegt: „Er waren tientallen bronnen binnen IS in Hawija, plus burgers. We hadden ook bronnen die gevlucht waren voor IS, en die op dat moment al in Koerdistan waren.” 

Koerdische en Iraakse spionnen hebben hun informatie doorgestuurd naar Kirkuk. Daarvandaan hebben Amerikaanse verbindingsofficieren de inlichtingen doorgezonden naar Arifjan. Daar gaan analisten met de informatie aan de slag, de weken vóór het bombardement van begin juni 2015. Eén ding staat voor hen als een paal boven water: dit is een belangrijk militair doelwit dat legitiem kan worden aangevallen. Maar daarna wordt het lastig.

Om enigszins te weten te komen wat er in de fabriek ligt, moet het in- en uitgaand verkeer met explosieven langere tijd langere tijd gevolgd worden. De in- en uitgaande stroom aan mensen zorgt voor zo mogelijk nog grotere uitdagingen. Dagelijks gaan stromen burgers de stad in, zoals vluchtelingen voor oorlogsgeweld elders, maar er ook weer uit: burgers die bang zijn voor IS of voor bombardementen van de coalitie. Daardoor valt moeilijk te bepalen hoeveel burgers verblijven in de buurt van de fabriek. En wie zijn precies burgers en wie strijders? Niet elke IS-strijder liep te zwaaien met een zwarte IS-vlag of met een kalasjnikov. Men had de gewoonte burgerkleding te dragen.

Informanten ter plekke kunnen meer zien dan drones. Maar ze kunnen ook een eigen agenda hebben. In 2003 deden de Amerikanen daar dramatische ervaringen mee op. Toen waren documenten opgedoken waaruit zou blijken dat dictator Saddam Hoessein beschikte over nucleaire wapens. Even later, niet lang na de inval van de Amerikanen en hun bondgenoten, bleek dat de documenten vervalst waren door de oppositie tegen Saddam.

In de oorlog tegen IS, zo klaagt Dana Pittard in zijn boek, vertellen lokale informanten steeds andere dingen. „Het was niet ongewoon”, schrijft hij in Hunting the Caliphate, „dat de ene bron ons vertelde dat er sprake was van een IS-positie, maar dat een andere zei dat het om niet-vijandelijke eenheden of burgers ging.”

The New York Times stuit tijdens onderzoek naar burgerslachtoffers op hetzelfde fenomeen. Verslaggevers inventariseerden in 2016 en 2017 de gevolgen van 150 luchtaanvallen van de coalitie ter plekke in Irak. Bij ongeveer dertig daarvan was sprake van burgerslachtoffers, veel meer dan de coalitie had toegegeven. Veel van die slachtoffers vielen doordat Koerden en andere Irakezen burgers bewust of onbewust voor IS-strijders aanzagen. „Hoewel sommige burgerdoden het gevolg waren van hun nabijheid bij legitieme IS-doelwitten”, schrijft de krant, „lijkt er bij veel anderen sprake van gebrekkige of achterhaalde inlichtingen waarbij burgers werden aangezien voor strijders.”

Dat gold ook voor de pater familias die zijn gezin verloor bij de aanval op zijn villa in Mosul. De Irakezen schilderden Basim Razzo, accountmanager bij het Chinese telecombedrijf Huawei, af als IS-terrorist. Razzo eiste – en kreeg van minister Bijleveld – een officiële verklaring dat hij onschuldig was, plus vele tonnen aan schadevergoeding.

 
NRC-correspondent Jannie Schipper sprak in 2019 de Koerdische generaal Sarhad Qader over de situatie in Hawija voorafgaand aan het bombardement van juni 2015.

 

Ook voor Hawija lijken de bevindingen van Pittard en The New York Times op te gaan. De Koerdische generaal Sarhad Qader stelt dat er „geen burgers” zijn gedood bij de aanval in juni 2015, „wel zo’n vijftig IS-strijders”. Hij ontkent dat er burgerslachtoffers zijn gevallen. Dat kon ook niet, „want IS liet geen pottenkijkers toe in de buurt van de bommenopslag.” 

Veiligheidsofficier Talab daarentegen stelt dat hij vooraf aan de coalitie heeft doorgegeven dat er „vluchtelingen” op het industrieterrein verbleven. Mocht dat zo zijn geweest, dan is de vraag of dat de coalitie tijdig heeft bereikt. Al op 29 mei werd groen licht gegeven voor de aanval; vier etmalen voor de daadwerkelijke uitvoering. Regel is eigenlijk drie etmalen, om ‘fatale’ veroudering van het inlichtingenmateriaal te voorkomen.

