Recensie

Recensie Boeken

De Amerikaanse obsessie met ‘ras’

Brit Bennett Deze roman van Brit Bennett gaat over een Amerikaans stadje met witte bewoners, die afstammen van zwarte mensen. Bennett laat zien hoe innig het begrip ‘ras’ met de Amerikaanse identiteit verknoopt is.

In De vervlogen helft wordt de ‘one drop rule’ niet genoemd, maar deze wet, die in sommige staten van de VS bepaalde dat ook verre nakomelingen van een zwarte voorouder niet tot het witte ras behoorden, hangt zwaar boven de bladzijden. Alle personages zijn geobsedeerd door kleur, ras, afkomst. Zozeer dat het even lijkt alsof de roman satire is, maar Brit Bennett blijft zo serieus en hanteert het realistische register van de Great American Novel zo feilloos, dat ik gaandeweg niet meer goed wist wat ik las. Zizek noemt dat ‘subversive affirmation’: een ideologie aandikken totdat hij implodeert.

Bennett (1990) laat in haar tweede roman overtuigend zien hoe innig (en problematisch) het begrip ‘ras’ met de Amerikaanse identiteit verknoopt is, en hoe volslagen uit de lucht gegrepen, die grens tussen zwart en wit.

Het begint in het fictieve stadje Mallard, dat werd gesticht door de zoon van een plantagehouder en een tot slaaf gemaakte. Mallard moest een ‘tussenplaats’ worden voor mensen die ‘nooit voor wit zouden kunnen doorgaan, maar weigerden om zich als slaven te laten behandelen’. Het staat nog bekend als een ‘gekleurd dorp’, volgens de one drop rule, maar na honderd jaar is men feitelijk net zo wit als witte mensen: ‘blond, roodharig, de donkerste nauwelijks donkerder dan een Griek’.

Verdwijning

In 1954 verdwijnt de 14-jarige tweeling Desiree en Stella. Ze zijn ontsnapt, omdat ze wegkwijnden in die stad waar geen ander perspectief is dan de onzichtbare schakeringen van huidskleur. Desiree trouwt met de zwartste man die ze kan vinden, Stella ontdekt hoe gemakkelijk het is te doen alsof ze wit is. Ze verliezen elkaar uit het oog. Dan volgt de vertelling hun beider dochters, de zwarte Jude en de witte Kennedy, die elkaar bij toeval leren kennen. Bennett heeft een paar ongeloofwaardige plotwendingen nodig om de lijnen bij elkaar te brengen, al zijn die lang niet zo absurd als de one drop rule.

Bennett legt haar lens op de afschaffing van de segregatie, en de doorwerking daarvan op witte en zwarte mensen in verschillende klassen. Steeds gaat het om de vraag of je zelf kunt kiezen wie je bent. Stella is white passing, ze is ‘overgegaan’, al moet ze daarvoor enorme offers brengen; nooit kan ze iemand over haar geschiedenis vertellen. (Hier resoneert een eerdere Great American Novel, Philip Roths The Human Stain). Maar het boek wordt ook bevolkt door aspirant-acteurs, feministen, transgenders, in-the-closet homoseksuelen en illusies verkopende makelaars.

Door het thema ‘identiteit’ breder te trekken dan kleur alleen, laat Bennett zien dat het verlangen om iemand anders te zijn de essentie is van de Amerikaanse droom. Dit ligt er dik bovenop – vele hoofdstukken eindigen met een dreunend zinnetje als ‘ze vond zichzelf opnieuw uit’ – maar als kritisch commentaar is De vervlogen helft geslaagd. Knap is vooral dat alle personages levendig en gelaagd zijn ondanks hun symbolische functies. De gendertransitie van Reese is een steunbeer van de plot, maar hij komt tot leven, hij krijgt meer betekenis dan alleen als motief.