Opinie

Doorbreek de eenzaamheid van het thuiswerken

Tiny office Om thuis productief te werken, stoppen mensen desnoods hun hoofd in een doos, ziet met afgrijzen. „We zijn geen gevangenen. We zijn zelf onze cipier.”

Illustratie Getty Images, bewerking NRC

Laatst kreeg ik het aanbod om in een doos te gaan werken. Het ging om een opvouwbare kubus van nog geen één bij één bij één meter. De wanden waren van hout of van vilt gemaakt. Eén zijde was opengelaten. Je kon de doos op je bureau of je keukentafel zetten, dan had je een ‘tiny office’, aldus de advertentie op Instagram, een „alles-in-één minikantoor dat omgevingsprikkels verlaagt”.

De DeskCube, zo heette dit ding. Je kon er in thuiswerken zonder de ruis van huisgenoten. De basisversie kostte 300 euro. „Een productieve week gewenst!”, zei de advertentie. Maar er schoof een schaduw van benauwenis over mijn gemoed toen ik doorklikte naar de productwebsite.

De doos was er in verschillende varianten. Sommige showmodellen waren knus aangekleed, voorzien van een mini-prikbord, een mini-boekenplankje, voorwaar zelfs een mini-kamerplantje. De poppenhuisjes waren schattig en schrijnend tegelijk, een beetje zoals tiny houses. En ze waren niet bedoeld om in te spelen.

De DeskCube leek op het eerste gezicht op de beroemde Amerikaanse cubicles, de hokkerige kantoortjes, ooit met liefde ontworpen om de mens efficiënter te laten werken, later ontaard in kantoorvloeren als legbatterijen. Zelfs de uitvinder van de cubicle, Robert Propst, had in een interview erkend dat de hokjes van veel kantoren een ‘hell hole’ hadden gemaakt (‘The Cubicle You Call Hell Was Designed to Set You Free’, Wired). Inmiddels symboliseert het kantoorhokje de eenzame, geatomiseerde, vervangbare mens. Maar de DeskCube ging nog verder.

Illustratie Getty Images, bewerking NRC

Ten eerste was dit flexibele hokje kleiner. „Uitgeklapt biedt DeskCube een eigen domein van 90 x 80 x 75 cm”, las ik. Dat is verhoudingsgewijs minder ruimte dan waar een scharrelkip recht op heeft. Bovendien zit er, anders dan bij de cubicle, een dak op de doos. Weliswaar kon je daar tegen een meerprijs van 50 euro een dakraampje in laten zetten, zodat er licht kon binnenvallen, maar dat deed denken aan de mop van de man die met een autodeur door de woestijn wandelde zodat hij een raampje kon opendoen mocht het te heet worden.

Wie zich opsloot in zo’n focusdoos, sloot zich als het ware twee keer op: een lockdown in een lockdown, een dubbelwandige eenzaamheid. En ik begreep dat er soms gewerkt moet worden in rumoerige ruimtes met rondrennende kinderen. En de behoefte om jezelf even op te sluiten (bijvoorbeeld op de wc om eens ongestoord stompzinnige filmpjes op je telefoon te kijken) is me niet vreemd. Maar wat me benauwt is hoe heilig werken voor veel mensen is geworden. Zo heilig, dat je een doos koopt om je af te sluiten van je dierbaren om je te ‘focussen’ op de notificaties van nonsens op een scherm.

Eén van de meest verbijsterende gebeurtenissen van 2020 was wat mij betreft niet de pandemie – maar dat onze productiviteit aanvankelijk stéég, juist toen we midden in die pandemie zaten. Alsof doorwerken onze enige coping reflex was. Alles mocht vergaan, behalve onze productiviteit, we moeten dóór. Noem het de tandvleessamenleving.

Wie zich opsloot in zo’n focusdoos, sloot zich als het ware twee keer op: een lockdown in een lockdown, een dubbelwandige eenzaamheid

Enfin, al die gedachten projecteerde ik op die DeskCube, die goedbedoelde focusdoos. Het was voor mij een doos van Pandora waar al het kwaad en alle waanzin van de wereld in zat samengebald: onze werk- en schermverslaving, het bezuinigen op het sociale, het afschermen juist van wie ons dierbaar is, de verheerlijking van onze eigen cel.

Het besef dat deze doos wel eens een gat in de markt kon zijn, benauwde me wel het meest. Op de productsite zag ik enthousiaste gebruikers lachend plaatsnemen in hun kantoorspelonkjes. Ik las juichende reviews van blije monniken. „Gefocust en comfortabel werken!”, zei er één, „geweldige workflow!” – enzovoorts.