Met de vluchtelingen doelt Talab op groepen die eerder in 2015 naar Hawija kwamen toen de terreurorganisatie uit de zuidelijker streek Salah ed-Din werd verdreven door het Iraakse regeringsleger. Ze hadden onderdak gevonden in huizen van stedelingen die waren gevlucht voor de bombardementen. Veel van die huizen stonden op enkele honderden meters afstand van het industrieterrein met de bommenopslag. Als de nieuwe inwoners niet deelnemen aan de strijd, zijn dit – juridisch gezien – onschuldige burgers, ongeacht hun sympathie voor IS.

Aan geharnaste (veelal sji’itische) tegenstanders van IS bij Iraakse en Koerdische geheime diensten, is dat onderscheid niet besteed. Voor hen zijn alle omwonenden van de fabriek (soennitische) verraders en IS-enthousiastelingen. De stad Hawija heeft een uitgesproken pro-IS-reputatie, sinds veel inwoners IS juichend binnenhaalden in juli 2014, drie maanden voor de officiële uitroeping van het kalifaat. Een jaar eerder, in 2013, zijn tientallen Iraakse politiemensen en nog meer burgers gesneuveld in confrontaties met soennitische activisten in de stad. Ook nu nog, in 2020, is IS in dorpjes rond Hawija actief. De haat tussen soennieten en sji’iten in dit gebied is er groot.

Behalve met kortdurende luchtverkenningen en de Koerdisch-Iraakse neiging om burgers voor IS-strijders aan te zien, kampen de analisten in Arifjan met een derde probleem: enorme tijdsdruk. De leiding wil „dat het doelwit zo snel mogelijk zou worden aangepakt”. Er is dringend succes nodig. IS maakt in mei belangrijke vorderingen.

Het kalifaat heeft net Ramadi ingenomen, en Palmyra, met zijn eeuwenoude zuilen, in Syrië. Het Iraakse leger „heeft geen wil om te vechten”, klaagt de Amerikaanse minister van Defensie Ashton Carter in mei. De strategie van IS om hun opslagplaatsen en hoofdkwartieren in bewoond gebied te plaatsen, is succesvol voor de terroristen. „Driekwart van de aanvalsvluchten keert onverrichter zake terug” uit angst voor burgerslachtoffers, getuigt generaal Jack Keane midden mei 2015 tijdens een hoorzitting tegenover een bezorgde Senaat in Washington.

In en rond Hawija is de situatie al even nijpend. Kirkuk, de strategisch gelegen oliestad op zo’n zestig kilometer van Hawija, wordt voortdurend belaagd door IS-eenheden. Elke dag dat de aanval op de bommenfabriek uitblijft, vallen er in Koerdische gelederen onnodige slachtoffers, vertelt generaal Qader. Zijn ‘intel’ heeft uitgewezen dat veel van de autobommen die IS in Hawija produceert, worden ingezet in de slag om Kirkuk. „Alle auto’s”, vertelt Qader aan NRC en NOS „die werden ingezet tegen de frontlinies van de peshmerga [in de regio Kirkuk], kwamen van deze fabriek [...].”

„Als ze die luchtaanval niet hadden uitgevoerd”, zegt Qader, „dan zouden tientallen auto’s zijn opgeblazen temidden van de peshmerga en de troepen binnen Kirkuk.” Hij kijkt dan ook met groot genoegen terug op de aanval van de Nederlandse bondgenoot in de nacht van 2 op 3 juni 2015. De Koerdische generaal betitelt de effecten van het bombardement niet als een verrassing, zoals het Nederlandse kabinet doet. Hij zag de aanval juist als clausewitziaans buitenkansje. Qader spreekt van een „groot succes” en een „gewaagde actie”. IS had waarschijnlijk nooit gedacht, zegt Qader, dat de coalitie zoiets vermetels aandurfde. „Ze dachten dat het nooit zou gebeuren, en het gebeurde toch!”

Eind mei 2015
Camp Al Udeid, Doha, Qatar

Het groen licht voor de aanval op de wapenfabriek in Hawija wordt op 29 mei gegeven op de Amerikaanse basis Al Udeid, even buiten Doha, de hoofdstad van Qatar. Nadat de lijst met militaire doelen in Koeweit is opgesteld, wordt in Qatar bepaald welk coalitieland een doelwit mag aanvallen. Luitenant-generaal John Hesterman is er de baas. De Amerikaan is een gelauwerd F-16-vlieger. In 1991 ging hij voorop in de eerste golf van luchtaanvallen van de coalitie op Bagdad.

