Recensie

Recensie Boeken

Verraden door je eigen zoontje

Ilmar Taska In zijn onlangs vertaalde roman zet deze Estse schrijver indringend neer hoe subtiel en gemeen het totalitaire Sovjet-regime een heel gezin weet te vernietigen.

In een Russische Pobeda jaagt in Taska’s roman een agent van Stalins geheime politie op politieke tegenstanders.
In een Russische Pobeda jaagt in Taska’s roman een agent van Stalins geheime politie op politieke tegenstanders. Foto Getty Images

Als je in de Sovjet-Unie in de tweede helft van de jaren veertig van een auto droomde, dan was het van een GAZ M20 Pobeda. De lange motorkap, de geprononceerde koplampen, de agressieve aluminium grill en de kattenrug deden sterk aan Amerikaanse sleeën denken.

Een Pobeda (Russisch voor ‘Overwinning’) was voor weinigen weggelegd. Vooral hoge partijfunctionarissen reden erin. De Estse schrijver en filmregisseur Ilmar Taska (Kirov, 1953) gebruikt de limousine in zijn roman Pobeda 1946 behalve als een symbool van de repressieve Sovjet-macht ook als lokmiddel van een officier van Stalins geheime politie, die kort na de Tweede Wereldoorlog in de Estse hoofdstad Tallinn op politieke tegenstanders jaagt. Het heeft een bijzondere roman opgeleverd, die sterk doet denken aan het werk van de Estse schrijver Jaan Kross (1920-2007).

Na twintig jaar onafhankelijkheid werd Estland in 1939 opnieuw ingelijfd door zijn vroegere Russische overheerser. Meteen begon Stalin de Estse bevolking naar Siberië te deporteren. Maar zijn plannen werden verstoord door de Duitse inval van 1941. De nazi’s waren echter nog niet verslagen of Stalin zette zijn herhuisvestingspolitiek voort. De gedeporteerde Esten werden vervangen door etnische Russen en leden van minderheden uit andere delen van de Sovjet-Unie, zoals Kirgiezen en Tataren. Ook Taska komt uit zo’n naar Siberië gedeporteerd gezin.

Dichte gordijnen

Hoofdpersoon in deze beklemmende en knap opgebouwde roman is een zesjarige jongen. Net zoals zijn vader en moeder heeft hij geen naam. Met zijn drieën wonen ze in een huis in Tallinn. De gordijnen zijn er altijd dicht, omdat de vader, een Estse vrijheidsstrijder, zich schuilhoudt voor Stalins geheime politie.

Aan alles merk je dat de ouders van de jongen door de oorlog en de Sovjet-terreur afgemat zijn. Liefde en warmte kunnen ze hun zoontje niet geven, wat Taska heel goed weet weer te geven. Als de jongen op een dag buiten, gezeten op een houtstapel, buschauffeurtje speelt, stopt er een Pobeda in de straat. Hij veert op en gaat naar de blinkende auto toe. De aardige bestuurder, een in burger geklede officier van de geheime politie, die evenmin een naam heeft, draait het raam open. Hij begint een praatje en vraagt de jongen of hij wil instappen. Die grijpt zijn kans en voelt zich een koning te rijk. Hij mag zelfs even sturen.

Als de man hem vraagt of zijn vader ook een auto heeft, zegt de jongen dat zijn vader nooit buiten komt. En daarmee verraadt hij hem.

Bij hun afscheid moet de jongen beloven met niemand over hun ontmoeting te praten. De jongen koestert zijn geheim, al zou hij het liefst zijn ouders over zijn avontuur willen vertellen. Maar omdat hij zijn nieuwe vriend veel leuker vindt dan zijn sombere vader, zwijgt hij.

Als de jongen de volgende dag weer mee mag in de Pobeda, wordt zijn vader gearresteerd. De man van de Pobeda dringt zich vervolgens slinks op aan zijn moeder. Ze zwicht voor de knappe, goedgeklede man, die haar met zijn cadeaus en charme al haar ellende doet vergeten.

Als ze met zijn drieën een autoritje maken, denkt ze cynisch: ‘Wat veranderen de dingen toch snel en wat zijn we toch makkelijk vervangbaar.’