Het meest geraakt werd ik door een promotiefilmpje van een stralende jonge vrouw, ze zei dat haar minikantoortje een uitkomst was. Ze had tijdens het thuiswerken geen last meer van gezinsleden, kon zich volledig focussen. „Ja, ik heb gewoon zín om te werken”, zei ze, terwijl ze al bijna haar rug naar de interviewer toekeerde om in haar eenzame werkgrot te duiken.

Dat arbeidsenthousiasme had iets stuitends, vond ik. Toen begreep ik ook waar mijn bijna fysieke benauwdheid vandaan kwam: ik was ooit als die vrouw geweest, ik had mijzelf ook ooit juichend in de isoleer gesmeten. De advertentie triggerde een herbeleving van een periode van diepe, domme, domme eenzaamheid.

Daarover zo. Eerst iets over Plato.

De liefde voor je eigen cel – het deed me denken aan een verhaal van Plato, de oude, mediterrane filosoof. Over domweg tevreden gevangenen in een grot. Ik las het voor het eerst als student in Leiden in een universiteitsbibliotheek (houten studiecellen, volgekrast met wanhoopsgraffiti). Plato schetst het beeld van een ondergrondse gevangenis. De gedetineerden zitten er vastgeketend, kunnen elkaar niet zien, alleen de wand voor hen. Op die muur verschijnen bewegende schaduwbeelden. Dat scherm is hun enige werkelijkheid. Ze vullen hun tijd met kletsen over het scherm.

Stel je nu eens voor, zegt Plato, dat één gevangene uit zijn boeien wordt bevrijd en na een leven vol duisternis de grot uit mag. Hij zou op weg naar boven zijn ogen al dichtknijpen van de pijn van het licht. Alleen met geweld zou hij naar buiten zijn te krijgen. En eenmaal buiten zou hij stekeblind zijn door het daglicht, „hij zou niet één ding kunnen zien van alles wat hier werkelijkheid heet” (vertaling Bal).

Deze vreemde gevangenen, schrijft Plato, „zij lijken op ons”.

Zijn verhaal is een prachtige beschrijving van wat nu het stockholmsyndroom heet. Het is ook een belangrijke inspiratiebron voor de filmklassieker The Matrix, over gevangenen die leven als menselijke batterijen, maar zonder dat ze dat beseffen, want ze krijgen een schijnwerkelijkheid over hun zintuigen geprojecteerd. („The world that has been pulled over your eyes to blind you from the truth”, in de woorden van Morpheus.)

Kortom, veel mensen koesteren liefde voor hun kooi. Of zien niet wie of wat hen klein houdt. Maar het verschil tussen de grot van Plato en onze tijd is dat we niet gevangen zijn. Sterker, we leven in de meest vrije periode uit de geschiedenis van de mensheid. We zijn geen gevangenen. We zijn onze eigen cipier.

Een paar jaar geleden sloot ik mijzelf op in een cubicle. Vol enthousiasme. Ik wilde een roman schrijven. Ooit had ik een schrijver horen zeggen dat hij „een hut over zichzelf heentrok”, dat leek me ideaal. Mijn hut was de openbare bibliotheek. Ik meed vrienden. Het ging om focus en productiviteit, nietwaar. Ik verpieterde natuurlijk. Ik was ook helemaal niet productief, wel bijna depressief (wat dodelijk is voor creativiteit). Allemaal heel voorspelbaar – en inmiddels krijg ik koude rillingen van de herinnering aan wat ik mezelf heb aangedaan, oh wat heb ik mijzelf in eenzaamheid getraind – maar toch duurde het lang voordat ik doorhad dat ik mijzelf zuurstof onthield.

Dat gaat heel geniepig. Bijvoorbeeld omdat je dénkt dat je veel mensen spreekt omdat je voortdurend met honderden mensen in contact kúnt zijn. Intussen maken sociale media de drempel om mensen te bellen of op te zoeken hoger (wie belt nog spontaan iemand op, wie klopt nog zomaar op een deur). Ik had niet eens door dat ik stikte. Ik volgde tenslotte mijn hart, mijn passie. Ik was vrij, gefocust op zelfverwezenlijking. Ik hield van alleen zijn, noemde het solitude.

Lees ook: Thuiswerken? Dat heeft de baas liever niet.

Zo kent de moderne tijd ook allerlei synoniemen – of beter gezegd, eufemismen – voor wat gewoon eenzaamheid is, zoals daar zijn: zelfredzaamheid, vrijheid, focus, veerkracht, flexibiliteit, flexwerkplek, caffè latte, participatiesamenleving of zelfstandige zonder personeel. En het is verleidelijk om die moderne tijd dan maar de schuld te geven, iets wat verschillende denkers de laatste jaren deden. Maar wie het neoliberalisme alle schuld geeft van zijn eenzaamheid, heeft De Avonden van Reve niet gelezen. Alsof eenzaamheid daarvoor niet bestond. Het verschil is dat we tegenwoordig meer vrijheid hebben om ons ervan te bevrijden. We kregen de sleutel van onze kooi.

