Een Nederlands ziekenhuis op de grens van strijdgebied

Ziekenhuis Twee Nederlandse tropenartsen bouwen een ziekenhuis in Ecuador, tegen de Colombiaanse grens. „Er is een kans dat een gewapende groep ons meeneemt.”

De plek waar het ziekenhuis wordt gebouwd.
De plek waar het ziekenhuis wordt gebouwd. Foto privéarchief

Het is 30 graden en kurkdroog in Puerto el Carmen, een dorpje met vijfduizend inwoners in het noorden van Ecuador, vlak tegen de Colombiaanse grens. Jacob van der Ende kijkt uit over de honderd meter brede Putumayo-rivier die de grens vormt tussen de twee landen. „Carolien is even in Nederland om een transport met spullen voor het ziekenhuis in goede banen te leiden”, zegt hij. „Dus je zult het mij moeten doen.”

Van der Ende is druk bezig met het verbouwen van een oud internaat tot een ziekenhuis dat voor het eind van het jaar open moet zijn. De bedrading van de benedenverdieping moet in orde worden gemaakt: staande op een keukentrapje boort hij gaten en trekt hij de draden door de oude muur. „We hebben nu ook een aannemer aangesteld. Dat scheelt. De benedenverdieping is praktisch klaar. Daar willen we mensen helpen die straks voor een dagbehandeling komen.”

In 2017 begonnen de tropenartsen Carolien (36) en Jacob (38) van der Ende met het opzetten van een eigen ziekenhuis midden in het Ecuadoriaanse Amazonegebied. Een enorme exercitie, als je bedenkt wat daar allemaal voor nodig is én als je weet dat de meeste van die spullen in Ecuador niet te krijgen zijn. Er arriveerden al twee zeecontainers met spullen uit Nederland; bedden, bureaustoelen, een röntgenapparaat en een operatietafel, computers. In de derde container, die volgend jaar moet aankomen, zullen ook coronatests zitten. „We hebben momenteel weer te maken met een opleving van het aantal infecties.” Ze krijgen alle benodigdheden via donaties, vertelt Van der Ende. „Van ziekenhuizen, klinieken of mensen die toevallig een arts kennen die nog wel wat heeft.”

Lees ook een reportage over corona in Zuid-Amerika: ‘De verpleegsters op de afdeling droegen geen mondkapje’

De acquisitie is uitbesteed aan de moeder van Carolien, die vanuit Nederland wereldwijd fondsen aanschrijft voor haar dochter en schoonzoon. Zij regelde ook het geld dat het transport van de zeecontainers mogelijk maakte. „We staan vaak versteld van de hulp die we ontvangen. Niet alleen financieel, er is bijvoorbeeld ook iemand die mooie dronebeelden voor ons wilde maken. En een Nederlandse architect, die we toevallig tegenkwamen in Guayaquil, een grote havenstad, bood aan dat ze ons woonhuis wel wilde ontwerpen.” Het echtpaar woont nu nog op tweeënhalf uur reizen van het ziekenhuis, maar als je achter het toekomstige ziekenhuis het bos inloopt, kom je na honderd meter bij hun huis-in-aanbouw.

Verliefd op Zuid-Amerika

Carolien en Jacob van der Ende leerden elkaar kennen op de middelbare school, studeerden beiden geneeskunde en deden tijdens hun studie beiden onderzoek in Zuid-Amerika. „We werden verliefd op dat continent”, vertelt Jacob van der Ende.

Na hun afstuderen als basisarts maakten ze een lange reis door Afrika waar ze ontdekten wat ze echt willen: tropenarts worden. In 2014 vertrokken ze weer naar Afrika, nu naar Sierra Leone, deze keer beroepsmatig. „Daar was een vacature voor drie maanden. Maar we bleven uiteindelijk anderhalf jaar.”

Tijdens de grote ebola-uitbraak werkten ze in een ziekenhuis, officieel met nog een andere arts, maar waar het op neerkwam, zegt Van der Ende, „was dat Carolien en ik daar eigenlijk alles runden. Zeventig bedden met z’n tweeën. Dat was fantastisch, maar ook moeilijk. Op een gegeven moment kwam er een patiënt met een hevige buikinfectie. We hadden wel wat ervaring met opereren, maar niet veel. Een kijkoperatie, zoals in Nederland gebruikelijk is, was daar onmogelijk. Dan moet je die hele operatie doen. Gewoon aanpakken, zo werkt het eigenlijk heel vaak als tropenarts. Dat sprak ons zo aan dat we besloten dat we ons eigen ziekenhuis wilden bouwen.”

Carolien en Jacob van der Ende bij hun ziekenhuis-in-aanbouw in het Amazonegebied Foto’s privéarchief

Omdat Zuid-Amerika al tijdens hun studie hun hart had gestolen, werkten ze eerst een tijd op een kleine medische post in het Ecuadoriaanse regenwoud, tussen de inheemse stammen. Uiteindelijk kozen ze voor Puerto el Carmen.