De aanval op Hawija wordt zorgvuldig voorbereid, vertelt hij later op een persconferentie. Wat dat betekent, blijkt later uit openbaar gemaakte stukken. Er wordt besloten zes bommen in te zetten, nogal overdreven, zo lijkt het, voor een aanval op een bommenfabriek. Het is een gebaar, staat in de stukken, naar „klanten die het doel zo compleet mogelijk vernietigd willen hebben”. Wie zorgen heeft over burgerslachtoffers, komt ook aan zijn trekken in het compromis (‘trade-off’). De aanval zal worden uitgevoerd met precieze bommen die naar specifieke punten in het complex worden geleid.

Juist hiervoor hebben de Amerikanen de Nederlanders met hun nieuwe precisiebommen hard nodig. Om de aanval acceptabel te maken moet de uitkomst van de berekening van de risico’s voor burgers in de omgeving, volgens de geldende regels van de coalitie nul zijn. Dat kan alleen met de GBU’s die bijvoorbeeld pas exploderen in het gebouw zelf, en heel nauwkeurig via gps naar heel specifieke ‘points of impact’ kunnen worden geleid.

Nederland komt laat aan boord in het proces, vermoedelijk pas tweede helft mei. Het is niet vertegenwoordigd in het team dat de berekeningen van mogelijke nevenschade maakt, noch in het team dat de vergelijking maakt met het effect van eerdere secundaire explosies, noch in het team dat de precieze wapens kiest.

De Amerikaanse luitenant-generaal John Hesterman (staand) op basis Al Udeid, Qatar, in 2014. Hesterman voerde ook het bevel ten tijde van de aanval op Hawija, in mei 2015. Foto U.S. Air Force/Staff Sgt. Chelsea Browning

Bij de voorbereiding van de aanval is het streven naar zo min mogelijk burgerslachtoffers belangrijk maar niet doorslaggevend. Dat is het beginsel van proportionaliteit: staat de verwachte schade in verhouding tot het directe militaire voordeel dat wordt verwacht? De aanval mag niet worden doorgezet, schrijven Amerikaanse militairen op 20 augustus 2015 in een evaluatie van de aanval op Hawija, „als kan worden verwacht dat de schade aan de omgeving of burgers excessief is vergeleken met het concrete en directe militaire voordeel dat wordt voorzien”.

Maar wat is een ‘concreet en direct voordeel’? Dat is niet exact te bepalen, zeggen juristen. Het gaat om een „elastische” beslissing van „een redelijk denkende commandant die te goeder trouw handelt”, schrijft de Canadese militair-jurist Scott Graham november 2018 in een terugblik op dit type beslissingen tijdens de oorlog tegen IS. Wat op het ene moment nodig is, kan op een ander moment  onacceptabel zijn. 

Het te verwachten militaire voordeel is er in het geval van Hawija zeker, zo blijkt bijvoorbeeld uit de analyse van de Koerdische generaal Qader over de situatie rond Kirkuk. Maar het voordeel moet volgens de Amerikanen ook weer niet worden overdreven. De VS spreken in later geopenbaarde stukken van een „gematigde vermindering van het vermogen van IS om autobommen te produceren ter ondersteuning van aanvallen in de Tigrisvallei”. Er zijn veel meer van dat type bomopslagplaatsen. Een analyse van de maandoverzichten van de coalitie leert dat de coalitie er in 2015 gemiddeld zo’n zes per maand aanviel.

Een van de militairen in Qatar die eind mei 2015 aanwijsbaar belang heeft om commandant John Hesterman tegenspel te bieden, is een hoge Nederlandse officier. Hij moet samen met zijn drie adviseurs in Qatar namens Nederland aangeven of de aanval op een voorliggend doelwit te rijmen valt met de Nederlandse oorlogsregels. Daarvoor heeft deze ‘Red Card Holder’ ruim voldoende informatie, verzekerde het kabinet september 2014 in een brief aan het parlement. „De uitstekende bilaterale en multilaterale contacten verzekeren Nederland van een goede informatiepositie en helpen om de eigen inzet zo zorgvuldig mogelijk vorm te geven”, aldus minister Hennis. Op vragen van CDA-Kamerlid Raymond Knops over de inlichtingenpositie van Nederland , zegt Hennis twee maanden later: „De heer Knops vroeg ook naar intel. Gaan wij concreet een bijdrage leveren? Nee. Onze UAV’s (luchtverkenning,red.) zijn daar bijvoorbeeld niet voor geschikt. Ik wil niet overdrijven, maar de grootste bulk van de intel wordt aangeleverd door onze coalitiegenoten. Daarin is voorzien. We hebben ook toegang tot die informatie.” Dat stelt de Kamer gerust.