Als ik één ding geleerd heb van de tijd dat ik mijzelf opsloot is het wel dat ik het zélf was die me al die tijd opsloot. Daarom noemde ik het domme eenzaamheid. Onnodig.

Illustratie Getty Images, bewerking NRC

Toen ik dat eenmaal inzag, nam ik mijzelf voor om me nooit meer zo te laten verpieteren. De oplossing is simpelweg: spreek met mensen af, wees niet bang dat dat ten koste gaat van je ‘productiviteit’ of ‘focus’; het tegendeel zal blijken. Dit geldt natuurlijk minder voor een arts, automonteur en caissière, maar die werken meestal niet in hun uppie, en ze zullen dus ook minder gauw verpieteren. Nee, ik heb het hier over de miljoenen thuiswerkers. De cloud-kluizenaars. Zij lopen een groot risico op een overdosis focus. Want juist datgene wat we ruis noemen – de lunchwandeling, de grap, de collega die komt kletsen aan je bureau – is wat ons mens maakt. „Werk dat niet wordt gestoord is het werk van een automaat”, zei de Franse filosofe Fanny Lederlin laatst in een interview over thuiswerken.

Toch schoot ik tijdens de eerste lockdown al bijna weer in die modus van de focusdoos. Ik huur sinds kort een prachtige werkplek, hartje Rotterdam. Ik heb er geen miniplant maar een jungle aan kamerplanten. Maar er komt bijna geen kip. Hoe groot je hut ook is, ook als je niemand spreekt raakt je zuurstof op.

Ik merkte het pas toen ik smoesjes ging bedenken om even te gaan winkelen, even onder de mensen te zijn. Opeens had ik acuut een kaasschaaf nodig. Shoppen als troost tegen eenzaamheid.

Ik ben niet de enige, weet ik; toen ik een alleenstaande buurman aanbood om boodschappen te doen, bedankte hij vriendelijk: hij vond het weliswaar doodeng om naar de supermarkt te gaan, met zijn risicolijf, maar het was zijn enige uitje.

Een ander, zorgwekkender symptoom was dat ik na een dag in mijn schrijfhok bijna schrok als ik weer buiten kwam. De buitenwereld voelde disproportioneel overweldigend en bevreemdend, als een soort omgekeerd stendhalsyndroom: overrompeling niet door schoonheid, maar juist door het alledaagse. Praten werd stotteren, kijken werd met de ogen knipperen – ja, ik was als de gevangene uit de grot van Plato die buitenkwam en duizelde van het felle licht.

Een veeg teken. En een bedrieglijk signaal. Het líjkt of je overprikkeld bent. En dus heb je die neiging terug te duiken in je focusdoos, je werkgrot, waar het rustig is. Maar in feite ben je juist zwaar onderprikkeld, ondervoed wat betreft sociale contacten en ‘werkelijkheid’. De remedie is dus precies omgekeerd: je moet je hok uit, naar buiten.

De advertentie voor de focusdoos deed me wakker schrikken. Opeens zag ik op wat voor gevaarlijk pad ik weer was beland. Sindsdien heb ik ouderwets de telefoon gepakt, mensen gebeld om af te spreken. Je zou bijna vergeten dat het kon, dat het mag – dat het moet. Ik heb een goede regenjas gekocht om mijn hok uit te kunnen als het regent, goede wandelschoenen, een thermosfles, zodat ik makkelijk buiten kan lunchen.

Ik vergroot mijn hok in alle windrichtingen.

Ik heb een belangrijke deadline gemist en de wereld ging gewoon verder. Ik heb productief zijn geherdefinieerd als mensen spreken. Me dunkt dat een wereld die praten of wandelen niet als productief ziet een wereld is die we ernstig moeten wantrouwen.

Elke arbeidsgoeroe vertelt hoe goed pauzes nemen is. Juist de niet-declarabele uren maken een mens ‘productief’. Drie minuten praten bij de koffieautomaat kan een werkdag redden. Neem dus meer pauzes, laat ze uitdijen tot hele dagen. Ieder mens is vervangbaar: doe er je voordeel mee en spijbel gul en professioneel. Wees gerust, je zult productiever zijn dan ooit. Zet geen doos op je hoofd.

De filosoof Socrates, leermeester van Plato, slenterde de hele dag door de stad om met mensen te kletsen. Hij zette net als Jezus nooit één letter op papier. Geen filosoof werd zo beroemd als hij. Laatst fluisterde hij me in om een hele grote verhuisdoos te halen. Zet die over je computer heen. Wijd je aan dierbaren. Fócus.