Is de regering de baas, of het techbedrijf?

Zijn technologiebedrijven zo machtig geworden dat zij nu de positie van regeringen zelf raken? Die vraag speelt in Brussel en beheerst ook de politieke agenda’s in Washington en Beijing. De kwestie leek relatief overzichtelijk, zolang het buitenlandse bedrijven betrof. De EU legt Amerikaanse sociale media en zoekgiganten regels op, en hief miljardenboetes voor overtreding van mededingingsregels. Washington weert Chinese netwerkbedrijven en wil ze loskoppelen van de Amerikaanse infrastructuur. Beijing verbiedt belangrijke Amerikaanse websites, of eist toegang tot broncodes en gebruikersdata, wat het moeilijk maakt informatie vertrouwelijk te houden.

Maar nu komt er óók meer druk van nationale beleidsmakers op de ‘ eigen’ techgiganten. De bazen van Facebook en Twitter moesten zich onlangs verantwoorden tegenover het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. En onder de regering-Biden is het niet zozeer de vraag óf, maar hóé die beleid om de macht van techbedrijven in te perken zal vormgeven.

Techbedrijven uit China, die steeds actiever worden over de grens, worden gezien als verlengstuk van de Communistische Partij. Zo zette Beijing videobelbedrijf Zoom onder druk om de accounts van democratische activisten in Hongkong en Chinese dissidenten in de VS te sluiten.

De zorgen over misbruik van netwerktechnologie en 5G leidden in de VS al tot het Clean Network-beleid. Dat zet Chinese fabrikanten Huawei en ZTE buitenspel om te kunnen spioneren met hun apparatuur.

Bij de aankondiging van dit beleid verklaarde minister Pompeo (Buitenlandse Zaken) dat het „de privacy van burgers” en „de gevoeligste informatie van onze bedrijven” moest beschermen „tegen agressieve indringing door kwaadaardige spelers als de Chinese Communistische Partij”.

Dit beeld van de ‘lange digitale arm’ van Beijing leidt elders tot zorg over systematische uitbreiding van China’s invloed. Via strategische overnames en investeringen in technologische infrastructuur – ook in de EU en ontwikkelingslanden – creëren de Chinezen afhankelijkheid en boren ze datastromen aan. Die data dienen als grondstof voor kunstmatige intelligentie met een autoritaire signatuur: gezichtsherkenning, digitale spionage, censuur. Dit soort technologie, met een sterk politieke component, verstevigt de greep van de staat op burgers en ondersteunt het Chinese streven naar controle.

Technologie is dus allang geen sector meer, maar een laag die ligt over alle sectoren van de samenleving. Neem de financiële. In China ontstond discussie tussen toezichthouders en techmiljardair Jack Ma over de vraag of Ant Group, zijn bedrijf in microfinanciering, nu ‘fintech’ is of ‘techfin’. Fintech is (bestaande) financiële diensten verlenen met nieuwe technologie, Techfin gaat om nieuwe (bank)systemen bouwen met technologie. Dat is meer dan een semantische kwestie: Ma probeerde met zijn bedrijf – vergeefs – onder Chinese regulering uit te komen. De beursgang van Ant werd last minute door Beijing tegengehouden op een manier die deed denken aan het plotse verbod waarmee president Trump het Chinese sociale medium TikTok in de VS dreigde.

De Chinese overheid kwam onlangs ook met nieuw, verregaand mededingingsbeleid. Dit toont dat ook in China staat en techbedrijven verschillende agenda’s kunnen hebben. Maar het toont vooral dat, ook in China, bedrijven geen al te sterke positie moeten claimen, of essentiële sectoren mogen ontwrichten. Hoe ver de macht van techbedrijven mag gaan, is een cruciale vraag voor beleidsmakers in de hele wereld. De antwoorden zullen afhangen van de politieke waarden in de landen waar die bedrijven actief zijn.

Marietje Schaake schrijft om de week op deze plek een column over technologie, beleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.