Niemand in Koeweit kijkt mee in de aanloop naar de aanval

Dat geldt niet voor de top van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Eind 2015 spreekt MIVD-chef Pieter Bindt de minister na afloop van een overleg met de Tweede Kamer aan, zo vertelt een Defensie-bron. Hoezo goede informatiepositie? Er is op dat moment niemand die in het voorstadium, in Koeweit, meekijkt in het „targeting-proces”. Daarop laat Hennis alsnog iemand naar Camp Arifjan sturen.

Desgevraagd wil Bindt hier niets over kwijt.  Het ministerie van Defensie bevestigt dat er pas in de loop van 2015 een militair naar Koeweit is gegaan. „In het begin van de oorlog was vooral de landcomponent belangrijk in Koeweit”, zegt een woordvoerder. „Dat veranderde in de loop van 2015. Daarom hebben we daar toen iemand heen gestuurd.”

De late beslissing past bij het beeld van een land dat moeite heeft te bepalen waar precies informatie kan worden vergaard in de keten van commandocentra (Tampa, Doha, Arifjan), en waar invloed moet worden uitgeoefend. Zo wordt bij het begin van de missie, in september 2014, de juridische adviseur die moet helpen bepalen of Nederland mee kan doen aan een aanval, niet in Qatar geplaatst, maar bij het detachement in Jordanië. 

Veel anders dan achter de feiten aanlopen, kan die ene, uitgezonden militair naar Koeweit niet. Coalitiegenoten van de VS zoals het Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië hebben daarin een aanmerkelijk stevigere positie dan Nederland. Ze zijn onderdeel van de ‘Five Eyes’-inlichtingengemeenschap (behalve de genoemde vier ook Nieuw-Zeeland) die onder leiding van de VS met satellieten de wereld afspeurt naar dreigingen voor westerse belangen. De Britse luchtmacht kan daarnaast ook nog eens drones in de lucht brengen, als eerste ter ondersteuning van eigen operaties, daarna pas die van de coalitie. De Canadezen hebben verkenningsvliegtuigen meegebracht.

 
De voorbereiding van een aanval door Nederlandse F-16’s op een IS-doel.

 

Niet-leden van Five Eyes, zoals Frankrijk, zijn doordrongen van hun informatie-achterstand. De Fransen stellen van meet af aan voorwaarden aan deelname aan de luchtoorlog. Ze hebben hun lesje geleerd in 1999, tijdens de luchtoorlog van de NAVO tegen het Servië van Slobodan Milosevic. Toen werd de Franse krijgsmacht te vaak geconfronteerd met voldongen feiten, vond Parijs. Vijftien jaar later, bij het begin van de oorlog tegen IS, eisen de Fransen plaatsen hoog in de hiërarchie in Qatar en Koeweit. Alleen zo kunnen ze de kwaliteit van de door de VS aangeboden informatie beoordelen, en voorkomen dat Frankrijk moet opdraaien voor fouten van Amerika.

Nederland is minder wantrouwig, hecht sterk aan zijn band met de VS, en besluit af te gaan op informatie van de bondgenoten. „De Red Card Holder [...] moet vertrouwen op de inlichtingen, die door die dertien landen zijn verzameld tot op dat moment”, zegt minister Bijleveld op 14 mei van dit jaar in de Kamer.

Nederland heeft geen eigen middelen waarmee ze de informatie van bondgenoten kan controleren. De luchtmacht heeft geen eigen drones (pas in 2021 komen er vier Reaper-drones naar Nederland) noch gespecialiseerde verkenningstoestellen, zoals de Canadese Aurora’s. Ook heeft het in 2015, anders dan tijdens de genoemde luchtoorlog in 1999 boven Kosovo, geen hoge militairen op sleutelposities die twijfels tijdens de voorbereiding vroegtijdig kunnen traceren. In 1999 kon Nederland twintig toestellen laten meedoen die uniek verkenningswerk deden. In 2014 en 2015 zijn er slechts zes F-16’s actief, later nog maar vier. In 2014 en 2015 zijn die druk met bombarderen.

De Red Card Holder krijgt eind mei 2015 slechts de uitkomst van de Amerikaanse taxaties van de risico’s van de aanval op Hawija ter inzage, en het materiaal waarop die zijn gebaseerd, zoals beeldmateriaal van de bommenfabriek en haar omgeving. Doel: „legitiem”. Aanval: „rechtmatig”. Toestemming Irakezen: „verleend”. Verwachte burgerslachtoffers: „nul”. Aanvullende maatregelen: „genomen”. Verwachte schade: „een schuur”. Take it or leave it.

