Foto: Annabel Oosteweeghel

Interview

‘Ik kreeg te horen dat ik eerder naar bed had moeten gaan, dan was het allemaal niet gebeurd’

Alma Mathijsen In haar nieuwe, memoir-achtige roman roept Mathijsen scènes uit haar leven op, met de dood van haar vader en de verkrachting op haar zestiende als scharnierpunten. „De overeenkomst was de taal, die me op die momenten in de steek liet.”

Twee momenten waren bepalend voor hoe Alma Mathijsen zou omgaan met de dood van haar vader. Zij was negen, hij had een zware longontsteking. ‘De volgende dag vroeg mijn moeder me of ik mijn vader wilde bezoeken in het ziekenhuis. Ik was net uit school gekomen. De zon scheen onze woonkamer binnen door de bladeren in de tuin en maakte een patroon op het parket. Ik keek naar mijn moeder. Ik wist het antwoord op de vraag niet. Ik schudde mijn hoofd. Mijn moeder was stil. Ik schudde nogmaals.’

En een dag later: het was avond, ze was ondergebracht bij de buren, want haar moeder was naar het ziekenhuis. De bel ging. ‘Mijn moeder stond in de deuropening. Ik was boven aan de trap gaan zitten, mijn armen om de leuning geklemd. De buurman omhelsde haar heel lang.’

Scènes waarin stiltes centraal staan, een gebrek aan woorden de hoofdrol heeft. Zo kon er in het hoofd van het meisje een schuldgevoel groeien. „Ik wilde niet naar het ziekenhuis en mijn vader overleed. Doordat we nauwelijks over zijn dood praatten, ging ik een causaal verband zien”, vertelt Alma Mathijsen (1984). We wandelen door een ruim park in Amsterdam, ze woont vlakbij. „En hoe langer zoiets niet weersproken wordt, hoe meer dat zich als een waarheid gaat gedragen. Toen ik er veel later met mijn moeder over praatte en zij zei dat het niet zo was gegaan, dat mijn vader al in coma lag, dat daar met geen mogelijkheid nog iets aan te veranderen was, ging die waarheid ook nog niet zomaar weg. Ik had te vaak gezegd: het is wél jouw schuld.”

Er was een verband, meende Mathijsen, met een andere gebeurtenis: de verkrachting die ze meemaakte op haar zestiende. „De overeenkomst was de taal, die me op die momenten in de steek liet.” De verkrachting is in haar nieuwe roman Bewaar de zomer, haar zevende boek, ook een scène. Een zomeravond, na een drankspelletje, ‘de sterren leken te schudden’, zachtjes zegt ze ‘nee’ en de jongen, een leeftijdgenoot, luistert niet (‘Heel even’, zegt hij).

Het Noord-Italiaanse vakantiehuis van haar ouders heeft een centrale rol in de memoir-achtige roman: alle zomers bracht Alma er door, ze had er een (fijne) jeugd. Die herinneringen roept ze weer op. In de roman is Mathijsen niet zo nadrukkelijk één dwingend verhaal aan het vertellen. Wél aan het tonen.

„Ik wilde een boek maken waar de afstand tussen lezer en schrijver heel klein was. Een rauw verhaal, of eigenlijk juist geen verhaal. Over die twee gebeurtenissen, maar zonder er een verháál van te maken – zonder een klassiek begin en een midden en een eind. Ik wilde eerlijk en precies beschrijven, zodat je de taal als overtrekpapier over de werkelijkheid heen zou leggen en het echt zou kloppen.”

Waarom wilde je dat?

„Ik was klaar met verzachten. Dat heb ik van jongsaf geleerd, dat er altijd een verhaal te vertellen is, dat je er altijd iets van kunt maken. Ik ben natuurlijk opgegroeid met boeken, altijd verhalen. Woorden waren er altijd om iets moois te creëren, om een moraal aan te brengen.”

En een moraal, daar moest dit boek van wegblijven?

„Een vader verliezen, een verkrachting – daar hoef je niet iets uit te halen, dat is gewoon verdrietig. Ik weet dat als ik mensen in een gesprek over die verkrachting zou vertellen, ik meteen rekening met hen houd, mezelf verontschuldig, wil troosten. Bij dit boek wilde ik de informatie opdienen en het verder aan de lezer overlaten. En dan hopen dat mensen het zien voor wat het is.”

De verkrachting beschreef ze een paar jaar geleden ook in een essay in NRC. Ze trok erin ten strijde tegen het beeld van verkrachting als iets wat gebeurt door een enge man in de bosjes. ‘In dit relaas komt geen touw of duct tape voor, zelfs geen spoor van fysiek verzet’, schreef ze. ‘Hier gaat het om een jongen die niet door had dat hij een meisje verkrachtte op een vakantie in juli 2001.’

„Ik heb sindsdien zo veel vergelijkbare ervaringen gehoord, waar een grens zachtjes overschreden werd. Ik wilde het nu andermans probleem maken: laten zien wat voor impact dit heeft, dat de handicap van de ontbrekende taal nog erger is.”

Het gebrek aan woorden ervoor is erger dan de verkrachting?