Ondergang

Taska geeft het verraad hiermee een dubbele laag, die de rest van zijn roman zal bepalen. Niet alleen laat hij zien hoe een zuiver kind geleidelijk aan wordt meegesleurd in de ondergang van zijn ouders, maar ook legt hij de morele corruptie bloot die ermee gepaard gaat.

Het surrogaatgeluk van de moeder wordt wreed verstoord als haar zoontje zich verspreekt en ze beseft dat ze haar man met zijn beul bedriegt. Opnieuw levert het een geweldige scène over verraad en loyaliteit op.

Samen met de jongen vlucht de moeder nu naar haar halfzus Johanna, een operazangeres die in de verleden tijd van haar vooroorlogse triomfen leeft en zich zo weinig mogelijk van de nieuwe machthebbers probeert aan te trekken.

De lotgevallen van Johanna vormen de tweede verhaallijn in de roman, die veel lichter is en daardoor hoop biedt op een uitweg uit alle ellende. Voor de oorlog had Johanna verkering met een BBC-presentator, die haar nu uit Estland probeert weg te halen. Ze corresponderen met elkaar, maar hun brieven vallen in handen van de geheime politie, die vermoedt dat Johanna een Britse spion is.

Kindertehuis

De jongen voelt zich opgesloten bij zijn tante. Hij loopt weg en gaat naar zijn vriend van de Pobeda, die hem naar een kindertehuis brengt. Als de man vervolgens zijn moeder te pakken krijgt, probeert hij haar in ruil voor het terughalen van haar zoon over te halen om zijn informant te worden.

Een subtiel kat-en-muisspel volgt, waarin de personages steeds meer psychologische diepgang krijgen. De jongen belandt in een opvoedingskamp in Siberië. Zijn moeder wordt tijdens een verhoor door de geheime politie per ongeluk doodgemarteld.

Het verhaal helt nu over naar Johanna en haar Britse vriend Alan, die naar Moskou komt om met haar te trouwen. Eerder heeft Johanna tijdens een concert voor de nieuwe machthebbers aangepapt met de generaal, die de baas is van de geheime politie in Estland. Ze pakt hem in met haar vertolking van Tsjaikovski’s Tatjana-aria en vraagt hem ervoor te zorgen dat haar neefje terug naar Tallinn mag keren. Weer met hem verenigd probeert ze de jongen duidelijk te maken dat de man van de Pobeda zijn ouders in het verderf heeft gestort. Maar de jongen wil het niet begrijpen. Het veroorzaakte leed is te groot om te bevatten. Door de manier waarop Taska die ontkenning door het ventje neerzet laat hij heel goed zien hoe een totalitair systeem zelfs het kleinste individu weet te vernietigen.

Novitsjok

Als uiteindelijk ook de man van de Pobeda door de generaal uit zijn functie wordt gezet en zijn privileges verliest, besef je ineens waarom Johanna en Alan wel namen hebben en de andere hoofdpersonages niet. Door vast te houden aan hun eigen koers en opvattingen weigeren beide geliefden namelijk om hun individualiteit op te geven. Ze blijven zichzelf en voegen zich niet naar het communistische systeem waarin voor het individu geen plaats is.

Uiteindelijk verkrijgt Johanna haar vrijheid door de generaal van de geheime politie op een heel gewiekste manier te chanteren. Dat die generaal aanvankelijk nog een op novitsjok gelijkend gif wil inzetten om haar te vermoorden is een aardige vondst, die aan de recente aanslag op de Russische oppositieleider Navalny doet denken.

Of ook de jongen zijn vrijheid verkrijgt, is ongewis. Hij is te beschadigd door het onheil dat hij heeft veroorzaakt en wil proberen goed te maken wat hij onbewust heeft vernietigd.

Aangrijpend is de manier waarop Taska het ongeloof van de jongen over zijn daden beschrijft. Op zo’n moment besef je dat de Stalin-terreur zo subtiel en gemeen was, dat zelfs haar slachtoffers niet konden geloven hoe wreed en onverschillig de uitvoerders ervan konden zijn. En juist dat verfijnde sadisme zet Taska heel knap neer.