Necrologie

Haar jeugd, de liefde en de dood was waar ze over zong

Liselore Gerritsen (1937-2020) In de jaren zestig en zeventig was ze met haar liedjes een bekende verschijning. Ze trad op met Paul van Vliet en theatergroep Pepijn.

Liselore Gerritsen
Liselore Gerritsen Foto KIPPA

Met haar omfloerste stem kon Liselore Gerritsen ongekende diepten bereiken – en dat maakte haar uit duizenden herkenbaar. Ze schreef en zong poëtische liedjes en verhalen waarmee ze jarenlang haar eigen theaterprogramma’s maakte voor een klein, maar trouw publiek. Woensdagmiddag is ze overleden in een verzorgingshuis in Woubrugge, 83 jaar oud.

Liselore Gerritsen, domineesdochter uit Wichmond bij Zutphen, wilde eigenlijk naar de toneelschool, maar ondernam op aandringen van haar ouders een studie Frans aan de universiteit in Leiden. Daar zong ze af en toe Franse chansons in een plaatselijk café. Zo werd ze begin jaren zestig ontdekt door enkele andere studenten die een cabaretgroepje wilden oprichten. Een van hen was de rechtenstudent Paul van Vliet, die haar met succes overhaalde om de leading lady van dit Leids Studentencabaret te worden. In 1963 trouwden ze.

Onder de nieuwe naam cabaret Pepijn trok het groepje steeds meer publiek, totdat Paul van Vliet zo populair werd dat hij besloot als solocabaretier verder te gaan. Pepijn bleef nog even bestaan, maar stopte in 1971. Liselore Gerritsen werkte daarna nog samen met geestverwanten als Ramses Shaffy en Herman van Veen, maar ging vooral haar eigen weg met haar eigen repertoire.

Liselore Gerritsen presenteert in Den Haag haar nieuwe plaat Liselore (1971).

Foto ANP/Kippa

In 1978 scheidde Liselore Gerritsen van Paul van Vliet. Later ontmoette ze bassist Ruud Jacobs die door haar platenmaatschappij was geëngageerd om met haar een nieuwe plaat te produceren. Hij werd haar tweede man. Hij stierf vorig jaar.

Haar jeugd, de liefde en de dood waren de onderwerpen waarop ze telkens terugkwam. „Ik kan geen verhaaltjes verzinnen, geen typetjes maken”, zei ze ooit. „Ik ben het de hele avond zelf, die op het toneel staat.”

Eén van de meest typerende liedjes uit haar repertoire is dan ook het autobiografische ‘Oktoberkind’, dat tevens het titelnummer was van één van haar albums: „Oktobermaand, geboortemaand/ je vruchten zijn geoogst/ de zoete wijn is in het vat/ het hout gekloofd./ Dat is waarom een oktoberkind van kinds af aan voldaan is/ omdat voor zijn gevoel het werk gedaan is.”