„Dat klinkt heel rot, maar ik meen het wel, vrees ik. Een verkrachting an sich is verschrikkelijk, traumatiserend, maar de manier waarop we ermee omgaan, het doodzwijgen ervan, maakt dat het verwerkingsproces heel moeizaam op gang komt. Pas op mijn dertigste heb ik er wat vrijer over leren praten – veertien jaar later. Het blijft frustrerend hoe langzaam het überhaupt gaat in de maatschappij, met dit onderwerp.”

Praten over verkrachtingen is nog taboe?

„Niet per se, maar wat we niet willen doen is daarbij naar onszelf kijken: wat draag ik bij, op welke momenten kijken we weg? Pas heel recent is het juridische onderscheid tussen ‘verkrachting’ en ‘seks tegen de wil’ afgeschaft. Dat laatste werd veel lichter bestraft – het telde als ‘verkrachting’ wanneer er geweld werd gebruikt en er dus verzet geboden wordt. In veel gevallen bevriezen mensen of is er drank in het spel, waardoor iemand zich niet kán verzetten.”

Daar zit ingebakken dat de verantwoordelijkheid ook bij het slachtoffer lag.

„Ja, dus dan ga je aan jezelf twijfelen: dan heb ik iets fout gedaan. Of: dan is het geen verkrachting, dus heb ik geen reden om me zo verschrikkelijk rot te voelen. Ik kreeg in die tijd e-mails in reactie op dat essay, van mensen die zeggen: ‘Je had eerder naar bed moeten gaan, dan was het allemaal niet gebeurd.’ Iemand van zestien zou met zo’n zelfverwijt niet mogen rondlopen. Tijdens het schrijven zag ik iemand die niet wist wat haar overkwam en hulp nodig had, taal nodig had. En domweg redding – dat is ook waarom ik op een gegeven moment mijn vader de scène in stuur.”

Mathijsen beschrijft hoe haar vader, dan al jaren dood, ineens op een schelpenstrand uit het donker tevoorschijn stapt en haar verdedigt, wanneer een jongen haar iets dreigt aan te doen. Dat soort ingrepen, die de realiteit tarten, herinneren aan Mathijsens eerdere werk: ze debuteerde met een verhalenbundel waarin ze seks had met talloze bekende mensen, in haar novelle Ik wil geen hond zijn verandert de hoofdpersoon in een hond.

„Die scène met mijn vader ontstond tijdens het schrijven. Dat is wat ik meemaak als ik achter de laptop zit en het verhaal gaat stromen – dan mág het allemaal. Alsof je ’s nachts in een weiland staat en zo hard kunt roepen als je wilt, omdat niemand daar iets van kan vinden. Die vrijheid zorgt ervoor dat ik schrijvend achter dingen kom waarvan ik niet wist dat ik naar ze verlangde.”

En dan speelt toch de drang op om een verhaal mooier te maken dan de werkelijkheid was?

„Maar dat voelt ook werkelijk en eerlijk! En sowieso zal die drang altijd in me zitten. Zo’n ingreep is een kleine ode aan het wél meeslepende, wensvervullende verhaal en tegelijkertijd laat het mijn falen zien: het gaat me toch nooit lukken om de werkelijkheid precies weer te geven zoals die is, daarvoor is de taal niet toereikend.”

Dus je hebt de taal, die je in de steek had gelaten, niet alsnog overwonnen?

„Dat zou te makkelijk zijn – en dan was het precies dat ronde verhaal geworden waarvan ik weg wilde blijven. Dat mocht echt niet, dan was het boek mislukt, het trauma definitief verwerkt. Dat woord is al verschrikkelijk. Iemand vroeg mij ooit of ik de dood van mijn vader al ‘verwerkt’ had, maar ik wíl het helemaal niet verwerken. Dat zou betekenen dat hij echt weg is, terwijl ik hoop dat ik hem mijn hele leven bij me draag.”

Mathijsen ziet dan haar buurman ons tegemoet wandelen. Ze zegt ‘hoi’ en fluistert dan: „Ik besef ineens: ik heb vannacht over hem gedroomd! Hij sprong vanaf zijn balkon op de zesde verdieping in het water. Lekker bommetjes maken, met vrienden. Hij moedigde mij aan om het ook te doen, terwijl ik alleen maar dacht: dat is toch geváárlijk, je kunt wel doodgaan!”

Zoek je iets achter zo’n droom?

„Nee, niet echt. Ik moet wel aan iets anders denken: ik droomde vorige week over mijn vader. En ik droom vrijwel nooit over hem, voor het laatst toen ik achttien was. Ik fietste door de stad en wist ineens: ik moet naar dat café en daar is dan mijn vader. En hij was er. Ik ging bij hem aan tafel zitten, hij zat grapjes te maken met vrienden en er kwam een enorme kalmte over me heen. Ik werd helemaal vervuld en vrolijk wakker.”

Denk je dat het met het boek te maken heeft?

„Weet ik niet. Zou kunnen. Maar ik hoef er niet per se iets in te lezen, an sich was het een ervaring, iets wat ik niet ga vergeten. Het is gebeurd. Al is het in een droom gebeurd, ik heb het gevoeld.”

De dynamiek van je boek is dat je als lezer betekenis gaat zoeken in zo’n gebeurtenis…

„Ja, in dit boek wil ik vooral beschrijven wat er gebeurt en de betekenis niet voorkauwen.”