Rutte over de toeslagenaffaire: ‘Een verschrikkelijk ongeluk’

Toeslagenaffaire Premier Rutte, die donderdag onder ede werd verhoord over de Toeslagenaffaire, bood zijn excuses aan. Maar hij vindt niet dat er onvoldoende oog was voor de mogelijke consequenties van een hardere fraudeaanpak.

Premier Mark Rutte op de laatste dag van de hoorzitting van de parlementaire enquetecommissie Kinderopvangtoeslag.
Premier Mark Rutte op de laatste dag van de hoorzitting van de parlementaire enquetecommissie Kinderopvangtoeslag. Foto: David van Dam

Premier Mark Rutte (VVD) vindt niet dat hij en zijn ministers onvoldoende oog hadden voor de mogelijke consequenties van een hardere fraudeaanpak rondom toeslagen. „Ik meen oprecht dat de balans is gezocht.” Hij denkt wel dat de politieke en maatschappelijke opwinding over affaires, zoals de ‘Bulgarenfraude’, door ambtenaren mogelijk is opgepikt als signaal om verder te gaan „dan ze normaal gesproken zouden doen”.

Rutte werd donderdag onder ede verhoord door de parlementaire commissie die onderzoek doet naar de zogenaamde Toeslagenaffaire. Hij sprak van „een verschrikkelijk ongeluk”, dat raakt aan de kern van de rechtsstaat: het beschermen van burgers tegen de almacht van de staat. „Er is niemand die dacht: we gaan duizenden Nederlanders kapotmaken, maar het is wel gebeurd.”

„U hebt daarin een aanjagersrol gespeeld”, zei Kamerlid Tom van der Lee (GroenLinks), een van de vragenstellers donderdag. Tussen 2013 en 2016 werd ook een ‘ministeriële commissie’ ingesteld, met Rutte als voorzitter, om de fraudeaanpak te stroomlijnen. De premier erkende destijds tegen zijn ministers te hebben gezegd dat „alles op alles” moet worden gezet om de fraude met kinderopvangtoeslagen en andere sociale uitkeringen te bestrijden. Maar hij ziet zichzelf niet als ‘aanjager’.

Niet te veel op papier zetten

Volgens Van der Lee heeft Rutte zich laten leiden door „incidenten”, en zijn signalen genegeerd dat de fraude met toeslagen relatief klein is en dus ook geen harde aanpak rechtvaardigt. Rutte ontkende dat stellig. Volgens hem is het aanpakken van fraude ook nu nog steeds belangrijk „voor het draagvlak” van sociale vangnetten. „Ik vind het belangrijk dat belastingbetalers zien dat we het geld netjes uitgeven”, zei de premier.

Rutte kon zich wel voorstellen dat ambtenaren „grenzen hebben overschreden” doordat er in 2013 grote opwinding was over Oost-Europese bendes die met trucs toeslagen wisten te incasseren. „Er was maatschappelijk druk. Niemand kan zich daar achter verschuilen, maar het kan wel gebeurd zijn.”

Rutte maakte opnieuw „persoonlijk en namens het kabinet excuses” voor de kwestie. De commissie wilde ook weten of ambtenaren worden aangemoedigd om niet te veel op papier te zetten, omdat documenten daarna opgevraagd zouden kunnen worden met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob). „Ik heb geen beeld dat dit gebeurt”, zei Rutte. „Ik heb daar nooit opdracht toe gegeven.” Hij verklaarde wel dat er op zijn ministerie van Algemene Zaken minder op papier wordt gezet, omdat het klein is, geen vakministerie is en een meer „coördinerende rol” speelt. „De archieven van AZ zijn maagdelijk beperkt” en volgens hem is dat „geen probleem”.

Ook ging het over wat in de wandelgangen de ‘Rutte-doctrine’ wordt genoemd: Rutte’s eigen opvatting dat niet elke mail tussen ambtenaren of tussen ministers en ambtenaren openbaar moet worden gemaakt. Volgens de premier is het belangrijk dat ambtenaren in de fase voordat er echte besluiten worden genomen vrijuit met elkaar van gedachten kunnen wisselen „zonder de angst dat stukken naar buiten gaan”.