In het beraad met Red Card Holders van coalitielanden, eind mei, ziet de Nederlandse vertegenwoordiger genoeg ruimte voor het doorzetten van de aanval. Hij heeft niets gemerkt van eventuele reserves over het inlichtingenmateriaal. Hij heeft niet gebeld met Den Haag, zoals wel gebeurt bij twijfels over het geven van al dan niet groen licht. „De Nederlandse Red Card Holder heeft niet aangegeven”, aldus minister Bijleveld op 14 mei dit jaar tegen de Tweede Kamer „dat hij over te weinig informatie beschikte of de uitkomst [...] niet vertrouwde.” Als hij meer had geweten over de risico’s voor de burgerbevolking van Hawija, had hij geen groen licht gegeven, aldus Bijleveld. 

Juli 2015
Epiloog: Terug naar Snow City

De stemming in de woestijn van Jordanië is opperbest, begin juli 2015. De tweehonderd militairen van Snow City mogen bijna naar huis. Hun driemaandelijkse termijn, begonnen in april, nadert zijn eind.

De bommenverkopers van Boeing zijn inmiddels terug naar de VS. Ze hebben goede zaken gedaan in Jordanië. De inzet door de coalitie van precisiebommen blijkt zo hard te gaan dat nieuwe bestellingen nodig zijn. Het aandeel Boeing op de beurs van Wall Street zal, mede door het succes van de GBU’s en ander modern wapenmateriaal , goed presteren.

Hier en daar wordt er in Snow City al voorzichtig ingepakt in de witte prefab-cabines. Wat sommige aanwezigen opvalt: de F-16-vliegers doen er niet aan mee. In het deel van de militaire basis waar zij verblijven, is het begin juli nog een drukte van belang. Verbaasde aanwezigen doen navraag. Heeft de drukte soms iets te maken met wat de ‘Detco’ (‘Detachementscommandant’) eerder zei?

Tijdens een van de laatste ‘keek op de weeks’ heeft de commandant het nummer van zijn squadron uit Leeuwarden, 322, waarvan hij zelf deel uitmaakt, in herinnering geroepen. Het zou mooi zijn, had hij tegen de manschappen gezegd, als het squadron dat aantal bombardementen tegen IS kan halen – 322.

Legerbasis Snow City in Jordanië. Foto Defensie

Een Defensiewoordvoerder bevestigt dat de commandant „in een briefing” liet vallen „dat het mooi zou zijn als men de 322 haalde.” Maar het was niet meer dan een „kwinkslag”, aldus Defensie. Er zijn in de laatste weken geen aanvalsvluchten van bondgenoten overgenomen om de 322 te halen, zoals sommigen in Snow City uit de kwinkslag van de ‘Detco’ hadden geconcludeerd. „De Nederlandse F-16’s waren immers zoals altijd gebonden aan maximaal aantal vlieguren per maand”, zegt de woordvoerder. Bovendien vergen de vluchten uitgebreide ondersteuning.

Het verlangde aantal van 322 bommen, waarvan dus zes op Hawija, wordt gehaald, zelfs meer dan dat. Het totaal is „‘322+X’ geweest”, aldus Defensie. Dat is ver boven het gemiddelde van 190 bommen per (driemaandelijks) detachement.

In augustus 2015 brengt RTL naar buiten dat Nederland na de VS en het VK de meeste bommen gooide. ‘We’ zijn grote landen als Frankrijk, Canada, Australië voorbijgestreefd, is de teneur in de media. De F-16-vliegers en hun collega’s in Jordanië krijgen complimenten. Oud-commandant der strijdkrachten Dick Berlijn verklaart hun succes: „We hebben goede inlichtingen, ook omdat we goed in het internationale netwerk zitten.”

Onbekend is hoe dezelfde vliegers reageren als ze, ergens in 2015 of 2016, horen dat bij de ‘Boppeslach’ van begin juni 2015, ten minste zeventig burgerslachtoffers zijn gevallen, onder wie tientallen vrouwen en kinderen. Het blijkt een van de bloedigste luchtaanvallen in de luchtoorlog tegen IS. Defensie houdt de vliegers zorgvuldig buiten de publiciteit. De F-16-vlieger die de ‘vergisbom’ afwierp op de villa’s in Mosul, in september 2015, noemt het later een „misselijkmakende gedachte” dat mede door zijn toedoen vier onschuldige burgers zijn omgekomen.

Correctie (30 november 2020): eerder stond geschreven dat bij het bombardement op 21 september 2015 een vrouw en drie kinderen zijn omgekomen. Het ging echter om een man, een vrouw en twee kinderen. Dit is aangepast.