„We hebben lang nagedacht waar we dit project willen ondernemen. Als tropenartsen willen we graag patiënten behandelen op plaatsen waar de toegang tot zorg minimaal is, maar in sommige gebieden van het regenwoud wonen gewoon te weinig mensen om een ziekenhuis te rechtvaardigen. In het gebied waar we ons ziekenhuis nu bouwen, wonen zo’n 20.000 mensen. Dat is voldoende. Zeventig procent van de mensen leeft onder de armoedegrens en er is nauwelijks werk. Er is geen toegang tot goede zorg, niet tot schoon drinkwater, het huiselijk geweld is enorm en er zijn vaak complicaties bij de vele tienerzwangerschappen in de regio, meer dan eens het gevolg van onvrijwillige seks. Hier kan je het verschil maken.”

Gewapend conflict

De meeste patiënten zullen per boot over de rivier naar het ziekenhuis komen. Ze verwachten patiënten uit Ecuador, Colombia en zelfs uit Peru, een paar uur varen hiervandaan.

Daarnaast verwachten ze slachtoffers van het Colombiaans gewapend conflict binnen te krijgen. Eind 2016 sloten de Colombiaanse overheid en de FARC, een van de belangrijkste gewapende groepen, een akkoord om de wapens in te leveren. Toch is het geweld, dat al een halve eeuw duurt, nooit gestopt. Alleen dit jaar al werden er 246 mensen vermoord bij 61 bloedbaden. Ook strijden bendes hier om de gebieden voor cocateelt en om het cocaïnetransport in handen te krijgen. Aan de Ecuadoriaanse zijde, precies waar het ziekenhuis staat, geeft het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken een negatief reisadvies af voor de grensstreek, vooral vanwege het risico op ontvoeringen die samenhangen met de drugshandel.

Foto’s privéarchief

„We verwachten dat we weleens een schot- of een steekwond binnen zullen krijgen. En de kans bestaat dat een gewapende groep ons meeneemt als ze een gewonde of een zieke hebben”, zegt Van der Ende. „Als ze weten dat er goede gezondheidszorg in de buurt is, schijnt dat vaker voor te komen. Ze brengen je uiteindelijk wel weer netjes terug, maar je weet niet waar je naartoe wordt gebracht of hoelang je weg bent.” Het risico schrikt het echtpaar niet af. „We moeten wel zorgen dat ik dan meega en niet Carolien”, zegt Van der Ende. „Je staat toch liever niet als vrouw tussen een clubje gewapende mannen.”

Hij blijft er ogenschijnlijk rustig onder, maar vertelt dat het onlangs wel spannend werd: „We reden ’s avonds laat naar Puerto el Carmen toen twee motoren voor en achter ons kwamen rijden. Ik had niets door, maar de Ecuadorianen met wie reisden schrokken enorm. Ze hadden een van de mannen op de motor herkend als een beruchte ontvoerder. Ze bleven ons kilometers volgen. Uiteindelijk gingen de motoren er weer vandoor. Ik heb nog steeds het gevoel dat we daar goed weggekomen zijn.”

Goed personeel

Het is een heel proces om goed personeel aan te trekken, midden in het Amazonegebied. De tropenartsen worden van alle kanten benaderd door mensen die nog een oom of een zus hebben die wel voor het ziekenhuis kan werken. „Als ik dan vraag wat die kunnen, is het antwoord vaak: álles.” Van der Ende lacht. „Dat is wel moeilijk. We willen graag met iedereen vrienden blijven, maar je zult mensen toch ook moeten teleurstellen.”

Het evenwicht vinden tussen gezond wantrouwen en goed samenwerken kan lastig zijn, vinden ze. Soms krijgen ze te maken met diefstal. „We hebben een keer iemand tot in het bos achterna gezeten voor een slijptol, maar we hebben hem niet te pakken gekregen.”

Van der Ende hoopt dat het ziekenhuis voor 2021 kan gaan draaien. „We willen vooralsnog zoveel mogelijk zelf doen. We gaan zelf opereren en geboortes begeleiden.” Ook de analyses in het laboratorium wil hij voor een groot deel zelf uitvoeren. Toch zijn ze ook op zoek naar lokale artsen om hen te ondersteunen. En ze staan open voor personeel uit het buitenland. „Misschien moeten we mensen uit Colombia of Cuba halen. Daar zijn mensen doorgaans goed opgeleid.”

Nu zijn ze zelf nog onmisbaar, zegt Van der Ende, maar uiteindelijk moet het ziekenhuis niet afhankelijk zijn van hun aanwezigheid. „Over een paar jaar moet het zonder ons kunnen draaien. Dat is ons doel.”